Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2768

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
C/16/520765 / KL ZA 21-98
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering in kort geding tot vrijgave van e-mails en Whatsappberichten na leggen van bewijsbeslag afgewezen.

Bestaan vaststellingsovereenkomst die tot de vrijgave verplicht niet aannemelijk, ondanks verwijzing naar afspraak tussen partijen in proces-verbaal van gerechtshof.

Voorts belang als bedoeld in artikel 843a, eerste lid, Rv onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Lelystad

zaaknummer / rolnummer: C/16/520765 / KL ZA 21-98

Vonnis in kort geding van 17 juni 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. G.P. Poiesz te Heemskerk,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats 1] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 4] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

5. [gedaagde sub 5],

wonende te [woonplaats 1] ,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 6] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

7. [gedaagde sub 7],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. L.C.L. Bults te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 mei 2021, met producties 1 t/m 11

  • -

    de producties 1 t/m 8 van [gedaagde sub 1] c.s.

  • -

    de mondelinge behandeling van 3 juni 2021

  • -

    de pleitnotities van [eiseres]

  • -

    de pleitnota (aangeduid als conclusie van antwoord) van [gedaagde sub 1] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen [eiseres] , als eiseres/appellante, en [gedaagde sub 1] c.s., als gedaagden/geïntimeerden, loopt een juridische procedure. In eerste aanleg heeft [eiseres] de betaling van (primair) een bedrag van € 158.612,00 gevorderd van [gedaagde sub 1] c.s. De vordering is door deze rechtbank grotendeels afgewezen (bij vonnis van 18 juli 2018) en [eiseres] is in hoger beroep gegaan. Op 12 februari 2021 heeft bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna ook te noemen: het gerechtshof) een mondelinge behandeling plaatsgevonden en op 30 maart 2021 is arrest gewezen.

2.2.

In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 februari 2021 in de hiervoor genoemde procedure bij het gerechtshof, staat, onder meer, het volgende:

“De voorzitter constateert dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de vrij te geven stukken die nu onder bewijsbeslag liggen en dat daarom geen afgifte van stukken meer wordt gevraagd. Wel verzoekt [eiseres] in de gelegenheid te worden gesteld om op de nog af te geven stukken te reageren als niet alsnog een schikking wordt bereikt.”

2.3.

Op 15 februari 2021 heeft de advocaat van [eiseres] een e-mail aan de advocaat van [gedaagde sub 1] c.s. gestuurd, waarin onder meer het volgende staat:

“Daarop vooruitlopend verzoek ik u - als ik het goed begrepen heb, is daarover overeenstemming bereikt – om de deurwaarder de opdracht te geven om aan cliënte inzage te geven in al die berichten die tussen (en/of over) [eiseres] , en/of [A (voornaam)] en uw cliënten via e-mail, via SMS-bericht en Whatsapp zijn gewisseld.”

2.4.

Met een e-mail van 15 februari 2021 heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] c.s. het volgende geschreven aan de advocaat van [eiseres] :

“[…]

U heeft vrijdag op de zitting niet goed begrepen wat is afgesproken: u hebt het Paleis van Justitie zonder vaststellingsovereenkomst verlaten, dus er is niets afgesproken. Ik heb immers om vonnis gevraagd, […]”

2.5.

De advocaat van [eiseres] heeft in een fax van 23 februari 2021, onder meer, het volgende geschreven aan het gerechtshof:

“Feit is dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en geïntimeerde geen enkele toestemming hebben gegeven tot inzage. Appellante had de indruk dat ter zitting van 12 februari 2021 over de inzage sluitende afspraken zijn gemaakt. De wederpartij(en) is (zijn) thans van mening nu partijen het Paleis van Justitie zonder vaststellingsovereenkomst hebben verlaten er geen overeenstemming is bereikt en zij dus ook niet gehouden is (zijn) de ter zitting gemaakte afspraken na te komen.”

2.6.

Met een fax van 10 maart 2021 heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] c.s., in reactie op het ontvangen van het voornoemde proces-verbaal, het volgende geschreven aan het gerechtshof:

“[…]

Dat is een volstrekt onjuiste weergave van wat, na de schorsing, ter comparitie is besproken […]

Na de schorsing bleek echter dat [eiseres] de door haar gewenste […] ook alsnog in het geding wilde brengen […], hetgeen een flagrante schending van de twee conclusieregel en een kostenverhogende verlenging van dit hoger beroep zal meebrengen. Namens [gedaagde sub 1] c.s. is toen duidelijk aangegeven dat zij niet instemt met het vrijwillig verstrekken van stukken en is om vonnis gevraagd, […]

Ik verzoek u daarom de hiervoor op blad 7 van het proces-verbaal geciteerde tekst te vervangen door de volgende tekst:

“De voorzitter constateert dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de in incident gevorderde stukken die nu onder bewijsbeslag liggen. [...]”

2.7.

Bij arrest van 30 maart 2021 heeft het gerechtshof, onder meer, het volgende overwogen:

“[…] Ter zitting is daarover overeenstemming bereikt. Die komt erop neer dat alle e-mails van en aan [A] en whatsapp-berichten van hem en aan hem over de periode 1 oktober 2014 – 1 juli 2017 zullen worden vrijgegeven.

3.2

[eiseres] heeft het hof desalniettemin verzocht de vordering wel toe te wijzen ten aanzien van de berichten waarover overeenstemming is bereikt, of [gedaagde sub 1] c.s. op grond van artikel 22 ambtshalve te bevelen ‘deze voor het geschil relevante stukken over te leggen en [ [eiseres] ] in staat te stellen deze stukken te mogen inbrengen en overleggen, alvorens inhoudelijk arrest wordt gewezen’.

3.3

Voor zover [eiseres] bedoelt de op artikel 843a Rv gebaseerde vordering tot afgifte te handhaven, zal het hof die afwijzen. [gedaagde sub 1] c.s. zijn immers gehouden de ter zitting gemaakte afspraken na te komen. Het belang bij de vordering tot afgifte van correspondentie is daarmee komen te vervallen. Het verzoek zou bovendien niet toewijsbaar zijn, omdat het strijdig is met een goede procesorde (zie hierna onder 3.4; de daar gegeven redenering gaat hier ook op.

3.4

Voor zover [eiseres] bedoelt dat het hof deze correspondentie nog in zijn oordeel zal moeten betrekken, wijst het hof het verzoek af. Van meet af aan heeft [eiseres] , die tot het tussenarrest nog werd vertegenwoordigd door [A] zelf, de gelegenheid gehad correspondentie in het geding te brengen die van [A] afkomstig is of die hij heeft ontvangen, en zich daarop te beroepen.

Dat is tot aan de zitting bij het hof niet gebeurd, en [eiseres] heeft tot dat moment ook op geen enkele manier gesteld of zelfs maar gesuggereerd dat zij geen toegang had tot die documentatie. Het verzoek om die nu nog in het geding te brengen, is dan ook in strijd met een goede procesorde.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – samengevat – dat [gedaagde sub 1] c.s. zal worden veroordeeld tot vrijgave van alle e-mails van- en aan [A] en WhatsApp berichten van hem en aan hem over de periode 1 oktober 2014 tot 1 juni 2017, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00, indien niet binnen 24 uur na de betekening van dit vonnis door [gedaagde sub 1] c.s. de opdracht daartoe aan de deurwaarder is verstrekt, met een veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover.

3.2.

Aan haar vordering heeft [eiseres] het navolgende ten grondslag gelegd. [eiseres] was de vennootschap van [A] (hierna ook te noemen: [A] ), die op [overlijdensdatum] 2020 is overleden. [eiseres] wordt thans vertegenwoordigd door de broer van [A] . [eiseres] is, samen met alle gedaagden in gelijke delen, aandeelhouder van [gedaagde sub 1] c.s. en op grond van een managementovereenkomst heeft [eiseres] (in de persoon van [A] ) werkzaamheden verricht voor [gedaagde sub 1] c.s. Tussen [eiseres] ( [A] ) en [gedaagde sub 1] c.s. is een geschil ontstaan met betrekking tot de beëindiging van de managementovereenkomst en de uitbetaling van een managementvergoeding en [eiseres] is een gerechtelijke procedure begonnen tegen [gedaagde sub 1] c.s. Na het (grotendeels) afwijzen van de vordering door de rechtbank, heeft [eiseres] hoger beroep tegen die beslissing ingesteld. In hoger beroep heeft [eiseres] na het nemen van haar memorie van eis een akte wijziging van eis ingediend, waarbij naast de oorspronkelijke vordering ook een bevel tot afgifte in kopie van (elektronische) documenten wordt gevorderd die in januari 2021 onder bewijsbeslag zijn komen te liggen. De in beslag genomen bescheiden zijn in bewaring gegeven en [eiseres] heeft daarom haar eis gewijzigd en in de zin van het bepaalde in artikel 843a Rv inzage in- en afgifte van de in beslag genomen bescheiden gevorderd. Vervolgens hebben partijen ten tijde van de mondelinge behandeling op 12 februari 2021 overeenstemming bereikt, in die zin dat alle e-mails van- en naar [A] en WhatsApp-berichten van hem en aan hem over de periode tussen 1 oktober 2014 tot 1 juli 2017 door [gedaagde sub 1] c.s. zullen worden vrijgegeven. Op 15 februari 2021 heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] c.s., na het verzoek van [eiseres] tot inzage, ontkend dat er afspraken zijn gemaakt. [gedaagde sub 1] c.s. weigert de verzochte bescheiden af te geven.

In het arrest van 30 maart 2021 heeft het gerechtshof bevestigd dat de afspraak is gemaakt en dat [gedaagde sub 1] c.s. aldus gehouden is tot afgifte.

[eiseres] heeft gesteld dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering, aangezien zij de betreffende stukken nodig heeft voor de beoordeling van cassatie. De cassatietermijn verloopt op 30 juni 2021 en om die reden is deze zaak naar zijn aard spoedeisend.

3.3.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer. Tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling van 12 februari 2021 – in de procedure tussen partijen bij het gerechtshof – heeft [gedaagde sub 1] c.s. aanvankelijk laten weten dat zij wel wilde meewerken aan het vrijgeven van de bescheiden waarin [eiseres] inzage wenst. [gedaagde sub 1] c.s. zag uiteindelijk echter af van vrijwillige medewerking, omdat [eiseres] aankondigde dat zij voornemens was om [gedaagde sub 1] c.s. met verdere nodeloze procedures (en kosten) te bestoken, indien [gedaagde sub 1] c.s. niet bereid was een fors geldbedrag te betalen. [gedaagde sub 1] c.s. weigerde om mee te gaan in deze ongeoorloofde vorm van chantage. Er is vervolgens gevraagd om arrest te wijzen, maar later bleek dat het standpunt van [gedaagde sub 1] c.s. niet op de juiste wijze in het proces-verbaal was weergegeven. [gedaagde sub 1] c.s. heeft dit aan het gerechtshof kenbaar gemaakt. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is het [eiseres] zelf die haar verplichtingen niet nakomt, door te weigeren de proceskosten te betalen, waartoe zij door het gerechtshof is veroordeeld. In de correspondentie tussen partijen heeft [gedaagde sub 1] c.s. bij herhaling aangegeven alsnog inzage te willen geven, op de voorwaarde dat [eiseres] de proceskosten betaalt, maar [eiseres] gaat hier niet op in, zonder daarvoor enige verklaring te geven. [gedaagde sub 1] c.s. is dan ook van mening dat [eiseres] geen (spoedeisend) belang bij haar vorderingen heeft. Subsidiair, voor het geval geoordeeld zou worden dat op [gedaagde sub 1] c.s. wel een verplichting rust om na te komen, heeft zij, onder meer, een beroep gedaan op opschorting. Voorts heeft [gedaagde sub 1] c.s. erop gewezen dat de vordering van [eiseres] niet toewijsbaar is op de wijze zoals deze is geformuleerd, nu de deurwaarder, die de betreffende bescheiden in bewaring onder zich houdt, opdrachtnemer van [eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s. deze derhalve geen instructies kan geven. [gedaagde sub 1] c.s. heeft daarom primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiseres] , dan wel subsidiair om aan een veroordeling tot nakoming de voorwaarde te verbinden, dat [gedaagde sub 1] c.s. pas hoeft na te komen nadat [eiseres] de proceskosten van de procedure bij het gerechtshof heeft voldaan en dit ook met een veroordeling van [eiseres] in de kosten van dit kort geding.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend karakter van de door [eiseres] gevraagde voorziening is de voorzieningenrechter in voldoende mate gebleken. [eiseres] stelt de e-mails en Whatsapp berichten nodig te hebben voor de beoordeling van een beroep in cassatie en de termijn voor het instellen van cassatieberoep loopt onweersproken op 30 juni 2021 af.

4.2.

[eiseres] heeft haar vordering gebaseerd op de verplichting tot nakoming door [gedaagde sub 1] c.s. van de door laatstgenoemde betwiste afspraak die partijen op 12 februari 2021 hebben gemaakt.

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiseres] onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat partijen op 12 februari 2021 overeengekomen zijn dat [gedaagde sub 1] c.s. de e-mails en Whatsappberichten zou vrijgeven. Weliswaar staat in het proces-verbaal van de zitting van het gerechtshof dat de “voorzitter constateert dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de vrij te geven stukken die nu onder bewijsbeslag liggen en dat daarom geen afgifte van stukken meer wordt gevraagd” en verwijst het gerechtshof daarnaar in zijn arrest, maar het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal vermeldt de gemaakte afspraken tussen partijen niet, terwijl een schriftelijke vastlegging van de overeenkomst ontbreekt. Daarnaast wordt in de hiervoor onder 2.3 respectievelijk 2.5. genoemde e-mail en fax van de zijde van [eiseres] ook niet heel stellig verklaard dat partijen op 12 februari 2012 een sluitende afspraak gemaakt hebben. In de e-mail gaat het over overeenstemming, die als de advocaat het goed begrepen heeft, bereikt is en in de fax staat dat [eiseres] de indruk had dat er sluitende afspraken gemaakt waren. Tenslotte heeft [gedaagde sub 1] c.s., zoals uit het hiervoor onder 2.4. genoemde bericht blijkt, in antwoord op de onder 2.3. genoemde e-mail laten weten dat volgens haar geen afspraak gemaakt was. Na ontvangst van het proces-verbaal van 12 februari 2021 heeft zij het gerechtshof bericht dat zij van mening is dat de inhoud van het proces-verbaal op dit punt niet juist is. Zij verwijst in haar brief aan het gerechtshof naar haar akte van 13 februari 2021. Daarin verzet zij zich uitvoerig tegen de hiervoor genoemde wijziging van eis van [eiseres] . Dat zou niet nodig geweest zijn, indien partijen ter zitting van 12 februari 2021 een sluitende afspraak gemaakt zouden hebben. [gedaagde sub 1] c.s. heeft dan ook vanaf de zitting bij het gerechtshof op 12 februari 2021 consequent het bestaan van de door [eiseres] gestelde afspraak betwist.

Partijen zijn het erover eens dat zij na de zitting geen afspraken meer hebben gemaakt over de vrijgave door [gedaagde sub 1] c.s. van het relevante communicatiemateriaal. Gebleken is immers dat [gedaagde sub 1] c.s. zich weliswaar bereid heeft verklaard om de door [eiseres] verlangde inzage in de betreffende bescheiden te geven, op voorwaarde dat [eiseres] op haar beurt de proceskosten betaalt, waartoe zij in de procedure bij het gerechtshof is veroordeeld. [eiseres] is van mening dat [gedaagde sub 1] c.s. een dergelijke voorwaarde, nu partijen, volgens [eiseres] , al onvoorwaardelijke overeenstemming hebben bereikt, niet kan stellen.

4.4.

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat een overeenkomst tussen partijen niet als grondslag kan dienen voor toewijzing van de vordering. Het belang dat [eiseres] nog heeft bij nakoming van een dergelijke overeenkomst kan onbesproken blijven.

4.5.

De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de vordering, in het licht van het gelegde bewijsbeslag, toewijsbaar is op grond van hetgeen is bepaald in artikel 843a Rv, waarin – zakelijk weergegeven – staat dat eenieder, die daarbij een gerechtvaardigd belang heeft, inzage kan vorderen in bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, van degene die de beschikking heeft over deze bescheiden.

4.6.

Dat de bescheiden, waarvan [eiseres] inzage vordert, voldoende bepaald zijn is de voorzieningenrechter wel gebleken, omdat voor partijen duidelijk is om

welke e-mails en WhatsApp berichten het gaat. Aan het vereiste van een rechtsbetrekking waarin [eiseres] partij is, gezien de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s., ook voldaan. De vraag is dan nog of [eiseres] op dit moment een gerechtvaardigd en spoedeisend belang heeft bij inzage en de voorzieningenrechter zal voor de beantwoording van die vraag beoordelen wat [eiseres] in dat verband heeft gesteld.

4.7.

[eiseres] heeft over haar belang in de akte wijziging van eis in de procedure bij het gerechtshof het volgende geschreven: “ [eiseres] heeft bij voornoemde bescheiden een rechtmatig belang bij inzage of afschrift ervan. Allereerst omdat de bescheiden zich bevinden en/of hebben bevonden in de aan [eiseres] en/of [A] toebehorende e-mail accounts, als ook blijkt uit die bescheiden de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan de tussen hen bestaand hebbende rechtsverhouding, als ook de bedoeling die partijen, althans [A] heeft gehad met het aangaan van de overeenkomst en waaruit blijkt dat partijen er alles aan deden om een arbeidsverhouding te omzeilen terwijl die in de kern aan alle vereisten van een arbeidsovereenkomst voldeed.”

In de dagvaarding voor dit kort geding heeft [eiseres] haar (spoedeisend) belang bij inzage echter anders toegelicht, naar de voorzieningenrechter aanneemt, gezien het verloop van de procedure. Daarin staat dat zij de stukken nodig heeft voor het beoordelen van cassatie. Die verandering van de omschrijving van het belang bij de stukken doet dat belang al aan kracht inboeten. Daarbij komt dat [eiseres] naar het oordeel van de voorzieningenrechter het thans nog door haar gestelde belang onvoldoende handen en voeten heeft kunnen geven, waartoe des te meer noodzaak bestaat nu artikel 419 Rv bepaalt dat de feitelijke grondslag der middelen alleen kan worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding en de Hoge Raad gebonden is aan hetgeen in de bestreden uitspraak omtrent de feiten is vastgesteld. Desgevraagd heeft [eiseres] ter zitting slechts naar voren gebracht dat zij inzage in de bescheiden wenst om inzicht te krijgen in wat er verder wellicht nog boven water komt en in wat van belang kan zijn voor eventuele verdere procedures tegen [gedaagde sub 1] c.s.

4.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat het gevorderde ook niet toewijsbaar is aan de hand van het bepaalde in artikel 843a Rv. Het gevorderde zal daarom worden afgewezen.

4.9.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op:

- griffierecht € 677,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.693,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.693,00,

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2021.1

1 type: coll: