Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2686

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
19-07-2021
Zaaknummer
8780704 UC EXPL 20-7729
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afsluiting warmtenet en warm tapwater. Binnentreden woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8780704 UC EXPL 20-7729 asp/1189

Vonnis van 30 juni 2021

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

procederend in persoon,

tegen:

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats 2] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

[eiser] heeft op 15 september 2020 aan [gedaagde] een dagvaarding uitgebracht. Daarin vordert hij betaling door [gedaagde] van een geldsom, buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Het totaal bedraagt € 8.128,27

1.2.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd in haar conclusie van antwoord. Zij heeft op haar beurt een tegenvordering ingediend tegen [eiser] van € 4.365,00 wegens volgens haar door [eiser] niet betaalde facturen.

1.3.

[eiser] heeft vervolgens het verweer van [gedaagde] betwist in zijn conclusie van repliek. Hij heeft toen ook verweer gevoerd tegen de tegenvordering.

1.4.

[gedaagde] heeft tot slot in haar conclusie van dupliek het verweer van [eiser] tegen de tegenvordering betwist.

1.5.

De kantonrechter heeft daarna beslist dat hij vonnis zal wijzen.

2 Waar gaat het in deze zaak om?

2.1.

[eiser] en zijn partner hebben een hulpbehoevende zoon (hierna ook wel: de zoon). [gedaagde] heeft zich toegelegd op begeleiding van hulpbehoevende kinderen. Tussen [eiser] en [gedaagde] is op enig moment contact gelegd over begeleiding door [gedaagde] van de zoon. Zij hebben afspraken gemaakt over de begeleiding, die in maart 2020 is begonnen.

2.2.

[gedaagde] heeft over de periode maart 2020 tot en met juli 2020 facturen aan [eiser] gestuurd, berekend aan de hand van door haar gewerkte uren tegen een uurtarief van € 25,00. Daarnaast kreeg [gedaagde] betalingen van [naam stichting] , een instelling gericht op de begeleiding van hulpbehoevende jongeren zoals de zoon. Die vergoeding bedroeg € 45,00 per gewerkt uur.

2.3.

[eiser] heeft in januari 2020 een lening aan [gedaagde] verstrekt van € 1.500,00. Dit bedrag heeft [gedaagde] op 4 augustus 2020 aan [eiser] terugbetaald.

2.4.

[eiser] heeft drie facturen van [gedaagde] , over de maanden maart april en mei 2020 van in totaal € 7.144,00 betaald. Volgens [gedaagde] zijn haar facturen over de maanden mei en juni 2020 van € 4.356,00 nog niet betaald. Dit bedrag vordert zij met haar tegenvordering.

2.5.

[eiser] beschouwt [eiser] als geldleningen aan [gedaagde] of als voorschotten: hij had met [gedaagde] afgesproken dat hij die bedragen zou voorschieten in afwachting van de betalingen door [naam stichting] . Daarom wil hij dat [gedaagde] die bedragen aan hem terugbetaalt.

3 Het oordeel van de kantonrechter

De vordering van [eiser]

3.1.

legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij alle door hem aan [gedaagde] betaalde bedragen aan haar heeft geleend. Dat staat alleen vast voor de door [gedaagde] erkende en door haar terugbetaalde € 1.500,00. Dit bedrag wordt niet gevorderd, zodat de kantonrechter dit verder buiten de bespreking zal houden.

3.2.

De kantonrechter zal eerst onderzoeken of de door [eiser] betaalde bedragen als een geldlening beschouwd moeten worden, zoals [eiser] zegt, of als betalingen voor de door [gedaagde] verrichte begeleiding van de zoon, zoals [gedaagde] zegt.

3.3.

[eiser] zegt dat het om geldleningen gaat, in afwachting van de door [naam stichting] aan [gedaagde] te betalen vergoeding. Hij verwijst daarvoor naar twee stukken:

  1. Een overeenkomst hierover (productie 1 bij dagvaarding)

  2. Een betalingstoezegging van [gedaagde] (productie 2 bij dagvaarding).

Geen van beide stukken ondersteunen de stelling van [eiser] . Het eerste stuk is een e-mail van 6 maart 2020 van kennelijk [eiser] aan [gedaagde] , waarin staat:

“Zoals telefonisch besproken

Omdat [naam stichting] jou facturen nog niet betaald hebbenn betalen wij jou (na het zenden van een factuur) een voorschot

Dit voorschot wordt ons terug betaald nadat [naam stichting] jou betaald heeft.

Als deze afspraak volgens jou anders is, dan vernemen wij dit graag.”

3.4.

[gedaagde] ontkent die mail te hebben ontvangen. Dat verweer is begrijpelijk, omdat de afzender [gedaagde] lijkt te zijn en de geadresseerde [.] .nl. De kantonrechter kan dus niet vaststellen wie deze e-mail aan wie heeft verstuurd.

3.5.

Van het tweede document is eveneens onduidelijk van wie het afkomstig is. Het lijken citaten van stukken te zijn, maar de betreffende stukken zijn niet bijgevoegd. Als de kantonrechter ervan uitgaat dat deze citaten juist zijn, kan hij daaruit slechts afleiden dat [gedaagde] erkent een persoonlijke lening te zullen “terug overmaken” en dat [naam stichting] haar deels betaald heeft en maar slechts een deel van haar tarief.

3.6.

Andere stukken die de stelling, dat er sprake was van een geldlening of bevoorschotting, zijn niet door [eiser] overgelegd. Het zijn alleen eenzijdige stukken van [eiser] , waaruit niet blijkt

a. dat [gedaagde] daarmee heeft ingestemd en

b. dat [gedaagde] die stukken heeft ontvangen.

De kantonrechter oordeelt dat [eiser] niet heeft bewezen dat hij € 7.144 aan [gedaagde] heeft geleend of als voorschot heeft betaald. Er bestaat geen terugbetalingsplicht voor [gedaagde] . De vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

De tegenvordering

3.7.

[gedaagde] legt aan haar tegenvordering het volgende ten grondslag. Zij heeft met [eiser] de prijsafspraak gemaakt dat [eiser] haar een uurtarief van € 75,00 zou betalen. Van dat uurtarief wilde [naam stichting] (via de gemeente) € 45,00 per uur betalen. Het restant, dat door [gedaagde] consequent € 25,00 is genoemd (en niet het rekenkundig juiste € 30,00) zou [eiser] rechtstreeks aan haar betalen. Daar zijn de facturen ook op gebaseerd.

[eiser] heeft de facturen over de maanden maart, april en mei 2020 betaald. Het gaat om in totaal € 7.144,00. Tot dat bedrag stelt de kantonrechter vast dat de facturen zijn erkend en betaald. [eiser] heeft van deze facturen kopieën overgelegd (productie 10 bij conclusie van repliek).

3.8.

Voor het overige kan de kantonrechter niet vaststellen dat de gestelde facturen door [gedaagde] aan [eiser] zijn gestuurd. Zij heeft er geen kopieën van overgelegd en [eiser] heeft dat ook niet gedaan. [gedaagde] heeft de omvang van haar vordering niet onderbouwd, terwijl zij dat wel had moeten doen.

Zij heeft ook de gestelde prijsafspraak met [eiser] niet onderbouwd. Zij heeft slechts een conceptovereenkomst overgelegd (bij conclusie van dupliek) die noch door haar noch door [eiser] is ondertekend. Die overeenkomst stond dus nog niet vast.

3.9.

Dit leidt tot de conclusie dat ook de tegenvordering moet worden afgewezen.

De proceskosten

3.10.

In beginsel zou [eiser] in de kosten van de procedure over de gestelde geldlening veroordeeld moeten worden en [gedaagde] in de kosten van de procedure over haar tegenvordering. De kantonrechter ziet evenwel aanleiding om alle proceskosten tussen partijen te compenseren. Daarover overweegt de kantonrechter dat beide partijen weinig transparant hebben geprocedeerd en, minstens zo belangrijk, ook naar elkaar onduidelijk hebben gecorrespondeerd. Zij hebben, zo kun je het noemen, de vorderingen over en weer over elkaar afgeroepen. Het is dan te rechtvaardigen dat iedere partij de eigen kosten draagt. In dit geval betekent dat dat het door [eiser] betaalde griffierecht voor zijn rekening blijft en dat [gedaagde] geen kosten heeft.

4 De beslissing

De kantonrechter

Op de vordering van [eiser] :

4.1.

wijst de vordering af,

4.2.

compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt,

Op de tegenvordering van [gedaagde] :

4.3.

wijst de vordering af,

4.4.

compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders, kantonrechter, en in het openbaar in aanwezigheid van de griffier uitgesproken op 30 juni 2021.