Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2842

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
9070502 UC EXPL 21-1991
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgverzekering, niet betaalde premie. Zorgverzekeraar is eerdere vaststellingsovereenkomst niet nagekomen. Vordering wordt afgewezen, omdat zorgverzekeraar onvoldoende informatie heeft gegeven over de plaatsgevonden aflossingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 9070502 UC EXPL 21-1991 TD/1475

Vonnis van 30 juni 2021

inzake

de naamloze vennootschap

Interpolis Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen: Interpolis,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

In het dossier zitten de volgende stukken:

 de dagvaarding van 11 februari 2021;

 de reactie van [gedaagde] van 10 maart 2021 met een tegenvordering;

 het tussenvonnis van 12 mei 2021, waarmee een mondelinge behandeling is bepaald;

 de schriftelijke toelichting van Interpolis met de reactie op het verweer van 7 juni 2021, tevens akte inhoudende vermeerdering van eis.

1.2.

De mondelinge behandeling is gehouden op 16 juni 2021. Verschenen zijn mr. [A] (namens de gemachtigde van Interpolis) en [gedaagde] . Partijen hebben de standpunten toegelicht en antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen bijgehouden.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald.

2 Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde] heeft vanaf 2015 een zorgverzekering bij Interpolis. Partijen hebben een geschil over betaling. Dat geschil dateert al van 2019.

2.2.

Interpolis heeft [gedaagde] in 2019 gedagvaard voor deze rechtbank. De procedure, genummerd 7495475 UA EXPL 19-132, is geëindigd met een vaststellingsovereenkomst. Uit het proces-verbaal van de zitting van 3 april 2019 blijkt dat partijen – voor zover relevant – toen het volgende zijn overeengekomen:

“(…)

Partijen komen ter beëindiging van dit geschil het volgende overeen.

1. [gedaagde] zal aan Interpolis € 1.500,- betalen voor alle openstaande posten tot en met 2018.

2. Betaling van dit bedrag zal plaats vinden in maandelijkse termijnen van € 150,- waarvan de eerste termijn betaald zal worden uiterlijk op 30 april 2019 en elke volgende termijn uiterlijk op de laatste dag van de volgende maand. Indien [gedaagde] een termijn niet of niet tijdig voldoet, dan wel de lopende premie of eventuele zorgkostennota’s niet of niet tijdig voldoet, dan wordt tevens het bedrag van de nog niet vervallen termijnen terstond, zonder nadere kennisgeving, opeisbaar.

3. Interpolis zal zo spoedig mogelijk zorgdragen voor afmelding van [gedaagde] bij het CAK.

4. Betaling zal geschieden door overmaking op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van LAVG onder vermelding van dossiernummer [.] .

(…)”

2.3.

[gedaagde] is de vaststellingsovereenkomst nagekomen en heeft alle afgesproken termijnen tijdig betaald op de bankrekening van LAVG. [gedaagde] heeft één termijn van € 150,00 teveel betaald. Dit bedrag is teruggestort. [gedaagde] heeft ook rechtstreeks aan Interpolis betalingen gedaan. Met deze betalingen wilde [gedaagde] de lopende premie voldoen. Interpolis heeft de betalingen deels afgeboekt op andere posten.

2.4.

Nadat [gedaagde] bij LAVG had geklaagd over het uitblijven van een afmelding bij het CAK, heeft LAVG hem per e-mail van 3 juli 2019 bericht als volgt:

“(…)

Er staat nog een dossier van € 63,70 (dossiernummer: [..] ) bij ons open. Dit heeft betrekking op een zorgkostennota van 14 januari 2019. Deze is niet in de schikking meegenomen, aangezien daar alleen alle openstaande bedragen tot en met het jaar 2018 zijn meegenomen.

Als wij ook voor dit dossier een betalingsregeling afspreken, wat gelet op uw bereidheid om het op te lossen, vast mogelijk is, dan zal u worden afgemeld bij het CAK.

(…)”

2.5.

[gedaagde] heeft de betalingsregeling voor het nieuwe dossier niet getroffen.

2.6.

Interpolis heeft [gedaagde] daarna toch afgemeld bij het CAK.

2.7.

Met een brief van 17 september 2019 heeft Interpolis aan [gedaagde] bericht dat het niet is gelukt om een bedrag van € 565,25 af te schrijven voor de premie voor de periode van mei tot en met september 2019.

2.8.

Met een brief van 18 oktober 2019 heeft Interpolis het volgende aan [gedaagde] bericht:

“(…)

U stuurt ons een brief over een achterstallige administratie. Ik vind het jammer dat u dit zo ervaart. Met deze brief hoop ik het u uit te leggen.

U bent per mei 2019 afgemeld bij het CAK

Op 14 augustus 2019 bent u met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2019 afgemeld bij het CAK. U heeft vanaf 1 mei 2019 ook direct betalingen aan ons gedaan. Hiervoor hebben wij geen nota’s verstuurd, u was op dat moment nog aangemeld bij het CAK. Er waren achterstanden, de betalingen die u heeft gedaan zijn daarop verwerkt.

Op 4 september 2019 hebben wij premie bij u in rekening gebracht

Wij brachten met terugwerkende kracht de premie vanaf 1 mei 2019 bij u in rekening. Hiervoor heeft u een nota van ons ontvangen. Vanaf dit moment betaald u de betreffende maanden aan ons.

Er is een betalingsachterstand ontstaan van € 491,23.

(…)

Als u nog vragen heeft , kijk dan op interpolis.nl/zorg

(…)”

3 De vorderingen over en weer

3.1.

Interpolis heeft in eerste instantie gevorderd de veroordeling van [gedaagde] om aan haar te betalen een bedrag van € 290,31, vermeerderd met rente en kosten. Dit bedrag bestaat uit € 484,68 aan hoofdsom, € 60,74 aan incassokosten en € 11,39 aan rente berekend tot 5 februari 2021, verminderd met de door [gedaagde] betaalde bedragen van in totaal € 266,50.

Ter onderbouwing van haar vordering heeft Interpolis aangevoerd dat [gedaagde] de premies over de maanden mei 2019 (ad. € 29,03), premie juni 2019 (ad. € 113,05), premie juli 2019 (ad. € 113,05), premie aug 2019 (ad. € 113,05) en premie jan 2020 (ad. € 116,50) onbetaald heeft gelaten.

3.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Volgens hem heeft hij alle vorderingen al betaald. Dit heeft hij ook al aan zowel Interpolis als haar gemachtigde laten weten. Desondanks is hij toch – ten onrechte – gedagvaard. Als tegeneis vraagt [gedaagde] – samengevat – de overeenkomst te ontbinden en vergoeding van de door hem gemaakte kosten.

3.3.

Bij akte heeft Interpolis haar eis vermeerderd met een bedrag van € 237,73.

Dit bedrag bestaat uit € 185,58 aan hoofdsom, € 48,40 aan incassokosten en € 3,75 aan rente berekend tot 7 juni 2021. Ter onderbouwing van deze vermeerdering van eis heeft Interpolis aangevoerd dat [gedaagde] de premie over de maand juni 2020 (ad. € 116,50) en een gedeelte van de premie over de maanden januari 2021 (ad. € 47,08), februari 2021 (ad. € 5,50), maart 2021 (ad. € 5,50), april 2021 (ad. € 5,50) en mei 2021 (ad. € 5,50) onbetaald heeft gelaten.

Interpolis vordert thans zodoende de veroordeling van [gedaagde] om aan haar te betalen een bedrag van € 528,07, vermeerderd met rente en kosten. Verder heeft Interpolis verweer gevoerd tegen de door [gedaagde] ingediende vorderingen.

4 Wat vindt de kantonrechter ervan?

de nakoming van de vaststellingsovereenkomst

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat Interpolis, anders dan op 3 april 2019 was afgesproken, [gedaagde] niet direct heeft afgemeld bij het CAK. Zij heeft [gedaagde] pas op 14 augustus 2019, met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2019, afgemeld. Een toelichting op die handelwijze heeft [gedaagde] pas gekregen via de hiervoor geciteerde brief van oktober 2019. Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van Interpolis geen verklaring kunnen geven voor de gang van zaken. [gedaagde] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat hij hulp heeft gevraagd aan het CAK omdat Interpolis hem niet wilde afmelden. Hij vermoedt dat deze instantie Interpolis heeft bewogen om hem in augustus 2019 alsnog af te melden met terugwerkende kracht tot 1 mei 2019.

4.2.

Namens Interpolis is aangevoerd dat zij [gedaagde] niet direct hoefde af te melden omdat er nog een zorgkostennota van 14 januari 2019 van € 63,70 open bleek te staan in haar administratie. Deze zorgkostennota viel volgens Interpolis niet onder de vaststellingsovereenkomst omdat die alleen betrekking had op alle openstaande posten tot en met 2018. Volgens [gedaagde] viel de zorgkostennota wel onder de vaststellingsovereenkomst omdat de nota betrekking had op geleverde zorg in 2018.

4.3.

De kantonrechter geeft Interpolis gelijk dat de nota van 14 januari 2019 niet onder de vaststellingsovereenkomst viel. Die overeenkomst ziet namelijk alleen op openstaande posten tot en met 2018. En deze nota staat pas open vanaf een datum in 2019. Helaas heeft Interpolis de nota of een specificatie van de nota niet in het geding gebracht. Het is daarom niet duidelijk of de nota betrekking heeft op geleverde zorg in 2018 en daarom onder het eigen risico van 2018 valt. Maar dat is wel waarschijnlijk. Interpolis heeft namelijk wel een declaratie-overzicht van 8 april 2019 in het geding gebracht en die declaratie is genummerd [....] . Interpolis had dit beter aan [gedaagde] moeten uitleggen.

4.4.

De kantonrechter geeft Interpolis verder geen gelijk. Zij had [gedaagde] op grond van de vaststellingsovereenkomst onverwijld moeten afmelden bij het CAK. Partijen hebben bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet afgesproken dat de openstaande zorgkostennota van januari 2019 een reden zou kunnen zijn om die afmelding niet te doen. Dat ligt ook niet voor de hand gelet op het karakter van de aanmelding bij het CAK (een sanctie op het niet betalen van premie). Bovendien is tijdens deze procedure duidelijk geworden dat de nota van 14 januari 2019 in werkelijkheid geen € 63,70, maar slechts

€ 15,23 beliep. Dit bedrag is op zichzelf al zo gering dat Interpolis de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst vanwege deze nota in geen geval had mogen opschorten. Dat wordt niet anders doordat daarna in april 2019 nog een kleine nota voor zorgkosten opeisbaar is geworden. Bovendien had Interpolis [gedaagde] beter en zorgvuldiger moeten informeren over het tijdstip van afmelding met terugwerkende kracht en de consequenties daarvan. Dan was een hoop verwarring mogelijk voorkomen.

De vordering

4.5.

Interpolis vordert in deze procedure een bedrag van € 528,04 aan achterstallige premies en zorgkostennota’s tot en met juni 2021. Daarbij is reeds rekening gehouden met de incassokosten (ad. € 109,14) en de tot 7 juni 2021 verschuldigde rente (ad. € 15,14) en de door [gedaagde] verrichte betalingen (ad. € 266,50).

4.6.

Bij haar reactie op het verweer heeft Interpolis een financieel overzicht overgelegd. Uit dit overzicht blijkt dat over de periode januari 2016 tot en met juni 2021 een bedrag van € 412,14 openstaat aan premies, zorgkostennota’s en incassokosten.

4.7.

De kantonrechter overweegt dat uit het door Interpolis overgelegde financiële overzicht de betalingen van [gedaagde] die – conform de betalingsregelingen – aan LAVG zijn overgemaakt niet te herleiden zijn. Wel valt uit het overzicht op te maken dat [gedaagde] op 6 februari 2020 een bedrag van € 150,00 heeft betaald. Dit betreft hoogstwaarschijnlijk de door [gedaagde] in het kader van de vaststellingsovereenkomst teveel betaalde aflossing. Verder valt uit het overzicht op te maken dat [gedaagde] met ingang van 2019 alle premies en zorgkostennota’s heeft betaald. Maar Interpolis heeft deze betalingen deels afgeboekt op de openstaande posten tot en met december 2018.

4.8.

Aangezien de in het kader van de betalingsregeling verrichte betalingen niet uit het financiële overzicht zijn te herleiden, en ook een nadere toelichting daarover ontbreekt, oordeelt de kantonrechter dat Interpolis de door [gedaagde] vanaf januari 2019 verrichte betalingen op premie en nieuwe zorgkostennota’s had moeten afboeken. Interpolis heeft de betalingen dus ten onrechte afgeboekt op de tot en met december 2018 openstaande posten. Die posten vielen immers onder de vaststellingsovereenkomst en daarvoor waren de betalingen aan LAVG bedoeld.

4.9.

Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] nog een bedrag aan Interpolis verschuldigd is uit hoofde van premies en/of zorgkostennota’s, gaat de kantonrechter daarom uit van de vanaf januari 2019 verschuldigde premies en zorgkostennota’s en de vanaf januari 2019 door [gedaagde] verrichte betalingen. Aan de hand van het overgelegde financiële overzicht lijkt het erop dat [gedaagde] dan nog een bedrag van € 297,77 tegoed heeft. Omdat [gedaagde] dit saldo niet heeft gevorderd kan Interpolis niet worden veroordeeld dat aan hem te betalen.

4.10.

Het voorgaande betekent in ieder geval wel dat Interpolis niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van achterstallige premies of zorgkostennota’s. De kantonrechter wijst daarom de vordering van Interpolis af.

De ontbinding van de overeenkomst

4.11.

[gedaagde] heeft verzocht de tussen hem en Interpolis bestaande overeenkomst te ontbinden. Het verzoek is ingegeven vanuit de wens om over te stappen naar een andere zorgverzekeraar.

4.12.

De kantonrechter overweegt dat voor het ontbinden van een overeenkomst allereerst nodig is dat er sprake is van een tekortkoming. Daarnaast dient de schuldenaar in verzuim te verkeren. Van dat laatste is geen sprake. [gedaagde] heeft Interpolis niet schriftelijk in gebreke gesteld. Ter zitting is ook gesproken over de gevolgen van de ontbinding, die mogelijk zouden inhouden dat [gedaagde] via het CAK verzekerd wordt, waardoor een hogere maandelijkse premie verschuldigd is. Gelet hierop heeft [gedaagde] op dit moment ook geen belang bij zijn vordering tot ontbinding.

4.13.

Nu zoals hiervoor is overwogen Interpolis toerekenbaar tekort is geschoten in nakoming van de vaststellingskomst is de kantonrechter van oordeel dat Interpolis [gedaagde] in staat moet stellen per 1 januari 2022 over te stappen naar andere zorgverzekeraar. Dat kan anders worden als [gedaagde] na de datum van dit vonnis toch een nieuwe achterstand in de betalingen oploopt.

De (proces)kosten

4.14.

Interpolis krijgt grotendeels ongelijk en moet daarom worden veroordeeld in de proceskosten. [gedaagde] heeft verzocht om vergoeding van de uren die hij heeft moeten besteden om zijn onschuld aan te tonen. Deze kosten beraamd hij op € 320,00 (8 uren met een uurtarief van € 40,00).

4.15.

De kantonrechter overweegt dat uit artikel 238 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat de partij die zonder gemachtigde procedeert en waarvan de wederpartij in het ongelijk wordt gesteld, slechts een vergoeding toekomt voor noodzakelijke reis- en verblijfkosten en verletkosten. Deze kosten worden in deze zaak in conventie begroot op een half punt van het toepasselijke liquidatietarief. Dat is in dit geval een bedrag van € 62,00 (0,5 x tarief € 124,00). In reconventie worden de kosten begroot op nihil.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt Interpolis tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 62,00;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.4.

wijst de vordering af;

5.5.

verstaat dat Interpolis [gedaagde] bij ongewijzigde omstandigheden in staat moet stellen om per 1 januari 2022 over te stappen naar een andere zorgverzekeraar;

5.6.

veroordeelt Interpolis tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 30 juni 2021.