Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2804

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
16.118627.19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor – kort gezegd – seksueel binnendringen van het lichaam van zijn eigen kind (1,5 tot 9 jaar), en ontucht plegen met een minderjarig kind (0,5 tot 3 jaar). Verdachte heeft zichzelf gemeld. Het bewezenverklaarde kan verminderd aan verdachte worden toegerekend. De rechtbank legt een hogere straf op dan geëist, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 16.118627.19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1978] te [geboorteplaats] (Ecuador),

wonende aan de [adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 februari 2021 en 16 juni 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M. Kamper en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.N. de Bruijn, advocaat te Almere naar voren hebben gebracht. Tevens is kennisgenomen van hetgeen mr. M. Pals, advocaat te Arnhem namens de moeder van de slachtoffers, [getuige] , naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair:

in de periode van 1 april 2010 tot en met 1 december 2017 in Dronten en/of Zutphen met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] die nog geen 12 jaar oud was, seksuele handelingen heeft verricht mede bestaand uit het seksueel binnendringen van het lichaam van zijn kind;

subsidiair:

A. in de periode van 1 april 2010 tot en met 1 december 2017 in Dronten en/of Zutphen geprobeerd heeft bij zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] die nog geen 12 jaar oud was seksueel binnen te dringen;

B. in de periode van 1 april 2010 tot en met 1 december 2017 in Dronten en/of Zutphen ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] ;

feit 2:

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 april 2010 in Dronten ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 2] .

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte heeft beide feiten bekend. Voor feit 2 heeft de officier van justitie gebruik gemaakt van schakelbewijs, omdat het om dezelfde soort handelingen gaat als bij feit 1.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 en vrijspraak bepleit van het onder 2 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is voor een veroordeling van feit 2. Verdachte is de enige die over dit feit heeft verklaard. De verklaring van [slachtoffer 1] dat zij zelf is misbruikt is onvoldoende om als schakelbewijs te gebruiken. [slachtoffer 2] heeft volgens zijn moeder stellig ontkend en is zelf niet gehoord.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Feit 1

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 1 primair ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 juni 2021;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 1] in een kindvriendelijke studio van 17 oktober 2018, genummerd 20181004.1420.10475, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 48 tot en met 60.

Feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting op 16 juni 2021 verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb [slachtoffer 2] misbruikt tot het moment dat hij en [slachtoffer 1] uit huis zijn geplaatst. Het is begonnen in de periode dat wij op de [naam] in [woonplaats] woonden. Ik ben op bed achter hem gaan liggen en ik heb met mijn penis tegen zijn rug en billen bewogen. Dit gebeurde wekelijks en maandelijks.

Bij de politie heeft verdachte op 25 april 2019 voorts nog verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik heb gewreven tegen de kont van [slachtoffer 2] , zonder penetratie, op een leeftijd van ongeveer een half jaar totdat hij drie jaar was. Ik weet niet hoe vaak het is gebeurd, 10 à 15 keer. Het stopte doordat ze uit huis werden geplaatst.2

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben op 12 juni 2018 een proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden met [getuige] opgemaakt en daarin gerelateerd, zakelijk weergegeven:

Meldster vertelde dat zij drie kinderen heeft met [verdachte] . De oudste heet [slachtoffer 2] en is geboren op [2006] . Ze hebben op de camping in [woonplaats] gewoond van 2006 tot 2008. Daarna zijn ze naar de [adres] in [woonplaats] verhuisd, daar hebben zij gewoond van 2008-2017. De kinderen zijn vrijwillig uit huis geplaatst. Dit speelde op 29 maart 2010. Verdachte zorgde voor [slachtoffer 2] toen hij net geboren was. Zij zat toen nog halve dagen op school.3

Bewijsoverweging feit 2

De rechtbank stelt voorop dat verdachte het feit zoals onder 2 ten laste is gelegd, volledig heeft bekend. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van verdachte te twijfelen. Verdachte heeft zichzelf gemeld bij de politie en heeft volledig uit eigen beweging een verklaring afgelegd, waarin hij – kort gezegd – het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] én het seksueel misbruik van [slachtoffer 2] heeft bekend. De rechtbank neemt die verklaring bij de beoordeling van dit feit dan ook tot uitgangspunt.

Verdachte heeft verklaard dat het misbruik van [slachtoffer 2] heeft plaatsgevonden in de stacaravan op de [naam] in [woonplaats] . Dit gebeurde in de slaapkamer van hem en mevrouw [getuige] , de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , vanaf het moment dat [slachtoffer 2] ongeveer een half jaar oud was totdat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit huis werden geplaatst. Volgens verdachte was [slachtoffer 2] toen ongeveer drie jaar oud. Verdachte heeft verklaard dat het seksueel misbruik plaatsvond op de momenten dat mevrouw [getuige] naar school was. Deze verklaring vindt steun in wat mevrouw [getuige] heeft verklaard tijdens het informatieve gesprek met de politie. Zij heeft verklaard dat zij en verdachte van 2006 tot 2008 op de camping in [woonplaats] hebben gewoond en dat [slachtoffer 2] daar ook is geboren, namelijk op [2006] . Zij heeft verder verklaard dat, toen zij nog op de camping woonden, verdachte voor [slachtoffer 2] zorgde en dat zij halve dagen op school zat. Zij heeft verder verklaard dat de kinderen op 29 maart 2010 vrijwillig uit huis zijn geplaatst. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] toen drie jaar oud was, wat overeen komt met wat verdachte heeft verklaard.

Verdachte heeft verklaard dat het seksueel misbruik van [slachtoffer 2] eruit bestond dat hij met zijn penis tegen de billen van [slachtoffer 2] aanwreef en dat hij dan uiteindelijk klaar kwam tegen de rug van [slachtoffer 2] . De eerste keer dat hij [slachtoffer 1] seksueel misbruikte, heeft hij met zijn geslachtsdeel tegen haar geslachtsdeel aangewreven totdat hij uiteindelijk klaar kwam op haar buik. De eerste keer gebeurde dat in de badkamer en daarna in de slaapkamer van [slachtoffer 1] . De rechtbank overweegt dat de seksuele handelingen die verdachte in het begin bij [slachtoffer 1] heeft verricht en waarover [slachtoffer 1] heeft verklaard dat dit zo is gegaan, dezelfde soort seksuele handelingen zijn als die verdachte bij [slachtoffer 2] heeft verricht.

Gelet op wat hiervoor is overwogen vindt de verklaring van verdachte, anders dan door de verdediging is bepleit, naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in andere bewijsmiddelen in het dossier.

De rechtbank heeft gezien de gedetailleerde bekentenis van verdachte, afgelegd uit eigen beweging, ook de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De rechtbank wordt in deze overtuiging gesterkt doordat verdachte zijn bekentenis op zitting heeft herhaald en hij op de vraag wat hij zou vinden als het onder 2 tenlastegelegde tot een vrijspraak zou leiden heeft geantwoord dat de kinderen hiermee tekort zouden worden gedaan.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1 primair

in de periode van 1 april 2010 tot en met 1 december 2017 te Dronten en Zutphen met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [2008] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , door

- meermalen zijn, verdachtes, penis in de vagina en de anus van die [slachtoffer 1] te brengen en

- éénmaal, zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen en

- meermalen (met) zijn, verdachtes, penis tegen de rug en het geslachtsdeel en de billen en de benen van die [slachtoffer 1] te drukken en wrijven en

- meermalen klaar te komen op het lichaam van die [slachtoffer 1] en

- meermalen, althans éénmaal, te zoenen en/of likken op/aan de/het dijbe(e)n(en) en/of het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] en

- meermalen zijn penis te laten betasten en aftrekken door die [slachtoffer 1] ;

2

in de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 april 2010 te Dronten ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 2] , geboren op [2006] , door meermalen met zijn, verdachtes, penis tegen de billen van die [slachtoffer 2] te drukken en te wrijven.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1 primair:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind;

feit 2:

ontucht plegen met zijn minderjarig kind.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Over verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:

  • -

    een rapport van 15 februari 2021, opgemaakt door M.A. Westerborg, forensisch psychiater;

  • -

    een rapport van 4 februari 2021, opgemaakt door H.B. Bolding, GZ-psycholoog;

  • -

    een rapport van 22 januari 2021, opgemaakt door F. Jonker, klinisch neuropsycholoog.

Uit voornoemde rapporten volgt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht.

De rechtbank is gelet op de conclusies van de deskundigen van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde verminderd aan verdachte kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan een gedeelte van 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, behandeling bij ForFACT, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een locatieverbod voor de gemeentes Eefde, Zutphen en Brummen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd.

Door de psycholoog en psychiater is geadviseerd om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Door de deskundigen is aangegeven dat ambulante behandeling, woonbegeleiding en begeleiding bij dagbesteding essentieel is. De huidige woonbegeleiding bij Kwintes en de ambulante behandeling bij ForFACT verlopen goed. Een gevangenisstraf zal veel positieve ontwikkelingen die hij in anderhalf jaar behandeling heeft opgebouwd, doorkruizen. Hij zal zijn woning kwijtraken en zijn plek op de wachtlijst voor een zelfstandige woning. De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte een gevangenisstraf van maximaal 6 maanden, een maximale taakstraf en een lange voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van zijn kinderen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . In het geval van [slachtoffer 2] begon het misbruik toen hij slechts een half jaar oud was en heeft dit geduurd tot zijn derde. In het geval van [slachtoffer 1] begon het misbruik toen zij ongeveer anderhalf jaar oud was en heeft dit geduurd tot haar negende. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] waren dus nog zeer jong toen het seksueel misbruik begon en bij beiden heeft het seksueel misbruik gedurende een lange periode plaatsgevonden. Daarbij is bij [slachtoffer 1] ook sprake geweest van penetratie, dan wel pogingen daartoe.

Verdachte heeft in het geheel geen rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en uitsluitend gehandeld ter bevrediging van zijn eigen (lust)gevoelens. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] . Het vertrouwen dat zij in hun vader hadden moeten kunnen stellen, heeft verdachte in zeer ernstige mate beschaamd. Daarnaast heeft verdachte hen gedurende een lange periode een zeer onveilige thuissituatie bezorgd. Het misbruik vond plaats in het eigen huis en zelfs in de eigen slaapkamer van [slachtoffer 1] , vaak in aanwezigheid van [slachtoffer 2] , die daar ook sliep. Dat zijn bij uitstek plekken waar een kind veiligheid en geborgenheid mag verwachten. Bovendien heeft hij [slachtoffer 1] daarbij ook nog eens in een enorm lastige positie gebracht door tegen haar te zeggen dat zij niets tegen haar moeder moest vertellen, omdat verdachte anders in de gevangenis zou komen.

Het is algemeen bekend dat slachtoffers van seksueel misbruik daarvan gedurende langere tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Het behoeft geen betoog dat ook [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ernstig zijn beschadigd door het handelen van de verdachte. Het misbruik begon steeds op zeer jonge leeftijd en verdachte heeft met zijn handelen een normale en gezonde seksuele ontwikkeling van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verstoord.

Dat het handelen van verdachte een zeer grote impact heeft gehad en dat op dit moment met name [slachtoffer 1] de nadelige gevolgen van het misbruik nog altijd ondervindt, blijkt ook uit de toelichting op het verzoek tot schadevergoeding en uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Bij [slachtoffer 1] is chronische PTSS geconstateerd en daarnaast heeft zij last van lichamelijke klachten. Zij krijgt traumabehandeling middels speltherapie, gesprekken en EMDR, maar volgens de behandelend psycholoog is de verwachting dat [slachtoffer 1] vaker in haar leven aangewezen zal zijn op psychologische hulp om zich volwaardig te kunnen ontwikkelen. [slachtoffer 2] heeft op dit moment geen bewuste herinneringen aan het seksueel misbruik, maar staat wel onder behandeling van een kinderpsycholoog vanwege de gevolgen van de door hem ervaren intimidatie door verdachte.

Al met al heeft verdachte met zijn handelen aan zijn kinderen zeer grote schade berokkend.

De persoon van de verdachte

Wat betreft de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de hierboven genoemde opgemaakte Pro Justitia-rapportages, het rapport van de klinisch neuropsycholoog en het rapport van Reclassering Nederland van 15 februari 2021.

Uit de rapportages van de psychiater en de psycholoog blijkt – samengevat – het volgende.

Bij verdachte is sprake van een psychische stoornis in de vorm van een autisme spectrum stoornis, een ongespecificeerde neurocognitieve stoornis, een pedofiele stoornis, een psychotische stoornis (volgens de psycholoog in de voorgeschiedenis en volgens de psychiater in gedeeltelijke remissie) en van een parafiele stoornis (volgens de psychiater ongespecificeerd en in volledige remissie).

Zowel de psycholoog als de psychiater geven aan dat de psychische stoornissen de gedragskeuzes en de gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloedden en dat de feiten in verminderde mate aan verdachte moeten worden toegerekend. Beiden geven aan dat het verdachte niet lukt om zich in te leven in het perspectief van de slachtoffers, dat sprake is van een gebrek aan empathie, waardoor verdachte beperkt wordt in zijn wils- en gedragskeuzes. Volgens de psychiater moet rekening worden gehouden met de psychotische decompensatie in 2018, waarbij sprake was van heftige spanningen en cognitieve beperkingen. Het is volgens de psychiater aannemelijk dat verdachte ook tijdens zijn seksuele handelingen psychisch ernstiger verward was dan wordt aangenomen.

Het recidiverisico wordt door de psycholoog en de psychiater ingeschat op laag-matig, waarbij door de psychiater wordt aangegeven dat hij het recidiverisico bij een adequate behandeling inschat op laag.

Zowel de psycholoog als de psychiater adviseren om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, waarbij als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat verdachte zich ambulant laat behandelen bij een forensische polikliniek / door een FACT-team en dat hij begeleid blijft wonen bij een instelling voor begeleid en beschermd wonen. Daarbij zal in de begeleiding goed moeten worden ingestoken op een adequaat dagritme en dagbesteding. Volgens de psycholoog zal verdachte levenslang een gestructureerde en voorspelbare verblijfssetting nodig hebben.

Ook de klinisch neuropsycholoog geeft aan dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en adviseert om het ten laste gelegde (indien bewezen) in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. Volgens de klinisch neuropsycholoog is het van groot belang dat verdachte in een continue zorgomgeving zit waar structuur, regelmaat en voorspelbaarheid worden geboden wat de kans op recidive aanzienlijk zal verkleinen.

De rechtbank neemt de conclusies uit de rapporten over en dat betekent dat de rechtbank de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toerekent. Daar zal de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening mee houden.

Uit het rapport van de reclassering blijkt dat ook zij het risico op recidive inschatten als laag. Ondanks die inschatting, ziet de reclassering een dusdanige kwetsbaarheid bij verdachte, dat een reclasseringstoezicht nodig wordt geacht. De inschatting van de reclassering is dat verdachte, vanwege zeer beperkte draagkracht en zeer beperkt oplossend vermogen, langdurig zorg nodig zal hebben. Ook de reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling (met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname), begeleid wonen of maatschappelijke opvang en een locatieverbod (met politietoezicht).

De straf

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden. Verdachte is op

25 april 2019 gehoord door de politie en daaraan kon hij in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Op dat moment heeft de redelijke termijn dan ook een aanvang genomen. De inhoudelijke behandeling van deze strafzaak stond aanvankelijk gepland op 17 februari 2021. Als de zaak toen inhoudelijk zou zijn behandeld, dan zou in deze zaak uitspraak zijn gedaan binnen de redelijke termijn. De zaak is toen echter, op verzoek van de verdediging, aangehouden, omdat de hiervoor genoemde rapportages pas kort vóór deze zitting beschikbaar waren en verdachte daardoor onvoldoende in de gelegenheid was geweest om de rapporten te bespreken met zijn raadsvrouw en zijn mentor. De vertraging die met de aanhouding van de zaak gemoeid is geweest, zal de rechtbank dan ook niet toerekenen aan de verdediging. Dat betekent dat op het moment van deze uitspraak, sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden.

Gelet op de beperkte mate van overschrijding zal de rechtbank het houden bij de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden en zal zij daar geen nader rechtsgevolg aan verbinden.

Wel zal de rechtbank enigszins in het voordeel van de verdachte rekening houden met zijn proceshouding. Verdachte heeft zichzelf gemeld bij de politie en heeft daar uit eigen beweging een volledig bekennende verklaring afgelegd. Hij heeft daarmee verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Op de zitting heeft hij ook verklaard dat hij vindt dat hij een straf verdient voor wat hij heeft gedaan, zelfs als dat betekent dat aan hem een gevangenisstraf wordt opgelegd.

Hoewel de rechtbank tot een zelfde bewezenverklaring komt als de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat een hogere straf moet worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd. De ernst van de feiten en met name ook de lange periode waarover het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden en de gevolgen daarvan zoals hiervoor uiteen gezet, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan geëist. Daarmee wil de rechtbank ook een duidelijk signaal afgeven aan verdachte, aan de slachtoffers en hun familie, maar ook richting de maatschappij, dat op dit seksueel misbruik dat verdachte heeft gepleegd en het leed dat hij daarmee aan zijn eigen kinderen heeft toegebracht, niet anders kan worden gereageerd dan met oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Hoewel de reclassering heeft aangegeven dat de leefsituatie van verdachte ernstig zal ontregelen op het moment dat hij gedetineerd raakt, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna te melden duur de enige passende strafrechtelijke reactie is. Bovendien merkt de rechtbank op dat de reclassering tevens aangeeft dat vanuit de huidige woonvoorziening Kwintes de toezegging kan worden gedaan dat na detentie gekeken zal worden of verdachte weer bij hen terecht kan.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Enerzijds om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Anderzijds om de behandeling en begeleiding van de verdachte, die volgens alle deskundigen noodzakelijk is, in de vorm van bijzondere voorwaarden bij die voorwaardelijke straf mogelijk te maken. Dit kan tevens bijdragen aan het voorkomen van recidive.

Al met al is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden is. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, dient daarop in mindering te worden gebracht. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank de algemene voorwaarden verbinden en daarnaast de bijzondere voorwaarden, zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , vertegenwoordigd door mr. M. Pals, advocaat te Arnhem, hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vorderen een bedrag van respectievelijk € 30.000,- en € 5.000,- aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder respectievelijk 1 en 2 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw primair gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op de door haar bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft zij eveneens de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit omdat de immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.

[slachtoffer 2] kan zich van de feiten niets herinneren en er is niet gebleken dat er sprake is van psychische schade.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 1]

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze immateriële schade op € 30.000,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 april 2010 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 30.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 april 2010 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 185 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

[slachtoffer 2]

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel geweld vaak langdurige en ernstige schade aan de geestelijke gezondheid en seksuele ontwikkeling oplopen. Het misbruik van [slachtoffer 2] is begonnen toen hij ongeveer een half jaar oud was en gestopt toen hij drie was. Onder die omstandigheden is het voorstelbaar dat [slachtoffer 2] aan het misbruik geen actieve herinneringen heeft. Naar het oordeel van de rechtbank, staat dat aan toewijzing van de vordering echter niet in de weg, omdat het misbruik aan het licht is gekomen nadat verdachte hierover zelf uitvoerig tegenover de politie en tijdens de openbare terechtzitting heeft verklaard en uit de toelichting op zijn vordering blijkt, dat [slachtoffer 2] inmiddels bekend is met wat hem door zijn vader op zeer jonge leeftijd is aangedaan. Dat [slachtoffer 2] als gevolg daarvan immateriële schade heeft geleden is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en onvoldoende gemotiveerd betwist.

De rechtbank waardeert deze immateriële schade op € 5.000,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 mei 2020 tot de dag van volledige betaling. De ingangsdatum van de wettelijke rente wordt gesteld op de datum van het indienen van de vordering.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 25 mei 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244, 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd:

* zich niet zal bevinden binnen de grenzen van de gemeenten Eefde, Zutphen en Brummen, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod noodzakelijk acht. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod;

* zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland (Middendreef 293 te Lelystad) zal melden en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zolang en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht;

* zich onder behandeling zal stellen van ForFACT of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien noodzakelijk kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor crisisbehandeling, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

* zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten Kwintes, of een soortgelijke instelling te bepalen door de reclassering, waarbij verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die in het kader van het verblijf aan verdachte zullen worden gegeven en aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij

[slachtoffer 1]

- wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 30.000,-;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2010 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 30.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2010 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 185 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

[slachtoffer 2]

- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 5.000,-;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2020 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 5.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 60 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van Esch, voorzitter, mrs. H.J. Bos en M.C. Danel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 1 december 2017 te Dronten en/of Zutphen met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [2008] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens)

een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , door

- meermalen, althans éénmaal, zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond en/of de anus van die [slachtoffer 1] te brengen en/of

- meermalen, althans éénmaal, zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] te brengen en/of

- meermalen, althans éénmaal, (met) zijn, verdachtes, penis tegen de rug en/of het

geslachtsdeel en/of de billen en/of de/het be(e)n(en) van die [slachtoffer 1] te drukken en/of wrijven en/of

- meermalen, althans éénmaal, klaar te komen op de buik, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- meermalen, althans éénmaal, te zoenen en/of likken op/aan de/het dijbe(e)n(en) en/of het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] en/of

- meermalen, althans éénmaal, zijn penis te laten betasten en/of aftrekken door die [slachtoffer 1] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

A.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 1 december 2017 te Dronten en/of Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [2008] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (telkens) een of meer handeling(en) te plegen, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

- meermalen, althans éénmaal, (met) zijn penis tegen de vagina en/of de anus van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en/geduwd en/of gewreven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

B.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met 1 december 2017 te Dronten en/of Zutphen (telkens) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [2008] , door

- meermalen, althans éénmaal, (met) zijn, verdachtes, penis tegen de rug en/of het geslachtsdeel en/of de billen en/of de/het be(e)n(en) van die [slachtoffer 1] te drukken en/of wrijven en/of

- meermalen, althans éénmaal, klaar te komen op de buik, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

- meermalen, althans éénmaal, te zoenen en/of likken op/aan de/het dijbe(e)n(en) en/of het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] en/of

- meermalen, althans éénmaal, zijn penis te laten betasten en/of aftrekken door die [slachtoffer 1] ;

2

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 1 april 2010 te Dronten ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 2] , geboren op [2006] , door

- meermalen, althans éénmaal, met zijn, verdachtes, penis tegen de billen van die [slachtoffer 2] te drukken en/of te wrijven.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 26 april 2019, genummerd 2018077099, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 61. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 36.

3 Pagina’s 5 en 6.