Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2828

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
522755 / HA RK 21-134
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. Wrakingsverzoek. Het aanmerken van de woonstichting als belanghebbende is een niet onbegrijpelijke procesbeslissing. Het betalen van griffierecht betekent niet dat andere partijen en belanghebbenden geen tijd wordt gegund om standpunten toe te lichten op zitting. Ook is niet gebleken dat verzoekster geen tijd heeft gekregen op de zitting om haar standpunten toe te lichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Locatie: Utrecht

Zaaknummer/rekestnummer: 522755 / HA RK 21-134

Schriftelijke uitwerking van de beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 22 juni 2021

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:

[verzoekster] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder te noemen: verzoekster.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    een e-mailbericht van verzoekster van 4 juni 2021 met daarin opgenomen het wrakingsverzoek gericht tegen mr. M. Eversteijn;

  • -

    een e-mailbericht van verzoekster van 4 juni 2021 met daarin een nadere toelichting op het wrakingsverzoek;

  • -

    de schriftelijke reactie van mr. M. Eversteijn van 7 juni 2021 met als bijlagen een aan verzoekster gerichte brief van 1 juni 2021 en de zittingsaantekeningen van de zitting van 3 juni 2021;

  • -

    een e-mailbericht van mr. H.J.J. Stellinga namens het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Almere van 10 juni 2021.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 22 juni 2021 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer). Bij de mondelinge behandeling is verzoekster verschenen.

1.3.

Op 22 juni 2021 heeft de wrakingskamer een mondelinge beslissing gegeven op het wrakingsverzoek van verzoekster. Het onderstaande vormt de in die beslissing toegezegde nadere schriftelijke uitwerking daarvan en is op 29 juni 2021 vastgesteld.

2 Het verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer

2.1.

Verzoekster heeft nadat de wrakingskamer een mondelinge beslissing had gegeven de wrakingskamer gewraakt. De wrakingskamer heeft dit wrakingsverzoek buiten behandeling gelaten. De beslissing van de wrakingskamer is een eindbeslissing, waarmee de behandeling van de zaak is geëindigd. Het wrakingsverzoek is gedaan nadat de wrakingskamer de mondelinge beslissing had genomen. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek is ingediend nadat einduitspraak is gedaan. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om wraking te verzoeken van een rechter nadat er einduitspraak is gedaan.

Dat de mondelinge beslissing van de wrakingskamer na de zitting nog schriftelijk vastgelegd wordt doet daaraan niet af, omdat de inhoud van de beslissing bij de mondelinge uitspraak al vastligt.

3 Het wrakingsverzoek

3.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. M. Eversteijn als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaak met het zaaknummer UTR 21/2012. In deze zaak is verzoekster de verzoekende partij in een voorlopige voorzieningsprocedure naar aanleiding van de sluiting van de woning van verzoekster. Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Almere is de verwerende partij. Stichting de Alliantie is als belanghebbende aangemerkt in deze zaak omdat zij een handhavingsverzoek heeft ingediend.

3.2.

Verzoekster heeft het volgende ten grondslag gelegd aan haar wrakingsverzoek:

“Ik wilde de sleutel terug van mijn huis om de bewijsstukken op te zoeken.

Ook heeft u zonder mij te verwittigen de alliantie in mijn zaak laten komen.

Ik heb betaald voor deze zaak tussen mij en de gemeente Almere.

Er is gebruik gemaakt van mijn tijd waardoor ik niet alles heb kunnen zeggen.

De uitspraak 4 of 7 juni zal zijn.

Dus ik wraak u!!”

Op de zitting heeft verzoekster nog naar voren gebracht dat zij ervan uit ging dat de zitting van 3 juni 2021 niet openbaar was en zij daarom werd overvallen door het feit dat de gemachtigde van De Alliantie toch aanwezig was.

3.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie stelt zij zich op het standpunt dat verzoekster wel degelijk op de hoogte is gesteld van het feit dat De Alliantie als derde belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting. Verzoekster heeft op 1 juni 2021 een e-mail van de griffier van de rechtbank ontvangen waarin dat haar is meegedeeld. Wat betreft de grond dat verzoekster griffierecht heeft betaald en dat De Alliantie daarom van haar tijd gebruik heeft gemaakt, heeft de rechter gezegd dat het klopt dat er op de zitting ook tijd is gebruikt om vragen te stellen aan De Alliantie. Het betalen van griffierecht in een zaak geeft geen recht om als enige partij te procederen tegen een verweerder. In het bestuursrecht is het mogelijk dat een derde belanghebbende zich voegt in de procedure. Wat betreft de grond van verzoekster dat zij niet alles heeft kunnen zeggen, heeft de rechter benoemd dat alle gronden van verzoekster op de zitting zijn besproken en dat zij aan het einde van de behandeling ter zitting aan alle betrokkenen heeft gevraagd of zij alles hebben kunnen bespreken. Alle betrokkenen hebben daar bevestigend op geantwoord.

4 De beoordeling

4.1.

Artikel 8:15 Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

4.2.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

4.3.

Persoonlijke vooringenomenheid bij de rechter tegenover verzoekster is niet gesteld of gebleken. Onderzocht moet daarom worden of uit het optreden van de rechter blijkt dat zij vooringenomen is of dat zij die schijn heeft gewekt. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dat niet het geval.

4.4.

De beslissing van de rechter om De Alliantie toe te laten als derde belanghebbende in de zaak die door verzoekster is aangebracht moet worden aangemerkt als een procedurele (tussen)beslissing. Een als negatief ervaren (tussen)beslissing is in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking van de rechter die deze beslissing heeft genomen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich daar als uitgangspunt tegen. Dit geldt ook voor de motivering van die (tussen)beslissing als grond voor wraking. Alleen als de motivering daarvan zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Daar is bij de beslissing van de rechter om De Alliantie aan te merken als derde belanghebbende geen sprake van. Op grond van de wet (de Awb) mag De Alliantie zich voegen als derde belanghebbende. Op 1 juni 2021 om 15.38 uur is aan verzoekster een e-mail (via Zivver) gestuurd met daarin de mededeling dat De Alliantie als derde belanghebbende is uitgenodigd voor de zitting van 3 juni 2021. De wrakingskamer maakt hieruit op dat verzoekster op de hoogte is gebracht van de aanwezigheid van De Alliantie. Dat verzoekster zegt dat zij dit bericht niet heeft ontvangen, maakt dit niet anders. Verzoekster heeft ook nog aangevoerd dat zij meende dat de zitting niet openbaar was en dat De Alliantie daarom ook niet thuishoorde op de zitting. Hieraan gaat de wrakingskamer voorbij. Bestuursrechtzaken zijn standaard openbaar, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om de zaak achter gesloten deuren te behandelen. Daarvan is hier geen sprake geweest. Vanwege de maatregelen in verband met de coronacrisis is het momenteel wel de gewoonte dat bezoekers zich dienen aan te melden voor een zitting. Dit betekent niet dat de zitting niet openbaar is.

4.5.

Wat betreft de grond dat verzoekster niet alles heeft kunnen zeggen terwijl zij griffierecht heeft betaald en dat De Alliantie haar tijd heeft gebruikt op de zitting oordeelt de wrakingskamer als volgt. Uit de zittingsaantekeningen blijkt dat verzoekster ruimschoots aan het woord is geweest. Aan het einde van de behandeling op de zitting heeft de rechter aan alle betrokkenen gevraagd of iedereen alles heeft kunnen zeggen. Ook verzoekster heeft daarop bevestigend geantwoord. Dat verzoekster griffierecht heeft betaald voor haar zaak betekent niet dat andere betrokkenen in een procedure geen tijd krijgen om hun standpunten toe te lichten op een zitting. Deze grond levert daarom eveneens geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert, althans dat bij verzoekster bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

4.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

5 De beslissing

De wrakingskamer:

5.1.

stelt het wrakingsverzoek van verzoekster gericht tegen de leden van de wrakingskamer buiten behandeling;

5.2.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

5.3.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de rechter tegen wie het verzoek tot wraking is gericht, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team bestuursrecht, waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;

5.4.

bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer UTR 21/2012 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. J.G. Nicholson en mr. C.S.K. Fung Fen Chung als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2021.

de griffier wegens afwezigheid van de voorzitter

wordt deze beslissing getekend door

de jongste rechter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.