Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2478

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
9116890 \ AE VERZ 21-20 LH/1040
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoring van de arbeidsverhouding. Ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van werkgever, die is blijven aandringen op een ‘overstap’ naar een andere cao dan de in de arbeidsovereenkomst dynamisch geïncorporeerde, en die ten onrechte geen jarenlang vergoeding voor overwerk heeft willen betalen. Die opstelling vormde de oorsprong van de verstoring van de relatie tussen de directeur en de facilitair manager van werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0774
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 9116890 \ AE VERZ 21-20 LH/1040

Beschikking van 9 juni 2021

inzake

de stichting

[verzoekster] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [verzoekster] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. B.K. van de Ven-Meier,

tegen:

[verweerster ] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verweerster ] ,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.H.J. van Geffen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

[verzoekster] heeft op 26 maart 2021 een verzoekschrift (met producties) ingediend. Zij wil dat de arbeidsovereenkomst van partijen wordt ontbonden.

1.2.

[verweerster ] heeft een verweerschrift (met producties) ingediend. In het geval dat de arbeidsovereenkomst zou worden ontbonden, maakt [verweerster ] onder meer aanspraak op de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Het verweerschrift bevat tevens een zelfstandig tegenverzoek.

1.3.

Voorafgaand aan de zitting hebben partijen nog nadere producties toegezonden. Aan de zijde van [verzoekster] gaat het om haar productie 26, aan de kant van [verweerster ] om haar producties 22 en 23.

1.4.

De zaak is behandeld ter zitting van 3 mei 2021. Voor [verzoekster] is verschenen mevrouw [A] , directeur, vergezeld door mr. Van de Ven-Meier. [verweerster ] is verschenen, vergezeld door mr. Van Geffen. Partijen hebben de standpunten nader toegelicht, mede aan de hand van de door hun gemachtigden overgelegde pleitaantekeningen. Partijen hebben geantwoord op vragen van de kantonrechter en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.5.

Daarna is partijen deze beschikking aangekondigd.

2 De feiten

2.1.

[verweerster ] , geboren op [1965] , is sinds 1 augustus 1997 in dienst van (een rechtsvoorganger van) [verzoekster] , een stichting die in [woonplaats] een poppodium exploiteert, werk biedt aan vijf werknemers en verder gebruik maakt van de diensten van zzp-ers en vrijwilligers. [verweerster ] heeft in de loop der tijd binnen (de rechtsvoorganger van) [verzoekster] verschillende functies vervuld. Aanvankelijk werkte zij als beheerder, daarna tevens als secretarieel medewerker, van 1 januari 2013 tot 1 april 2017 bekleedde zij de functie van boekhouder/beheerder, en vanaf 1 april 2017 was zij werkzaam als facilitair manager. Het laatstgenoten loon bedraagt € 3.422,-- bruto per maand (exclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering). De arbeidsovereenkomst heeft te gelden als voor onbepaalde tijd aangegaan.

2.2.

Op de arbeidsovereenkomst is de cao Sociaal Werk (aanvankelijk nog cao Welzijnswerk geheten) van toepassing verklaard. Het betreft een ‘dynamische’ incorporatie van de cao, in de zin dat partijen deze cao van toepassing hebben verklaard zoals deze bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst luidde althans zoals deze nadien, gedurende het dienstverband, zou komen te luiden.

2.3.

Sinds 2002 sluiten sociale partners in de poppodia-branche collectieve arbeidsovereenkomsten af voor de sector. De bepalingen van deze cao’s zijn niet algemeen verbindend verklaard. [verzoekster] is op enig moment lid geworden van Werkgeversvereniging Nederlandse Poppodia en -festivals (WNPF). WNPF is aan werkgeverszijde partij bij de cao Nederlandse poppodia en -festivals (hierna: de cao Poppodia). Met ingang van 1 januari 2017 past [verzoekster] de cao Poppodia toe op de arbeidsovereenkomsten met haar werknemers.

2.4.

Bij brief van 23 mei 2018 heeft [verzoekster] , in de persoon van mevrouw [A] , sinds medio oktober 2014 de directeur van [verzoekster] , aan [verweerster ] meegedeeld de arbeidsovereenkomst te willen aanpassen aan de cao Poppodia. Haar functie zou dan die van coördinator onderhoud en beheer worden en het bijbehorende loon zou vanaf 1 januari 2018 € 3.037,32 bruto per maand bedragen. Ter ‘compensatie voor de bevriezing van de lonen’ zou in 2018 eenmalig een extra maandsalaris bruto worden uitgekeerd, zo stelde [verzoekster] voor, daaraan toevoegend: ‘Hiermee vervallen aanspraken op nog eventuele overwerkuren van voor 1 januari 2018.’ [verweerster ] werd aan het einde van de brief bedankt voor haar ‘tomeloze inzet en werkhouding in de jaren rond de verhuizing en de opstart van het nieuwe podium’. [verweerster ] heeft niet willen instemmen met een verslechtering van haar arbeidsvoorwaarden; zij wenste [verzoekster] te houden aan de cao Sociaal Werk.

2.5.

[verzoekster] heeft in de loop der jaren, vanaf eind 2014, de collectieve loonsverhogingen in de cao Sociaal Werk jegens [verweerster ] niet doorgevoerd. Het salaris is ‘bevroren’. Partijen verschillen er niet over van mening dat met de opgelopen cao-loonachterstand een bedrag van € 22.426,99 bruto gemoeid was. [verzoekster] heeft aan [verweerster ] ook de vergoeding voor overwerk, waarop zij recht deed gelden, niet willen betalen. Partijen gaan er vanuit dat het in de jaren 2015 tot en met 2017 om ruim 900 overuren gaat en dat hiermee een bedrag van € 22.798,21 bruto correspondeert. [verzoekster] meende dat [verweerster ] overwerk in tijd had moeten compenseren, terwijl [verweerster ] zich op het standpunt stelde dat daarvoor vanwege werkdruk, verhuizing en onderbezetting nooit gelegenheid was. [verzoekster] betwistte dat.

2.6.

Partijen zijn lange tijd met elkaar in gesprek gebleven over de ‘overstap’ naar de cao Poppodia en de kwestie van de overwerkvergoeding, zonder dichter bij elkaar te komen. Dit heeft zijn weerslag gehad op de werkrelatie tussen [A] en [verweerster ] . Het vertrouwen dat zij in elkaar stelden nam na verloop van tijd steeds verder af en de kritiek over en weer nam toe. [A] verweet [verweerster ] zich als directeur te gedragen en collega’s bij haar geschil met [verzoekster] te betrekken, en [verweerster ] meende dat [A] vooral doende was haar het leven zuur te maken en een dossier tegen haar op te bouwen. Nadat [verweerster ] in maart 2017 al eens een gesprek met het bestuur van [verzoekster] had doen opnemen, heeft zij eind 2019 een gesprek met [A] (en mevrouw [B] ) opgenomen zonder haar daarover tevoren in te lichten; zij voelde zich door [A] eerder (in mei 2019) onheus bejegend en voelde zich alleen staan tegenover haar beide gesprekspartners. Ook heeft [verweerster ] geschermd met hetgeen zij zou weten van (vermeende) onregelmatigheden die omstreeks 2016/2017, toen [verzoekster] financieel in zwaar weer verkeerde en van gemeentelijke steun afhankelijk was, zouden hebben plaatsgevonden. Na een gesprek van 2 juli 2020 (waarin [verzoekster] zich door haar advocaat en [verweerster ] zich door iemand van FNV Kunstenbond liet bijstaan) - heeft [verzoekster] aan [verweerster ] haar taak van het beheer van de kluis ontnomen nadat was gebleken dat [verweerster ] de kas telkens controleerde, omdat zij vreesde dat [A] een kastekort zou ensceneren en haar daarvan dan de schuld zou geven. In het gesprek van 2 juli 2020 toonde [A] zich ook ontevreden over het functioneren van [verweerster ] . Zij zou zich vaak negatief (‘chagrijnig en kattig’) opstellen jegens schoolverlaters en een stagiaire, een keer wiet uit de drugskluis hebben gepakt, buiten het gebouw van [verzoekster] hebben gerookt en na een personeelsfeest in januari 2020 met enkele collega’s in het gebouw van [verzoekster] een ‘naborrel’ hebben gehouden.

2.7.

[verzoekster] heeft, met de loonbetaling over augustus 2020, het bedrag van € 22.426,99 bruto, ten titel van ‘de gemiste cao-verhogingen’, alsnog aan [verweerster ] betaald. Ook is [verzoekster] uiteindelijk het loon overeenkomstig de cao Sociaal Werk gaan betalen. Maar [verzoekster] bleef erbij dat [verweerster ] geen recht had op een vergoeding voor overwerk in de jaren 2015-2017.

2.8.

Op 12 oktober 2020, nadat het enkele dagen tevoren (bijna) tot een handgemeen met [A] was gekomen, heeft [verweerster ] zich ziek gemeld met spanningsklachten. Vanwege een mediation is zij, ook nadat zij per 19 november 2020 hersteld was, vrijgesteld van werk. Toen de mediation eind januari 2021 zonder resultaat geëindigd was, heeft [verzoekster] haar niet meer tot het werk toegelaten, omdat besloten was tot indiening van onderhavig ontbindingsverzoek. Inmiddels had [verzoekster] , vanwege de overheidsmaatregelen ter voorkoming van de verspreiding van het coronavirus, vanaf medio maart 2020 haar deuren tijdelijk moeten sluiten.

3 Het verzoek van [verzoekster]

3.1.

heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verweerster ] op korte termijn, zonder inachtneming van de opzegtermijn (van vier maanden), te ontbinden op de zogenoemde g-grond van artikel 7:669 lid 3 onder g Burgerlijk Wetboek (BW). [verzoekster] acht de arbeidsverhouding van partijen, in het bijzonder de werkrelatie tussen [verweerster ] en [A] , zodanig verstoord dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Zij voert daartoe aan dat [verweerster ] niet als goed werknemer heeft willen meewerken aan de overstap naar de cao Poppodia en dat zij aanspraak is blijven maken op overuren die zij in tijd had moeten compenseren, dat zij heimelijk haar gesprekken met [A] heeft opgenomen, dat zij collega’s bij haar conflict met [verzoekster] heeft betrokken, dat over de samenwerking met [verweerster ] is geklaagd ( [verzoekster] legt daartoe enkele schriftelijke verklaringen over), dat [verweerster ] bemoeizuchtig is en [A] ongevraagde adviezen geeft en dat [verweerster ] beticht van mogelijk frauduleus handelen in het verleden.

3.2.

[verzoekster] meent dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerster ] , zodat haar geen transitievergoeding of billijke vergoeding toekomt. [verzoekster] betwist dat [verweerster ] recht heeft op vergoeding voor overwerk.

4 Het standpunt van [verweerster ]

4.1.

refereert zich aan het oordeel van de kantonrechter over de toewijsbaarheid van het ontbindingsverzoek. Ze heeft geen plezier meer in het werk en beseft dat een voortzetting van het dienstverband onder de gegeven omstandigheden erg problematisch is. Dat de verhouding met [A] onder grote druk is komen te staan, hangt (behalve met onvrede over de functiewijziging per 1 april 2017) volgens [verweerster ] vooral samen met de wens van [verzoekster] om de cao Poppodia te gaan toepassen en de weigering van [verzoekster] om de verschuldigde overwerkvergoeding te voldoen. [verweerster ] heeft met de overstap naar een andere cao niet ingestemd, omdat zij er niet op achteruit wilde gaan. De handelwijze van [verzoekster] in verband met de verlangde wijziging van de arbeidsovereenkomst getuigt volgens [verweerster ] niet van goed werkgeverschap. [verzoekster] heeft zich voorts ten onrechte op het standpunt gesteld dat zij overuren in tijd had moeten compenseren, omdat de werkdruk en het personeelstekort jarenlang onderwerp van gesprek zijn geweest, maar [verweerster ] - die periodiek haar urenregistratie indiende - niet in de gelegenheid is gesteld om overwerk in tijd te compenseren (of ook maar haar vakantie op te nemen).

4.2.

In het geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst maakt [verweerster ] aanspraak op de wettelijke transitievergoeding (die zij, uitgaande van een ontbinding met ingang van 1 oktober 2021, begroot op € 32.246,89 bruto). Vanwege de ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoekster] verzoekt [verweerster ] tevens om toekenning van een billijke vergoeding, die zij - ervan uitgaande dat zij anders tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd (in maart 2033) bij [verzoekster] zou hebben gewerkt - begroot op € 481.742,04 bruto aan inkomens- en pensioenschade, € 10.000,-- (inclusief btw) aan advocaatkosten en € 5.000,-- netto aan immateriële schadevergoeding. Bij wege van zelfstandig tegenverzoek maakt [verweerster ] aanspraak op betaling door [verzoekster] van € 22.798,21 bruto aan overwerkvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens niet tijdige betaling en met de wettelijke rente over deze nabetaling en over die wettelijke verhoging. Tevens vordert zij dat [verzoekster] wordt veroordeeld om aan haar de wettelijke verhoging te betalen over het bedrag aan achterstallig salaris van € 22.426,99 bruto dat in augustus 2020 aan haar is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat laatstgenoemd bedrag en over die wettelijke verhoging.

5 De beoordeling

5.1.

Het gaat in dit geding allereerst om de vraag of er sprake is van een redelijke grond voor de door [verzoekster] verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster ] . [verzoekster] heeft aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag gelegd dat de arbeidsverhouding van partijen zodanig is verstoord dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met [verweerster ] te laten voortduren. Waar [verzoekster] zich in het kader van haar onderbouwing van deze ‘g-grond’ mede heeft gebaseerd op feiten of omstandigheden waaraan zij - kennelijk - de conclusie verbindt dat [verweerster ] niet langer geschikt is tot het verrichten van de bedongen arbeid, zal de kantonrechter hieraan voorbij gaan en deze niet laten meewegen bij de beantwoording van de vraag naar (aard en oorzaak van) de verstoring van de arbeidsverhouding. Op de zogenoemde d-grond (ongeschiktheid voor de functie of onvoldoende functioneren) heeft [verzoekster] haar ontbindingsverzoek immers niet mede gebaseerd. Van gestructureerde functioneringsgesprekken is niet gebleken. Bovendien is niet gesteld dat [verzoekster] [verweerster ] , overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:669 lid 3 onder d BW, tijdig in kennis heeft gesteld van tekortkomingen in haar functioneren als facilitair manager en dat - voor zover zij wel door [A] op bepaalde gedragingen is aangesproken - dit geen effect zou hebben gesorteerd. Kennelijk is [verzoekster] ertoe overgegaan [verweerster ] van bepaalde taken te ontheffen zodra er signalen waren dat er mogelijk reden was om te veronderstellen dat daarop kritiek zou kunnen zijn. Evenmin heeft [verzoekster] gewag gemaakt van enig verbetertraject, waarin [verweerster ] in de gelegenheid zou zijn gesteld haar functioneren te verbeteren. Hoe [verweerster ] zou zijn omgegaan met schoolverlaters, stagiaires, vrienden en bekenden, en wat zij deed met camerabeelden, kan hier dan ook in het midden blijven. Ook de discussie over de vraag of [verweerster ] in strijd met het rook-, drugs- of alcoholbeleid van [verzoekster] heeft gehandeld, speelt in dit geding geen rol. De door [verzoekster] in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van (onder meer) collega’s blijven buiten beschouwing, omdat niet is gebleken dat [verzoekster] [verweerster ] met de daarin gereleveerde feiten heeft geconfronteerd of dat - als dat wel is gebeurd - diezelfde gedragingen zich daarna opnieuw hebben voorgedaan. In dat verband merkt de kantonrechter op dat de bedoelde verklaringen dateren van kort vóór de indiening van het verzoekschrift, toen [verweerster ] al enige tijd op non-actief was gesteld. Alvorens toe te komen aan de beoordeling van de wél door [verzoekster] aangevoerde ontbindingsgrond nog dit: blijkbaar heeft [verzoekster] zich gestoord aan de wijze waarop de partner van [verweerster ] invulling heeft gegeven aan zijn steun aan haar. Daaraan komt hier naar het oordeel van de kantonrechter geen zelfstandige betekenis toe, omdat - voor zover de communicatie met [verzoekster] al van hem afkomstig is - dit aan [verweerster ] is toe te rekenen en moet worden geplaatst in de context van de ontwikkeling die de arbeidsrelatie van partijen in de loop der tijd heeft doorgemaakt.

5.2.

Uit wat partijen over en weer hebben gesteld, en uit hetgeen ook ter zitting over de onderlinge relatie tussen [A] en [verweerster ] is gebleken, concludeert de kantonrechter dat de arbeidsverhouding van partijen in de loop van 2019 en 2020 zodanig verstoord is geraakt, en uiteindelijk in oktober 2020 zo is geëscaleerd, dat in redelijkheid niet mag worden verwacht dat [A] en [verweerster ] nog tot een vruchtbare samenwerking zullen kunnen komen. Gesprekken, ook met de raadslieden, hebben de lucht niet geklaard, het onderlinge wantrouwen is alleen maar toegenomen, en de beproefde mediation is mislukt. Aan de arbeidsovereenkomst van partijen zal dan ook na ruim 24 jaar, nu herplaatsing binnen de setting van het popodium niet in de rede ligt, een einde moeten komen.

5.3.

De vraag waarop het partijdebat zich heeft toegespitst, en die de financiële afwikkeling van de arbeidsovereenkomst bepaalt, is of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een der partijen. Over en weer maken partijen elkaar een dergelijk ernstig verwijt. Beiden verwijten zij de ander in dat kader schending van het bepaalde in artikel 7:611 BW, inhoudende dat de partijen bij de arbeidsovereenkomst verplicht zijn zich als een goed werkgever en goed werknemer te gedragen. De kantonrechter komt op basis van hetgeen partijen hebben aangevoerd tot het oordeel dat de verstoring van de arbeidsverhouding zijn oorsprong vindt in het geschil over de door [verzoekster] gewenste ‘overstap’ naar de cao Poppodia en - in het verlengde daarvan - over de door [verweerster ] geclaimde vergoeding voor overwerk. Daar is de kiem gelegd die uiteindelijk, nadat in de jaren tussen 1997 en 2018 kennelijk van een goede verstandhouding tussen [verweerster ] en haar leidinggevenden heeft bestaan, tot een onwerkbare situatie tussen de huidige directeur en de facilitair manager van [verzoekster] heeft geleid. Het komt er, bij de beoordeling van de vraag naar het goed werkgever- en werknemerschap, dan ook aan op aan hoe partijen zich in dat arbeidsvoorwaardelijke geschil jegens elkaar hebben opgesteld en door wier toedoen dit zakelijke geschil de collegiale relatie zo heeft kunnen ondermijnen. De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende.

5.4.

Allereerst de kwestie van de door [verzoekster] voorgestane ‘overstap’ naar de cao Poppodium. Nadat de in de arbeidsovereenkomst geïncorporeerde cao Sociaal Werk jarenlang was nageleefd, is [verzoekster] er in de loop van 2014 mee gestopt om de periodieke cao-loonsverhogingen aan [verweerster ] ten goede te laten komen. Waar [verzoekster] stelt dat [verweerster ] in oktober 2015 zelf heeft afgezien van salarisverhogingen, miskent zij dat [verweerster ] zich op dat moment, vanwege de toenmalige benarde financiële situatie van haar werkgever, bereid heeft verklaard om de verhogingen uit te stellen en later - ‘al dan niet met terugwerkende kracht’ - alsnog door te voeren. Anders dan [verzoekster] meent, is dat geen afstand van haar recht op de collectieve loonsverhogingen. Niet in geschil is dat [verzoekster] daarna (in 2017 en 2018) goede jaren heeft gekend, maar tot het alsnog met terugwerkende kracht doorvoeren van de cao-loonsverhogingen is zij niet overgegaan.

5.5.

[verzoekster] heeft blijkbaar in of omstreeks 2017 besloten zich aan te sluiten bij de werkgeversvereniging die partij is bij de cao Poppodia, de WNPF, en die cao met ingang van 1 januari 2017 te gaan toepassen. In haar e-mail van 20 december 2018 (productie 4 bij het verweerschrift) maakte [A] melding van een ‘bestuursbesluit (van) al ruim een jaar geleden’. Tussen partijen is thans niet meer in geschil dat [verzoekster] jegens [verweerster ] onverminderd gehouden bleef om de cao Sociaal Werk toe te passen, voor zover deze voor haar als werknemer gunstiger was. Ter zitting heeft de gemachtigde van [verzoekster] verklaard dat inderdaad de cao Sociaal Werk tussen partijen van toepassing is gebleven. Uiteindelijk heeft [verzoekster] de onbetaald gelaten loonsverhogingen, zij het pas in augustus 2020, ook aan [verweerster ] voldaan. Maar het heeft dus jaren geduurd voordat [verzoekster] tot dit besef is gekomen. Bij gebreke van een eenzijdige wijzigingsbeding (als bedoeld in artikel 7:613 BW) had het op de weg van [verzoekster] gelegen om, overeenkomstig de in de rechtspraak op basis van artikel 7:611 BW daarvoor ontwikkelde regels (verwezen wordt naar Hoge Raad 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847, inzake [naam] /Mammoet), aan [verweerster ] een redelijk voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst te doen. Dat is niet gebeurd. [verzoekster] heeft in 2017 eenzijdig besloten om de cao Poppodia te gaan toepassen en heeft dat bij brief van 23 mei 2018 als voldongen feit gepresenteerd. [verzoekster] heeft daarbij de belangen van [verweerster ] niet kenbaar meegewogen en haar eigen (werkgevers)belang bij harmonisatie van arbeidsvoorwaarden, nadat [verweerster ] dit gemotiveerd had gerelativeerd (vgl. productie 4 bij het verzoekschrift, tweede pagina), niet nader onderbouwd. [verweerster ] heeft zich dan ook op goede gronden tegen de ‘overstap’ naar de cao Poppodia verzet. Van strijd met goed werknemerschap was stellig geen sprake. Het was daarentegen [verzoekster] die niet als goed werkgever heeft gehandeld. Van het jarenlang onbetaald laten van cao-loonsverhogingen treft haar een ernstig verwijt. Het heeft de arbeidsverhouding nodeloos onder druk gezet.

5.6.

Dan de kwestie van de overwerkvergoeding. Tegen de claim van [verweerster ] , tot vergoeding van honderden in de jaren 2015-2017 gemaakte overuren, heeft [verzoekster] zich aanvankelijk mede verweerd met de stelling dat die overuren niet (althans niet in opdracht van [verzoekster] ) zouden zijn gemaakt. In dit geding heeft [verzoekster] dit verweer laten varen, waar zij (bij verzoekschrift, onder 25) - met [verweerster ] - uitgaat van het door haar gestelde aantal overuren. Niet betwist is dat het hierbij gaat om een bedrag van € 22.798,21 bruto. Bij het geschil over de verschuldigdheid van dit bedrag draait het om de vraag of [verzoekster] van [verweerster ] mocht verlangen dat zij het overwerk in tijd compenseerde. Tussen partijen is niet in geschil dat in de jaren 2015-2017 binnen [verzoekster] geen schriftelijke overwerkregeling bestond. Pas de cao Sociaal Werk 2019-2021 kent hieromtrent een voorziening. In artikel 5.2 onder D van die cao is bepaald: ‘Indien extra gewerkte uren worden uitbetaald in vrije tijd, moet dit schriftelijk worden vastgelegd. Bij een vergoeding in tijd stelt de werkgever de werknemer in de gelegenheid om deze uren in overleg en uiterlijk voor 1 juli van het volgende kalenderjaar in de vorm van doorbetaalde uren vrije tijd op te nemen.’ Tussen partijen is, voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze cao-regeling maar aansluitend bij de tweede volzin van die cao-bepaling, ook steeds het uitgangspunt geweest dat overwerk zoveel mogelijk in tijd zou worden gecompenseerd. De praktijk was evenwel dat [verweerster ] daartoe wegens drukte en onderbezetting geen kans zag. Zij heeft dit steeds aan haar leidinggevende kenbaar gemaakt (en periodiek haar urenregistraties ingediend), zonder dat [verzoekster] in overleg met haar maatregelen nam die het haar mogelijk maakten om het overwerk in tijd te compenseren. [verweerster ] is aldus met de onmogelijkheid van compensatie blijven zitten en [verzoekster] heeft niet of nauwelijks invulling gegeven aan haar werkgeversrol. Daarvan treft haar een ernstig verwijt.

5.7.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de oorsprong van de verstoring van de arbeidsverhouding bij [verzoekster] lag en dat daarbij aan haar zijde sprake is geweest van ernstige verwijtbaarheid. In de loop van de afgelopen jaren is de relatie tussen [A] en [verweerster ] verder geëscaleerd. Dat ook de opstelling van [verweerster ] daaraan op den duur heeft bijgedragen doet aan de ernstige verwijtbaarheid aan de kant van [verzoekster] niet af. Op basis van wat partijen over en weer hebben aangevoerd, concludeert de kantonrechter dat - ook - [verweerster ] enig verwijt treft, maar dat aan haar zijde niet kan worden gesproken van ernstige verwijtbaarheid. [verweerster ] had geen gesprekken met het bestuur en de directeur van [verzoekster] mogen opnemen, zonder dit vooraf te melden. Dat [verzoekster] dit steekt, is begrijpelijk omdat ook in een arbeidsrelatie gespreksdeelnemers vrijuit moeten kunnen spreken, maar dat zij daartoe is overgegaan moet wel worden geplaatst binnen de context van de verslechterde arbeidsrelatie. Anders dan [verzoekster] ter zitting heeft gesteld (haar gemachtigde noemde het opnemen van gesprekken ‘het startschot’ van de verstoring), oordeelt de kantonrechter dat de arbeidsverhouding al verstoord is geraakt voordat [verzoekster] van de geluidsopnames bleek.

5.8.

Ook het verwijt van [verzoekster] , dat [verweerster ] haar heeft beticht van mogelijk ‘frauduleuze’ handelingen, moet worden gerelativeerd, niet alleen vanwege de inhoud van die beschuldiging (het ging om de vraag naar de statutaire samenstelling van het bestuur), maar ook gezien de context waarin deze is gedaan. Kennelijk zit er bij [verweerster ] nog altijd veel ‘oud zeer’ waar het haar functiewijziging per 1 april 2017 betreft. Van haar had mogen worden verwacht dat zij zich bij die gedane zaak op den duur had neergelegd. Dat zij daarop is teruggekomen toen de relatie met [A] onder druk kwam te staan, neemt [verzoekster] haar daarom terecht kwalijk. Evenwel is niet aannemelijk gemaakt dat van een bedreiging met het openbaar maken van ‘onregelmatigheden’ of van ‘chantage’ sprake geweest.

5.9.

Aan [verweerster ] komt bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst derhalve (naast de wettelijke transitievergoeding) een billijke vergoeding in de zin van artikel 7:671b lid 9 onder c BW toe. Deze billijke vergoeding moet worden begroot volgens de daarvoor in de rechtspraak (in en na het ‘New Hairstyle’-arrest in HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187) ontwikkelde regels. Bij de vaststelling van de billijke vergoeding gaat het erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding kan mede worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de arbeidsovereenkomst zou hebben kunnen voortduren. Anders dan [verweerster ] meent, kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat zij tot haar pensioen bij [verzoekster] zou zijn blijven werken. Daarvoor is de (financiële) toekomst van de branche, ook vanwege de gevolgen van de coronapandemie, te onzeker. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat [verweerster ] geacht moet worden binnen twee jaren in staat te zijn een andere, vergelijkbare baan elders te kunnen verwerven. Weliswaar zal het moeilijk zijn om weer in de muziekevenementenbranche aan de slag te gaan, maar nu [verweerster ] ruime ervaring heeft opgedaan met het aansturen van zzp-ers en vrijwilligers hoeven haar kansen op de arbeidsmarkt niet zo somber te worden ingeschat als haar gemachtigde bij verweerschrift (onder 92) - overigens zonder nadere onderbouwing - heeft gedaan. Niet in geschil is dat [verweerster ] , rekening houdend met een het recht op een werkloosheidsuitkering, gedurende de eerste twee jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst een inkomensverlies van ongeveer € 28.500,-- bruto zal lijden (vgl. productie 21 bij het verweerschrift). Met de door [verweerster ] niet begrote pensioenschade zal de kantonrechter slechts in afrondende zin rekening houden, in die zin dat zal worden uitgegaan van - afgerond - € 30.000,-- bruto aan inkomens- en pensioenschade; voor een nadere uitlating over de pensioenschade, zoals ter zitting aangeboden, wordt [verweerster ] niet meer in de gelegenheid gesteld. Met alleen de vergoeding voor inkomensschade wordt naar het oordeel van de kantonrechter nog onvoldoende recht gedaan aan de mate van verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoekster] . Dat rechtvaardigt een verhoging van de billijke vergoeding met nog eens € 10.000,-- bruto.

5.10.

[verweerster ] heeft betoogd dat bij de begroting van de billijke vergoeding tevens rekening moet worden gehouden met € 10.000,-- aan advocaatkosten. Nu [verzoekster] in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld, ziet de kantonrechter reden om dit bedrag in de vaststelling van de bruto billijke vergoeding te betrekken. Daarmee komt de billijke vergoeding uit op € 50.000,-- bruto.

5.11.

Waar [verweerster ] voorts aanspraak heeft gemaakt op smartengeld, heeft zij dit deel van haar verzoek onvoldoende onderbouwd. Niet gesteld of gebleken is dat zij door de handelwijze van [verzoekster] zodanige immateriële schade heeft geleden dat hiervoor een vergoeding op z’n plaats zou zijn.

5.12.

[verzoekster] zal aldus worden veroordeeld om in het kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst van partijen aan [verweerster ] een billijke vergoeding van € 50.000,-- bruto te voldoen. Voor een neerwaartse bijstelling van deze billijke vergoeding vanwege het verwijt dat blijkens hetgeen hierboven is overwogen ook [verweerster ] treft, ziet de kantonrechter geen reden, omdat dit slechts in betrekkelijk geringe mate tot de verstoring van de arbeidsverhouding heeft bijgedragen.

5.13.

Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt, met toepassing van het bepaalde in artikel 7:671b lid 9, aanhef en onder a en b BW en nu geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerster ] maar wel aan de kant van [verzoekster] , met inachtneming van de opzegtermijn van vier maanden, bepaald op 1 november 2021. De wettelijke transitievergoeding komt hiermee op € 32.357,28 bruto.

5.14.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 7:686a lid 6 BW wordt [verzoekster] in de gelegenheid gesteld haar ontbindingsverzoek in te trekken. Indien zij van die gelegenheid gebruik maakt, blijft de arbeidsovereenkomst van partijen voortduren. De kantonrechter wijst erop dat [verzoekster] uiteraard met tijdige intrekking van haar verzoek niet ontkomt aan de gevolgen van de hierna volgende beslissing op het zelfstandig tegenverzoek van [verweerster ] .

5.15.

Uit hetgeen hierboven is overwogen omtrent de kwestie van het overwerk volgt dat [verzoekster] aan [verweerster ] het bedrag van € 22.798,21 bruto aan overwerkvergoeding verschuldigd is. De wettelijke verhoging wegens te late betaling van dit bedrag wordt gesteld op 10%. De wettelijke rente over het bedrag van € 25.078,03 is toewijsbaar. Nu [verweerster ] zich over het moment van verschuldigdheid van de overwerkvergoeding over de jaren 2015-2017 niet heeft uitgelaten, wordt die wettelijke rente toegewezen vanaf 1 januari 2018 tot de voldoening.

5.16.

De wettelijke verhoging over het in augustus 2020 door [verzoekster] nabetaalde bedrag van € 22.426,99 bruto aan achterstallige cao-loonsverhogingen wordt gesteld op nihil, omdat [verweerster ] tot aan die betaling harerzijds heeft gedraald met het instellen van de betreffende vordering. De vordering tot betaling van de wettelijke verhoging over laatstgenoemd bedrag wordt dan ook afgewezen. De gevorderde wettelijke rente over deze inmiddels voldane loonachterstand deelt ditzelfde lot, nu [verweerster ] zich over het moment van verschuldigdheid van de onderscheiden delen van die achterstand niet heeft uitgelaten.

5.17.

[verzoekster] wordt, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten aan de zijde [verweerster ] . Deze kosten worden begroot op nihil, omdat het salaris voor de gemachtigde van [verweerster ] onderdeel is van de opgevoerde advocaatkosten en deze bij de begroting van de billijke vergoeding reeds zijn betrokken.

6 De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van de ontbinding:

6.1.

stelt [verzoekster] in de gelegenheid uiterlijk 23 juni 2021 het ontbindingsverzoek in te trekken;

6.2.

voor het geval [verzoekster] het verzoek niet tijdig intrekt:

a. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen;

b. bepaalt het einde van de arbeidsovereenkomst op 1 november 2021;

c. veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerster ] een transitievergoeding van € 32.357,28 bruto te betalen;

d. veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerster ] een billijke vergoeding van € 50.000,-- bruto te betalen;

en wijst af het over en weer meer of anders verzochte;

ten aanzien van de nevenvordering:

6.3.

veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerster ] tegen bewijs van kwijting te betalen € 25.078,03 aan overwerkvergoeding en wettelijke verhoging, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2018 tot de voldoening;

en voorts:

6.4.

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verweerster ] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil;

6.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst het meer of anders verzochte of gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2021.