Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2671

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
C/16/502609 / HA ZA 20-307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak. Executoriaal derdenbeslag. Verklarings- en betwistingsprocedure (artikel 477a lid 1 en 2 Rv). Dat er geen bescheiden bij buitengerechtelijke verklaring zijn gevoegd, maakt niet dat dit dan gelijkgesteld moet worden met situatie dat er niet is verklaard. Betwistingsprocedure; derde-beslagene voert aan dat er geen schuld meer is door verrekening met vordering op beslagene. Derde beslagene heeft niet voldaan aan verzwaarde motiveringsplicht. Verklaring is onjuist. Vaststelling bedrag dat aan executant toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/502609 / HA ZA 20-307

Vonnis van 14 april 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXTRAA BEHEER B.V.

gevestigd te Meppel en kantoorhoudende te Ruinerwold

eiseres

hierna te noemen: Extraa Beheer

advocaat mr. R.S. van der Spek

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PLANDERI HOLDING B.V.

gevestigd en kantoorhoudende te Veenendaal

gedaagde

hierna te noemen: Planderi Holding

advocaat mr. M.C. Schepel

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 9

  • -

    de conclusie van antwoord met productie 1

  • -

    de akte overlegging producties (10 tot en met 14) tevens houdende eiswijziging

  • -

    de brief van 7 januari 2021 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald

  • -

    de incidentele vordering tot schorsing ex artikel 225 Rv van Planderi Holding

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident
    - de mondelinge behandeling van 15 februari 2021, waarbij:
    i) bij mondeling vonnis de incidentele vordering tot schorsing is afgewezen
    ii) partijen hun spreekaantekeningen hebben voorgedragen
    iii) vragen van de rechter zijn beantwoord
    - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling

1.2.

Aan het einde van de mondelinge behandeling is aan partijen verteld dat er een vonnis zal komen.

2 Inleiding

In deze zaak gaat het om de executie van twee vonnissen. Er is op grond van beide vonnissen executoriaal derdenbeslag gelegd. De kern van het geschil betreft de beantwoording van de vraag of de derde-beslagene moet worden veroordeeld tot betaling van:
a. het bedrag waarvoor de beslagen zijn gelegd alsof de derde-beslagene zelf daarvan
de schuldenaar is (artikel 477a lid 1 Rv), of
b. een door de rechter vast te stellen bedrag (artikel 477a lid 2 Rv), of
c. de nodeloos gemaakte kosten (artikel 477a lid 1, derde volzin, Rv).

3 Waar gaat de zaak precies over?

3.1.

Extraa Beheer en [onderneming] (hierna: [onderneming] ) hielden de aandelen in
Slim Energie Beheer B.V. (hierna: Slim Energie Beheer).
Planderi Holding heeft deze aandelen van Extraa Beheer en [onderneming] gekocht en in verband daarmee een overeenkomst van geldlening gesloten met [onderneming] (Vendor Loan II).
heeft op grond hiervan een geldlening van € 80.000 aan Planderi Holding verstrekt.

3.2.

Daarna is er een geschil ontstaan. Dit heeft tot verschillende procedures geleid voor de rechtbank Overijssel. Extraa Beheer heeft in verband met deze procedures twee voor tenuitvoerlegging vatbare vorderingen verkregen op [onderneming] :
- bij vonnis van 6 november 2019 is [onderneming] is veroordeeld tot betaling aan
Extraa Beheer van i) € 57.202,80 te vermeerderen met wettelijke rente over dit
bedrag, ii) de proceskosten en iii) de nakosten te vermeerderen met rente

- bij vonnis van 12 februari 2020 is [onderneming] veroordeeld tot betaling aan Extraa Beheer
van i) € 10.209,73, en ii) de proceskosten en nakosten te vermeerderen met de
wettelijke rente.

3.3.

Extraa Beheer heeft op grond van deze twee vonnissen ten laste van [onderneming] executoriaal derdenbeslag gelegd onder Planderi Holding. Deze beslagen zijn gelegd op

21 februari 2020 (op grond van het vonnis van 6 november 2019) en op 14 april 2020 (op grond van het vonnis van 12 februari 2020).

3.4.

Planderi Holding heeft met betrekking tot het executoriale derdenbeslag van
21 februari 2020, aan de hand van het daartoe door de deurwaarder verstrekte formulier, een buitengerechtelijke verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat zij op het moment van beslaglegging niets aan [onderneming] is verschuldigd en dat er op dat moment ook geen rechtsverhouding bestond op grond waarvan zij iets aan [onderneming] verschuldigd zal worden.
Bij deze verklaring zijn geen bescheiden gevoegd.

3.5.

Planderi Holding heeft met betrekking tot het executoriale derdenbeslag van
14 april 2020 geen buitengerechtelijke verklaring derdenbeslag afgelegd.

3.6.

Extraa Beheer vordert in deze procedure, na wijziging van eis, dat Planderi Holding wordt veroordeeld:
a) primair, tot betaling aan Extraa Beheer van het bedrag waarvoor de executoriale
derdenbeslagen zijn gelegd, alsof Planderi Holding daarvan zelf de schuldenaar is

b) subsidiair, tot:
i) het doen van een (juiste) gerechtelijke verklaring
ii) betaling van het bedrag dat volgens vaststelling door de rechter aan
Extraa Beheer (als executant) toekomt.
c) meer subsidiair, tot betaling van € 9.184,61 aan nodeloos gemaakte kosten.

3.7.

Extraa Beheer heeft haar vorderingen (zoals hiervoor zakelijk weergegeven) op
5 februari 2021 overgedragen (gecedeerd) aan Felusa B.V. (Felusa) en heeft
Planderi Holding daarvan op dezelfde dag schriftelijk mededeling gedaan.

4 De beoordeling


Extraa Beheer is ontvankelijk in haar vorderingen

4.1.

Planderi Holding voert als (formeel) verweer dat Extraa Beheer niet ontvankelijk is in haar vorderingen, omdat zij door de cessie van haar vorderingen aan Felusa geen belang meer bij deze vorderingen heeft.

4.2.

Dit verweer van Planderi Holding gaat niet op.

Door de cessie van de vorderingen van Extraa Beheer aan Felusa, is sprake van rechtsopvolging onder bijzondere titel. Felusa had in verband hiermee om schorsing van het geding kunnen verzoeken, en na die schorsing het initiatief kunnen nemen om in plaats van
Extraa Beheer de zaak als eiseres te hervatten (artikel 225 lid 1 onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in relatie met artikel 227 Rv). Felusa heeft dat echter niet gedaan. Dit heeft tot gevolg dat de procedure op naam van Extraa Beheer wordt voortgezet (artikel 225 lid 2 Rv). Extraa Beheer heeft om deze reden al voldoende belang bij deze procedure.
Daarbij komt nog dat Extraa Beheer voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat zij met Felusa is overeengekomen dat zij als lasthebber voor Felusa de procedure zal voortzetten. Ook dat maakt dat Extraa Beheer voldoende belang bij deze procedure heeft.

De primaire vordering
4.3. Extraa Beheer vordert primair dat Planderi Holding wordt veroordeeld tot betaling van de bedragen waarvoor de beslagen zijn gelegd alsof Planderi Holding daarvan de schuldenaar is. Zij beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 477a lid 1 Rv.

Deze primaire vordering wordt, zoals hierna wordt uitgelegd, afgewezen.

Uitgangspunt

4.4.

Als uitgangspunt bij de beoordeling van deze primaire vordering geldt het volgende.

4.4.1.

De derde-beslagene is, zodra vier weken zijn verstreken na de beslaglegging, verplicht om verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen (artikel 476a Rv). Deze (buitengerechtelijke) verklaring wordt gedaan aan de hand van een daarvoor door de deurwaarder verstrekt formulier. De derde-beslagene moet verklaren of hij op het moment van de beslaglegging al dan niet iets is verschuldigd aan de beslagene of verschuldigd zal worden op basis van een op het moment van de beslaglegging bestaande rechtsverhouding (artikel 476a lid 2 sub a Rv in relatie met artikel 475 lid 1 Rv). Ook als de derde-beslagene niets verschuldigd is of zal worden dan moet hij dit dus verklaren.

4.4.2.

Blijft de derde-beslagene in gebreke met het afleggen van deze verklaring dan geldt als sanctie dat de derde-beslagene op vordering van de executant wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd alsof hij daarvan zelf de schuldenaar is (477a lid 1 Rv). Deze sanctie kan op grond van vaste rechtspraak ook worden opgelegd als de derde-beslagene weliswaar een verklaring aflegt, maar die verklaring zo gebrekkig is dat dit gelijkgesteld kan worden aan de situatie dat geen verklaring is afgelegd.
Het opleggen van deze vergaande sanctie (de derde-beslagene wordt immers veroordeeld tot betaling van een schuld waar hij buiten staat) kan door de derde-beslagene worden voorkomen door alsnog gerechtelijke verklaring te doen. Die gerechtelijke verklaring kan worden gedaan in een processtuk, zoals een akte of een conclusie van antwoord.

Executoriale derdenbeslag van 21 februari 2020
4.5. Niet ter discussie staat dat Planderi Holding met betrekking tot het executoriale derdenbeslag van 21 februari 2020 een buitengerechtelijke verklaring heeft afgelegd. Planderi Holding is dus niet in gebreke met het afleggen van een verklaring.

4.6.

Extraa Beheer stelt zich echter op het standpunt dat de door Planderi Holding gedane buitengerechtelijke verklaring gelijkgesteld moet worden met de situatie dat er geen verklaring is afgelegd en dat daarom toch de sanctie van 477a lid 1 Rv moet worden opgelegd.
Extraa Beheer voert daarvoor als reden aan dat Planderi Holding bij de buitengerechtelijke verklaring geen bescheiden heeft gevoegd die haar verklaring (dat zij niets aan [onderneming] is verschuldigd) ondersteunen. Daarvoor was volgens Extraa Beheer wel aanleiding, omdat [onderneming] in verband met de verkoop van aandelen in Slim Energie Beheer aan Planderi Holding een geldlening heeft verstrekt van ongeveer € 80.000 en nergens uit blijkt dat die geldlening vermeerderd met de in dit verband overeengekomen rente op het moment van beslaglegging volledig door Planderi Holding aan [onderneming] is terugbetaald.

4.7.

Extraa Beheer wordt niet in dit standpunt gevolgd.

Dat Planderi Holding geen bescheiden bij haar verklaring heeft gevoegd die de juistheid van de door haar afgelegd verklaring ondersteunen, maakt de verklaring weliswaar gebrekkig, maar het maakt nog niet dat die verklaring moet worden gelijkgesteld met de situatie dat geen verklaring is gedaan. Van een dergelijke situatie is slechts in uitzonderlijke situaties sprake; bijvoorbeeld als de derde-beslagene overduidelijk opzettelijk leugenachtig heeft verklaard dat er niets onder het beslag valt. Reden hiervoor is dat het om een vergaande sanctie gaat, en in geval van een gebrekkige verklaring de betwistingsprocedure zoals is neergelegd in artikel 477a lid 2 Rv kan worden gevolgd.

4.8.

De conclusie is dat er geen grond is om Planderi Holding met betrekking tot het executoriale beslag van 21 februari 2020 de vergaande sanctie van artikel 477a lid 1 Rv op te leggen.


Executoriale beslag van 14 april 2020

4.9.

Ook ten aanzien van het executoriale derdenbeslag van 14 april 2020 is die grond er niet. Weliswaar staat vast dat Planderi Holding met betrekking tot dit executoriale derdenbeslag geen buitengerechtelijke verklaring derdenbeslag heeft gedaan. Extraa Beheer heeft op 6 mei 2020 Planderi Holding gedagvaard en Planderi Holding heeft in deze procedure alsnog verklaard dat er, om dezelfde reden als voor het executoriale beslag van
21 februari 2020 geldt, niets onder dit beslag valt. Planderi Holding heeft dus ten aanzien van het executoriale beslag van 14 april 2020 een gerechtelijke verklaring gedaan. Door dit te doen heeft Planderi Holding voorkomen dat de vergaande sanctie van artikel 477a lid 1 Rv wordt opgelegd.

De subsidiaire vordering

4.10.

Daarmee wordt toegekomen aan de beoordeling van de subsidiaire vordering.
Deze subsidiaire vordering strekt ertoe dat Planderi Holding wordt veroordeeld tot het doen van een (juiste) gerechtelijke verklaring en tot betaling van het bedrag dat volgens vaststelling door de rechter moet worden afgedragen.

4.11.

Uit wat hiervoor onder de primaire vordering is overwogen, volgt dat Planderi Holding ten aanzien van beide executoriale derdenbeslagen een verklaring derdenbeslag heeft afgelegd en dat die verklaring in beide gevallen inhoudt dat Planderi Holding op het moment van de beslagen niets aan [onderneming] verschuldigd is en ook niets op grond van een op het moment van de beslaglegging bestaande rechtsverhouding verschuldigd zal worden.

4.12.

Beoordeeld moet worden of deze door Planderi Holding afgelegde verklaringen kloppen. Daarbij rust op Extraa Beheer de bewijslast van de ondeugdelijkheid van de gedane verklaring. Op Planderi Holding rust echter een verzwaarde motiveringsplicht. Planderi Holding moet op grond van artikel 476a lid 2 sub c en 476b lid 2 Rv de door haar gedane verklaringen zo veel mogelijk staven met gegevens en stukken.

4.13.

Extraa Beheer betwist dat de door Planderi Holding afgelegde verklaringen juist zijn. Volgens Extraa Beheer heeft Planderi Holding op grond van de in 3.1. genoemde geldlening een schuld aan [onderneming] van € 80.000 te vermeerderen met 5% rente vanaf
1 oktober 2017 en met 10% rente vanaf 11 november 2018. Deze schuld was volgens
Extraa Beheer op het moment van de beslagleggingen nog niet door Planderi Holding aan [onderneming] betaald. Volgens Extraa Beheer bedroeg deze schuld per 1 januari 2021 € 103.550,81 inclusief rente.

4.14.

Planderi Holding erkent dat zij de door Extraa Beheer gestelde schuld van
€ 80.000 aan [onderneming] had. Planderi Holding voert echter aan dat deze schuld op het moment dat de beslagen werden gelegd niet meer bestond, omdat deze schuld door verrekening is teniet gegaan.

Planderi Holding voert daarvoor aan dat zij vier vorderingen op [onderneming] had met een totaalbedrag van € 86.238,89 en dat die vorderingen vóórdat de beslagen zijn gelegd, zijn verrekend met haar schuld aan [onderneming] .

4.15.

Extraa Beheer betwist dat Planderi Holding:
- de door haar gestelde vorderingen op [onderneming] heeft, althans dat Planderi Holding

- deze vorderingen heeft verrekend met de schuld aan [onderneming] , althans dat
- er na verrekening van deze vorderingen geen schuld meer aan [onderneming] overbleef.

4.16.

De rechtbank is van oordeel dat Planderi Holding niet aan haar verzwaarde motiveringsplicht heeft voldaan. Hierna wordt toegelicht waarom dit zo is.

4.16.1.

Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 6:127 lid 2 Burgerlijk Wetboek een schuldenaar de bevoegdheid heeft tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering.
Planderi Holding is dus alleen bevoegd om een vordering op [onderneming] te verrekenen met haar schuld aan [onderneming] . Zij kan dus niet een vordering op een ander dan [onderneming] verrekenen met haar schuld aan [onderneming] .

4.16.2

Planderi Holding stelt dat zij een vordering van € 15.000 op [onderneming] had op grond van een met [onderneming] gesloten overeenkomst die inhield dat Planderi Holding € 15.000 aan [onderneming] zou voorschieten (lenen), opdat [onderneming] een dividenduitkering zou kunnen doen.
Planderi Holding heeft echter geen stukken in het geding gebracht die erop wijzen dat deze door haar gestelde overeenkomst is gesloten en dat daaraan ook uitvoering is gegeven. Planderi Holding heeft alleen een bankafschrift in het geding gebracht, waaruit volgt dat er aan [A] (en dus niet aan [onderneming] ) € 15.000 is overgemaakt, met als omschrijving: “ Op uw verzoek uitbetaald voorschot ”. Dit bankafschrift wijst er eerder op dat er met [A] een afspraak is gemaakt en niet met [onderneming] . Uit wat in 4.16.1. is overwogen, volgt dat vorderingen op [A] niet mogen worden verrekend met de schuld van
Planderi Holding aan [onderneming] .

4.16.3.

Planderi Holding stelt verder dat zij op grond van een met [onderneming] gesloten overeenkomst een vordering van € 54.572,22 op [onderneming] had. Deze overeenkomst, zo voert Planderi Holding aan, hield in dat Planderi Holding de kosten voor het voeren van procedures door [onderneming] en [A] aan [onderneming] zal voorfinancieren (lenen).
Planderi Holding heeft echter geen stukken in het geding gebracht die erop wijzen dat deze door haar gestelde overeenkomst met [onderneming] is gesloten.
Planderi Holding heeft ter onderbouwing van deze vordering alleen de declaraties van de advocaat van [onderneming] en [A] en een nota met betrekking tot griffierecht als productie overgelegd. Daaruit kan echter nog niet worden opgemaakt dat de hiervoor door Planderi Holding gestelde overeenkomst is gesloten.
Daar komt nog bij dat niet valt in te zien waarom de kosten voor procedures die door
in privé worden gevoerd, door [onderneming] moeten worden gedragen en niet door
[A] zelf. Planderi Holding heeft daarvoor geen uitleg gegeven. Dit is van belang omdat Planderi Holding alleen vorderingen op [onderneming] kan verrekenen met haar schuld aan [onderneming] . Een deel van de door Planderi Holding overgelegde declaraties ziet op procedures die voor [A] zijn gevoerd en die declaraties zijn ook aan [A] gericht.

Verder blijkt nergens uit dat Planderi Holding in verband met de door haar gestelde afspraak een totaalbedrag van € 54.572,22 heeft voorgefinancierd (geleend). Nergens blijkt uit dat Planderi Holding dit bedrag daadwerkelijk heeft betaald. Er zijn geen betaalbewijzen door haar in het geding gebracht.

4.16.4.

Planderi Holding stelt verder dat zij op grond van een met [onderneming] gesloten overeenkomst een vordering van € 10.416,67 op [onderneming] had. Deze overeenkomst, zo voert Planderi Holding aan, hield in dat Planderi Holding een vergoeding van € 5.000 per jaar te beginnen in 2018 van [onderneming] ontvangt voor het verlenen van bijstand aan [onderneming] .

Planderi Holding heeft echter geen stukken in het geding gebracht die erop wijzen dat deze door haar gestelde overeenkomst met [onderneming] is gesloten.
In de door Planderi Holding als productie overgelegde jaarrekening 2019 van [onderneming] is weliswaar een aan Planderi Holding toekomende fee van € 10.000 opgenomen. Hieraan kan echter geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, omdat het niet om een gecontroleerde jaarrekening gaat, maar om commerciële jaarstukken met betrekking tot het kalenderjaar 2019 of boekjaar 2019/2020.

4.16.5.

Planderi Holding stelt tot slot nog dat zij op grond van een met [onderneming] gemaakte afspraak een vordering van € 6.250 op [onderneming] had. Die afspraak, zo voert Planderi Holding aan, hield in dat [onderneming] de helft van een aan Slim Energie Beheer opgelegde boete aan Planderi Holding zal betalen. Planderi Holding heeft echter geen stukken in het geding gebracht die erop wijzen dat deze door haar gestelde afspraak met [onderneming] is gemaakt.

4.17.

Nu Planderi Holding niet gemotiveerd met stukken heeft onderbouwd dat zij de door haar gestelde vorderingen op [onderneming] had, moet het ervoor gehouden worden dat die vorderingen er niet waren. Van verrekening met die vorderingen kan daarom geen sprake zijn. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de schuld van Planderi Holding aan [onderneming] niet teniet is gegaan door verrekening met de door Planderi Holding op [onderneming] gestelde vorderingen zoals hiervoor besproken.

4.18.

Het is verder ook niet gebleken dat deze schuld van Planderi Holding op een andere manier, bijvoorbeeld door aflossing van de geldlening, is verminderd. In de door Planderi Holding als productie overgelegde jaarrekening van [onderneming] is vermeld dat de lening aan Planderi Holding aan het begin van het boekjaar nog € 58.642 bedroeg en aan het einde van het boekjaar € 6.515. Er kan echter niet van worden uitgegaan dat dit klopt, omdat het geen gecontroleerde jaarrekening betreft. Planderi Holding heeft bovendien ook geen toelichting op deze cijfers gegeven. Bovendien sluiten deze cijfers ook niet aan op de stelling van Planderi Holding dat haar schuld aan [onderneming] volledig teniet is gegaan.

Er wordt daarom geen acht geslagen op deze gegevens.

4.19.

Het moet er gezien het voorgaande voor worden gehouden dat de schuld van Planderi Holding aan [onderneming] op het moment van de beslagleggingen € 80.000 bedroeg.

Deze schuld moet nog worden vermeerderd met de door Extraa Beheer gestelde rente van

5% vanaf 1 oktober 2017 en 10% rente vanaf 11 november 2018. Volgens de berekening van Extraa Beheer bedroeg de schuld per 1 januari 2021 € 103.550,81 (inclusief rente). Planderi Holding heeft deze berekening niet betwist, zodat van die berekening wordt uitgegaan.

4.20.

De conclusie is dat Planderi Holding onjuist heeft verklaard. Zij heeft verklaard niets aan [onderneming] verschuldigd te zijn, terwijl zij op het moment van de beslagleggingen een schuld aan [onderneming] had van € 80.000 te vermeerderen met de rente zoals genoemd in 4.19.

4.21.

De rechter zal vervolgens moeten vaststellen welk bedrag aan Extraa Beheer toekomt.

4.21.1.

De vordering van Extraa Beheer op grond van het vonnis van 6 november 2019 bedroeg op het moment van de beslaglegging van 21 februari 2020 € 69.604,41 te vermeerderen met rente en kosten.
De vordering van Extraa Beheer op grond van het vonnis van 12 februari 2020 bedroeg op het moment van de beslaglegging van 14 april 2020 € 11.953,26 te vermeerderen met rente en kosten.
De vordering van Extraa Beheer op [onderneming] bedraagt dus in totaal € 81.557,67 te vermeerderen met rente en kosten.

De schuld van Planderi Holding aan [onderneming] betrof, zoals hiervoor in 4.19 is overwogen, per
1 januari 2021 € 103.55,81.

4.21.2.

De rechter stelt op grond van het voorgaande vast dat de schuld die
Planderi Holding aan [onderneming] heeft de vorderingen van Extraa Beheer op [onderneming] overtreft. Dit betekent dat Planderi Holding aan Extraa Beheer zal moeten betalen de bedragen waarvoor de executoriale derdenbeslagen van 21 februari 2020 en 14 april 2020 zijn gelegd, te weten:

- € 69.604,41 + verschenen rente en kosten na 21 februari 2020
- € 11.953,26 + verschenen rente en kosten na 14 april 2020.
Planderi zal daarom worden veroordeeld om deze bedragen aan Extraa Beheer af te dragen. Daarmee wordt het tweede deel van de subsidiaire vordering van Extraa Beheer toegewezen.

4.22.

Extraa Beheer vordert in het kader van de subsidiaire vordering ook nog dat Planderi Holding wordt veroordeeld tot het doen van een gerechtelijke verklaring ten aanzien van beide door haar gelegde derdenbeslagen. Deze vordering wordt afgewezen, omdat Extraa Beheer daarbij onvoldoende belang heeft, aangezien in dit vonnis al is vastgesteld wat er door Planderi Holding verklaard had moeten worden, namelijk dat zij een schuld aan [onderneming] heeft van € 80.000 te vermeerderen met 5% rente vanaf 1 oktober 2017 en met 10% rente vanaf 11 november 2018 tot de datum van voldoening en Planderi Holding zal worden veroordeeld om op basis van deze juiste verklaring de bedragen die aan
Extraa Beheer toekomen af te dragen.

Meer subsidiaire vordering

4.22

Aan de beoordeling van de meer subsidiaire vordering wordt niet toegekomen.


Proceskosten en nakosten en uitvoerbaar bij voorraad

4.23.

Planderi Holding wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Extraa Beheer veroordeeld. Deze kosten worden begroot op € 3.714,89, waarvan:
explootkosten € 100,89
griffierecht € 1.386,00
salaris advocaat (2 punten x € 1114) € 2.228,00

4.24.

De door Extraa Beheer gevorderde nakosten worden op de in de beslissing te noemen manier begroot.

4.25.

De over de proces- en nakosten gevorderde wettelijke rente wordt op de in de beslissing te noemen manier toegewezen.

4.26.

Het vonnis zal zoals gevorderd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Planderi Holding heeft daartegen ook geen verweer gevoerd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Planderi Holding tot betaling aan Extraa Beheer van de bedragen waarvoor de executoriale derdenbeslagen van 21 februari 2020 en 14 april 2020 zijn gelegd, te weten:
- € 69.604,41 + verschenen rente en kosten na 21 februari 2020
- € 11.953,26 + verschenen rente en kosten na 14 april 2020

5.2.

veroordeelt Planderi Holding in de proceskosten van Extraa Beheer, tot op heden begroot op € 3.714,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van veertien dagen na de dag van dit vonnis tot aan de voldoening

5.3.

veroordeelt Planderi Holding in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op
€ 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Planderi Holding niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de dag van dit vonnis tot aan de voldoening

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af

Dit vonnis is gewezen door mr. N.V.M. Gehlen en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021.1

1 type: GBvd(M coll: