Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2645

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
UTR 20/1023
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak. Gebrek hersteld met nieuw besluit, geen reactie eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1023


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2021 in de zaak tussen


[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: R. Scholten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen, verweerder

(gemachtigde: E. Schaap Enterman - Drent).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Ontwikkelingsmaatschappij Buitenveldert B.V., te Amsterdam

(gemachtigde: H. Filipsen).

Inleiding

1. Het college heeft in het besluit van 8 augustus 2019 aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van beschoeiing, tuinvlonders en steigers bij de woningen aan de [straat] [huisnummers] in [woonplaats]. In de beslissing op bezwaar van 28 januari 2020 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

2. In de tussenuitspraak van 15 januari 2021 (ECLI:NL:RBMNE:2021:74) heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bouwplan deels in strijd is met het bestemmingsplan. De beschoeiing, tuinvlonders en steigers die binnen de bestemming Wonen worden gebouwd, passen binnen het bestemmingsplan. De beschoeiing aan de zuidkant van [adres] valt binnen de bestemming Water en is in strijd met de planregels. Het college heeft dat deel van het bouwplan ten onrechte niet getoetst aan de vereisten voor strijdig gebruik en er heeft geen belangenafweging plaatsgevonden.

3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarbij moest het college de tussenuitspraak in acht nemen.

4. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak op 16 maart 2021 een nieuw besluit genomen. Daarin heeft het college voor de beschoeiing aan de zuidkant van [adres] alsnog een omgevingsvergunning voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan verleend.

5. Eiser heeft geen zienswijze ingediend in reactie op het besluit van 16 maart 2021.

6. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

7. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist.

8. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank een gebrek geconstateerd in de beslissing op bezwaar van 28 januari 2020. Het beroep tegen die beslissing op bezwaar is gegrond en de rechtbank zal dat besluit vernietigen, omdat het in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

9. De rechtbank stelt vast dat het college met het besluit van 16 maart 2021 niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, moet het beroep van eiser daarom worden geacht ook gericht te zijn tegen het besluit van 16 maart 2021.

10. Eiser heeft naar aanleiding van het besluit van 16 maart 2021 geen zienswijze naar voren gebracht. Dit betekent dat hij geen beroepsgronden over dit besluit heeft aangevoerd. Het beroep van eiser tegen het besluit van 16 maart 2021 is daarom ongegrond.

11. De alsnog verleende omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan voor de beschoeiing aan de zuidkant van [adres] blijft dus in stand. Daarmee is het gebrek in de beslissing op bezwaar van 28 januari 2020 hersteld. De rechtbank zal daarom de rechtsgevolgen van dat besluit in stand laten. Dat betekent dat alle onderdelen van het bouwplan kunnen worden gerealiseerd.

12. Omdat de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 28 januari 2020 gegrond verklaart, moet het college aan eiser het griffierecht vergoeden. Het college moet ook de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door de gemachtigde levert 2 punten op met een waarde van € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Toegekend wordt € 1.068,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 28 januari 2020 gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar van 28 januari 2020;

- laat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 28 januari 2020 in stand;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 maart 2021 ongegrond;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 juni 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een beroepschrift indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit beroepschrift moet u indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.