Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2859

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
C/16/521369 / KG ZA 21-253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beroep op non-concurrentiebeding in splitsingsreglement slaagt niet wegens strijd met artikel 6 Mededingingswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2021/229 met annotatie van A.J.J. van der Heiden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/521369 / KG ZA 21 -253

Vonnis in kort geding van 30 juni 2021

in de zaak van

[eiser] H.O.D.N. [onderneming 1],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. S.R. Kieffer te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOMECO INVESTMENTS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. F.F.A. Havelaar te Amsterdam,

2. [gedaagde sub 2] H.O.D.N. [onderneming 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde T.P.G. Logtenberg te Bilthoven.

Partijen zullen hierna [eiser] , Domeco en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met productie van [gedaagde sub 2] ;

  • -

    de nadere producties van [eiser] ;

  • -

    de producties van Domeco;

  • -

    de mondelinge behandeling van 16 juni 2021, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;

  • -

    de spreekaantekeningen van [eiser] ;

  • -

    de spreekaantekeningen van Domeco.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] drijft sinds 2012 een haarsalon ( [onderneming 1] ) in een winkelcentrum aan de [straat] in [vestigingsplaats] . De winkelruimtes zijn sinds 1959 appartementsrechten en de eigenaars van deze appartementsrechten zijn verenigd in de Vereniging van eigenaars Winkelcentrum “ [VvE] ” (hierna: de VvE).

2.2.

In artikel 2 lid 1 van de splitsingsakte van 14 september 1959 (hierna ook het splitsingsreglement genoemd) is een non-concurrentiebeding opgenomen. Dit beding luidt als volgt:

“Ieder der eigenaren zal het recht hebben op uitsluitend gebruik van de hem toekomende gebruikseenheid.

Het is de eigenaar evenwel verboden in zijn gebruikseenheid een bedrijf uit te oefenen (of de uitoefening daarvan toe te laten) dan wel daarin een zaak te drijven (of het drijven daarvan toe te laten) gelijk aan - of verwant met - een bedrijf dat - of een onderneming die -, nu of te eniger tijd, ingevolge de bovenomschreven bestemming wordt uitgeoefend in één der andere gebruikseenheden, zullende met name geen goederen mogen worden verhandeld, welke als hoofdartikel(en) in één der andere gebruikseenheden ingevolge de bovenomschreven bestemming mogen worden verhandeld.

Bij verschil van mening omtrent de vraag of een bedrijf of onderneming gelijk is aan - of verwant is met - enig ander bedrijf of affaire, dan wel of een artikel een hoofdartikel is in een bepaalde gebruikseenheid, wordt op verzoek van de meest gerede belanghebbende - in hoogste ressort - beslist door een commissie van drie personen, zijnde de Voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Utrecht, de te De Bilt standplaats hebbende notaris, en een derde door de Heer Kantonrechter te Utrecht aan te wijzen, welke commissie bij meerderheid van stemmen uitspraak doet, zullende de betreffende beslissing gelden als bindend advies, alzo bindend voor partijen, met uitsluiting van beroep op de gewone rechter. (…)”

2.3.

[eiser] is sinds 20 december 2018 rechthebbende tot de appartementsrechten aan de [adres] waar hij zijn haarsalon exploiteert.

2.4.

Domeco is sinds 2 april 1997 rechthebbende tot het appartementsrecht aan de [adres] . Domeco verhuurt deze winkelruimte sinds 1 november 2020 aan [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 2] heeft in deze winkelruimte op 3 maart 2021 een kapperszaak geopend, [onderneming 2] .

2.5.

[eiser] heeft [gedaagde sub 2] en Domeco verschillende keren gesommeerd het non-concurrentiebeding na te leven en geen concurrerende activiteiten vanuit de winkelruimte aan de [adres] te (laten) verrichten. [gedaagde sub 2] en Domeco hebben aan deze sommaties echter geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert:

I. Domeco en [gedaagde sub 2] hoofdelijk en op straffe van een dwangsom te verbieden om de huidige exploitatie in het appartementsrecht aan de [adres] te [vestigingsplaats] , lees: het drijven van een haarsalon in de meest ruime zin van het woord, volledig te staken en gestaakt te houden;

II. Domeco en [gedaagde sub 2] hoofdelijk en op straffe van een dwangsom te verbieden om in het appartementsrecht aan de [adres] te [vestigingsplaats] , (bedrijfs)activiteiten te (doen) ondernemen gelijk aan of verwant met de onderneming van [eiser] , zoals, maar niet beperkt tot, dienstverlening op het gebied van haarverzorging en verkoop van hieraan gerelateerde producten;

III. Domeco en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen om aan [eiser] een vergoeding te betalen voor de schade die hij tot heden heeft geleden;

IV. Domeco en [gedaagde sub 2] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[eiser] beroept zich ter onderbouwing van zijn vordering op nakoming van het non-concurrentiebeding in artikel 2.1 van het splitsingsreglement. Hij stelt dat zowel Domeco als [gedaagde sub 2] gebonden zijn aan het splitsingsreglement en dat het non-concurrentiebeding wordt overtreden nu [gedaagde sub 2] het appartmentsrecht aan de [adres] als haarsalon gebruikt. [eiser] stelt zich daarnaast op het standpunt dat Domeco en [gedaagde sub 2] door de schending van het non-concurrentiebeding onrechtmatig jegens hem handelen.

4 De beoordeling

spoedeisendheid

4.1.

[eiser] stelt dat hij als gevolg van de overtreding van het non-concurrentiebeding sinds de opening van [onderneming 2] op 3 maart 2021 dagelijks omzetschade lijdt, wat neerkomt op duizenden euro’s op jaarbasis. Hij heeft hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.

bevoegdheid rechtbank

4.2.

Domeco stelt dat [eiser] de bindend advies procedure had moeten volgen die in artikel 2 lid 1 van het splitsingsreglement wordt genoemd. Volgens Domeco hebben partijen hiermee afstand gedaan van het recht op toegang tot de overheidsrechter en moet [eiser] daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.3.

De voorzieningenrechter begrijpt deze stelling van Domeco aldus, dat Domeco hiermee de bevoegdheid van deze rechtbank aan de orde stelt. De voorzieningenrechter deelt het standpunt van [eiser] dat in dit geval de bindend advies procedure niet hoefde te worden gevolgd, omdat er tussen partijen geen verschil van mening is over de vraag of [onderneming 1] en [onderneming 2] gelijk zijn aan elkaar of met elkaar verwant zijn. Domeco stelt zich weliswaar op het standpunt dat dit wél ter discussie staat, maar dat blijkt niet uit de correspondentie die partijen voorafgaand aan deze procedure hebben gevoerd. Bovendien is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter evident dat [onderneming 1] en [onderneming 2] gelijksoortige activiteiten verrichten, omdat niet in geschil is dat zij zich beide bezighouden met het knippen van mannen en kinderen. De enkele omstandigheid dat [onderneming 1] daarnaast ook nog vrouwen knipt en [onderneming 2] dat niet doet, betekent niet dat beide ondernemingen hierdoor niet meer gelijksoortig zijn. Los daarvan heeft [eiser] aan zijn vordering ook onrechtmatig handelen door Domeco en [gedaagde sub 2] ten grondslag gelegd. De voorzieningenrechter acht zich daarom bevoegd om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen.

artikel 6 Mededingingswet

4.4.

De vorderingen van [eiser] kunnen in het kader van deze kortgedingprocedure slechts worden toegewezen indien aannemelijk is dat een rechter in een bodemprocedure de vorderingen ook zal toewijzen. Domeco en [gedaagde sub 2] stellen zich onder meer op het standpunt dat [eiser] geen beroep kan doen op het non-concurrentiebeding, omdat dit beding nietig is wegens strijd met artikel 6 van de Mededingingswet (Mw). De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat een bodemrechter dit verweer zal honoreren en de vorderingen van [eiser] daarom zal afwijzen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Op grond van artikel 6 lid 1 Mw zijn overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst, verboden.

Op grond van het tweede lid zijn de krachtens het eerste lid verboden overeenkomsten en besluiten van rechtswege nietig.

4.6.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de appartementseigenaars van de winkelruimtes waarop het splitsingsreglement van toepassing is en die zijn verenigd in de VvE, op grond van artikel 2 lid 1 van het splitsingsreglement jegens elkaar zijn gebonden om elkaar - kort gezegd - geen concurrentie aan te (laten) doen. Hiermee is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter feitelijk sprake van een overeenkomst tussen ondernemingen dan wel een besluit van een ondernemersvereniging (op grond van de uitspraak van het Hof van Justitie EU van 23 november 2006, ECLI:EU:C:2006:734, Asnef-Equifax, is het niet nodig de vorm van de samenwerking precies te kwalificeren). Deze overeenkomst heeft de duidelijke strekking om de mededinging op een deel van de Nederlandse markt te verhinderen of te beperken. Partijen zijn het erover eens dat de relevante markt voor kappers in dit geval Winkelcentrum [VvE] is.

4.7.

Gezien de mededingingsbeperkende strekking van het non-concurrentiebeding, hoeven de gevolgen daarvan voor de mededinging niet verder te worden onderzocht en kan ervan uit worden gegaan dat het beding een merkbare beperking van de mededinging vormt. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat het beding op grond van artikel 6 lid 1 Mw verboden is en op grond van het tweede lid nietig, zodat [eiser] op het beding uit de akte van 1959 door de later ingevoerde Mededingingswet van 1997 geen beroep kan doen. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.

4.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Domeco en [gedaagde sub 2] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Domeco worden begroot op:

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.683,00

4.9.

De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden begroot op € 309,00 voor griffierecht. Omdat niet is gebleken dat de heer Logtenberg een professionele gemachtigde is, zal geen vergoeding voor de door hem verrichte werkzaamheden worden toegekend.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Domeco, tot op heden begroot op € 1.683,00;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde sub 2] , tot op heden begroot op € 309,00;

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.1

1 type: MS (4185) coll: