Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2625

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
99-000324-47
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering herroeping VI toegewezen. De overschrijding van de termijn uit artikel 6:6:21 lid 4 Sv is te gering om daaraan de consequentie van niet-ontvankelijkheid van het OM te verbinden. Het OM is ontvankelijk in de vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/705343-17 (herroeping VI)

Zaaksnummer VI: 99/000324-47

Beslissing op grond van artikel 6:6:21, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering van de politierechter van 4 juni 2021

op de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in de zaak tegen:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans verblijvende in [verblijfplaats] ,

(hierna: veroordeelde).

1
1. De procedure

Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 december 2018 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig (36) maanden.

Veroordeelde is op 24 februari 2020 feitelijk voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder enkele bijzondere voorwaarden. Bij besluiten van 27 januari 2020 en 23 november 2020 zijn de bijzondere voorwaarden gewijzigd. Als bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling zijn onder meer verbonden dat

  • -

    veroordeelde zich zal laten opnemen bij [naam instelling] , zal meewerken aan diagnostiek en aangesloten zal zijn op elektronisch toezicht als hij zich buiten het terrein van de instelling begeeft;

  • -

    veroordeelde medewerking verleent aan het verkrijgen en behouden van een woonruimte en een structurele en zinvolle dagbesteding, een open, gemotiveerde en meewerkende houding toont met betrekking tot het toezicht en de behandeling, en meewerkt aan controle van het gebruik van cannabis en alcohol.

De proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidsstelling bedroeg 365 dagen. De proeftijd is door de rechtbank Midden-Nederland op 6 november 2020 verlengd met acht (8) maanden. Ook is door de rechtbank Midden-Nederland op 6 november 2020 de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen voor de duur van zestig (60) dagen, omdat veroordeelde zich niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden.

Op 1 april 2021 heeft veroordeelde een officiële waarschuwing van de reclassering gehad.

Op 14 april 2021 heeft de advocaat-generaal de aanhouding van veroordeelde bevolen. De officier van justitie heeft op 21 april 2021 een vordering tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling ingediend. Op 21 april 2021 is de voorwaardelijke invrijheidstelling door de rechter-commissaris geschorst.

De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 19 april 2021 strekt ertoe dat de politierechter de voorwaardelijke invrijheidstelling (volledig) herroept voor een periode van 300 dagen, omdat veroordeelde zich gedurende voornoemde proeftijd niet heeft gehouden aan de voorwaarden die aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling zijn verbonden. Veroordeelde heeft zich volgens de vordering schuldig gemaakt aan de overtreding van alle bijzondere voorwaarden, omdat hij zich volledig aan het toezicht heeft onttrokken.

Het strafrestant bedraagt ten tijde van het geven van deze beslissing 300 dagen gevangenisstraf.

De vordering van het Openbaar Ministerie is op 19 april 2021 ontvangen op de griffie van de rechtbank en de grond bevat waarop zij berust.

2 Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 4 juni 2021. Daarbij zijn gehoord:

- de officier van justitie mr. W.H. Hulst;

- de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. C.H. van Keulen, advocaat te Amsterdam;

- mevrouw [A] , reclasseringswerker.

3 De rapportage en toelichting daarop

In het advies van Reclassering Nederland van 15 april 2021, opgesteld door [A] , reclasseringswerker, staat dat veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt aan de voorwaarden. De eerste drie maanden na zijn opname op [naam instelling] op 26 november 2020 kenmerkten zich door passiviteit van zijn kant. Zo deed veroordeelde niet mee met de dagbestedingsactiviteiten en verscheen hij nauwelijks bij de groepsmomenten. Vanaf 17 februari 2021 was er een verandering te bespeuren in de houding van veroordeelde. Hij werd ietwat actiever en heeft een aantal behandelonderdelen afgerond die voorwaarden waren om op verlof te kunnen. Veroordeelde bleef echter persisteren in zijn gesloten houding. Op 14 april 2021 vond zijn eerste begeleide verlof plaats en heeft veroordeelde zich onttrokken aan zijn begeleiders en zijn enkelband (voor de tweede maal) doorgeknipt. De onttrekking was voorbereid. Omdat veroordeelde de voorwaarden meerdere malen dusdanig heeft overtreden ziet de reclassering geen mogelijkheden het toezicht te vervolgen en adviseert zij een herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Ook in de aanvullende rapportage van Reclassering Nederland van 6 mei 2021, opgesteld door [A] , reclasseringswerker, adviseert de reclassering de voorwaardelijke invrijheidstelling volledig te herroepen. Veroordeelde heeft meerdere kansen gekregen. Diverse behandelpogingen zijn mislukt. De officiële waarschuwing die veroordeelde op 1 april 2021 kreeg zag op het in het bezit hebben van twee telefoons, terwijl mondeling was gevorderd de tweede telefoon in te leveren, in combinatie met het niet tonen van een open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot het toezicht en de behandeling. In de behandelplanbespreking van 1 april 2021, waarin onder andere gesproken is over de officiële waarschuwing, gaf veroordeelde met woorden te kennen (zonder bijbehorend gebaar) dat hij de middelvinger opsteekt naar de reclassering. Veroordeelde ging berekenend te werk en wenste geen toezicht te accepteren. Hij wilde slechts begeleiding op zijn voorwaarden en gaf geen opening van zaken, waardoor toezicht houden niet mogelijk was. Van de zeven ingeleverde urinecontroles zijn er vier positief op cannabis getest. [naam instelling] heeft laten weten geen behandelmogelijkheden meer te zien en dat de behandeling is beëindigd. Volgens de reclassering voegt een nieuwe behandelpoging niets toe is er geen basis om de begeleiding voort te zetten. De reclassering schat het recidiverisico in als matig tot hoog, gebaseerd op de inschatting gemaakt op 22 april 2021 door [naam instelling] .

Mevrouw [A] , reclasseringswerker, is ter terechtzitting telefonisch als deskundige gehoord. Zij heeft verklaard dat veroordeelde in de kliniek geen meewerkende of open houding toonde. Veroordeelde kan niet direct uitstromen naar beschermd en begeleid wonen, omdat veroordeelde, teneinde het recidiverisico in te perken, eerst het klinische traject moet doorlopen en tot op heden niet heeft laten zien dat hij betrouwbaar is en samen kan werken. Veroordeelde legt steeds de schuld voor wat misgaat buiten zichzelf.

4 De standpunten

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Hoewel de zaak niet binnen dertig dagen op zitting is aangebracht, zou dat niet moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Openbaar Ministerie heeft de zaak immers niet bewust getraineerd door de zaak niet op zitting te plannen. Er dient daarom te worden volstaan met een constatering van de termijnoverschrijding.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de rechter-commissaris op 21 april 2021 heeft bevolen dat de zitting binnen dertig dagen na het bevel moet plaatsvinden. Dit is niet gebeurd. Hoewel de verdediging er alles aan heeft gedaan de zitting tijdig te laten plaatsvinden, is het Openbaar Ministerie te passief geweest. Dat de zitting niet binnen dertig dagen op zitting is gepland, is het Openbaar Ministerie dan ook aan te rekenen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling slechts gedeeltelijk zou moeten worden herroepen, namelijk tot 4 juni 2021. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat veroordeelde in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling ruim elf maanden in klinieken heeft verbleven, wat gelijk staat aan bijna de gehele duur van de invrijheidstelling. Daarnaast heeft veroordeelde al 89 dagen van de voorwaardelijke invrijheidstelling uitgezeten. Het is daarom disproportioneel en niet opportuun om de voorwaardelijke invrijheidstelling volledig te herroepen. De raadsvrouw geeft in overweging de voorwaarden opnieuw aan te passen in zoverre dat de verplichte opname in een kliniek en elektronische controle komen te vervallen, nu is gebleken dat uitvoering daarvan niet mogelijk is.

5 Het oordeel van de politierechter

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Zoals hiervoor reeds vermeld is de schriftelijke vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling op 19 april 2021 ontvangen door de rechtbank. De vordering bevat de grond waarop zij berust. De rechter-commissaris heeft de voorwaardelijke invrijheidstelling op 21 april 2021 geschorst. Op grond van artikel 6:6:21, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het onderzoek, in geval van schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling door de rechter-commissaris, in elk geval plaats te vinden binnen een maand na ontvangst van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De politierechter stelt vast dat dit niet is gebeurd. Dat is niet goed gegaan, maar het leidt niet tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Omdat het Wetboek van Strafvordering aan de overschrijding van deze termijn niet de consequentie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie verbindt, begrijpt de politierechter deze termijn als een ordetermijn, bedoeld om de voortgang van de procedure te bewaken. Hierbij is ook relevant dat bij toewijzing van de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geen nadeel ontstaat voor de veroordeelde en dat bij afwijzing van de vordering de veroordeelde, op grond van het bepaalde in artikel 537 jo. 533 van het Wetboek van Strafvordering, aanspraak heeft op een vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van zijn vrijheidsbeneming. Hoewel de politierechter het niet ondenkbaar acht dat een ernstige overschrijding van de hiervoor genoemde termijn onder omstandigheden kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is zij van oordeel dat zo’n situatie zich hier niet voordoet. De overschrijding van de termijn van ruim twee weken is naar het oordeel van de politierechter te gering om daaraan de verstrekkende consequentie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te verbinden. Er kan daarom worden volstaan met de constatering dat de vordering niet tijdig is ingediend. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vordering.

Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

De politierechter overweegt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling op grond van artikel 6:6:21 Sv geheel of gedeeltelijk kan worden herroepen indien veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de volgende bijzondere voorwaarden:

  • -

    opname in een zorginstelling/klinische behandeling en aansluiting op elektronisch toezicht buiten het terrein van de instelling;

  • -

    overige voorwaarden het gedrag betreffende; het tonen van een open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot het toezicht en de behandeling.

Nadat de rechtbank op 6 november 2020 de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk heeft herroepen, omdat veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet heeft gehouden aan de voorwaarden (onder meer het niet houden aan regels en gemaakte afspraken en het doorknippen van de enkelband), heeft veroordeelde van de rechtbank nog een kans gekregen. De reclassering zag destijds nog mogelijkheden om met veroordeelde verder te gaan. Veroordeelde heeft naar het oordeel van de politierechter van deze kans onvoldoende gebruik gemaakt door zich na een officiële waarschuwing met betrekking tot het gebruik van zijn telefoon en zijn niet-open en -meewerkende houding ten aanzien van het toezicht en de behandeling te onttrekken aan de klinische behandeling bij [naam instelling] .

Gelet op het reclasseringsadvies en het advies van de deskundige ter terechtzitting, waaruit blijkt dat de reclassering geen basis ziet om de begeleiding of het toezicht van veroordeelde voort te zetten, ziet de politierechter reden om de vordering toe te wijzen. De politierechter ziet geen aanleiding de vordering slechts gedeeltelijk toe te wijzen. Nu klinische opname noodzakelijk is om het recidivegevaar in te perken, veroordeelde bewust ervoor heeft gekozen om niet mee te werken aan deze klinische opname en ook op de terechtzitting heeft laten blijken de noodzaak van klinische behandeling niet in te zien, bestaat er naar het oordeel van de politierechter geen ander alternatief dan het geheel herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De vordering wordt daarom toegewezen.

6 De beslissing

De politierechter:

- wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe;

- gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten voor de duur van 300 dagen;

- bepaalt dat, gelet op de beslissing van de rechter-commissaris tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling, de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt geacht te zijn hervat op de dag van de aanhouding als bedoeld in artikel 6:3:15 van het Wetboek van Strafvordering.


Deze beslissing is gegeven door mr. L.M.M. Heppe, politierechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Broere als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2021.