Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2475

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
C/16/498889 / HA ZA 20-165
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst. Art. 21 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/498889 / HA ZA 20-165

Vonnis van 19 mei 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat mr. J. van Ravenhorst te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat mr. J.P.H. Jacobs te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord en van voorwaardelijke eis in reconventie

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in voorwaardelijke reconventie

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in voorwaardelijke reconventie

- de conclusie van dupliek in voorwaardelijke reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

Wat is er gebeurd?

2.1.

[eiser] en [gedaagde] deden in de afgelopen jaren regelmatig zaken met elkaar. Daarbij kochten zij beleggingsobjecten en voerden daarvan het beheer. [eiser] handelde daarbij soms via de besloten vennootschap waarvan hij bestuurder is: [bedrijfsnaam] B.V. Elke vordering van [bedrijfsnaam] B.V. op [gedaagde] is gecedeerd aan [eiser] , zodat [eiser] bevoegd is tot incasso ervan.

2.2.

[gedaagde] verstrekte in 2008 twee maal een lening van € 250.000,00 aan [eiser] , mede vanwege het vooruitzicht op hun samenwerking.

2.3.

[eiser] en [gedaagde] werden op 17 december 2009 gezamenlijk eigenaar van het [naam winkelcentrum] in [plaatsnaam] . Dat is een winkelcentrum met de winkels op de begane grond en op de eerste tot en met vijfde verdieping zijn woningen (appartementen). In de kelder is voor elk van de woningen een berging beschikbaar.

2.4.

[eiser] en [gedaagde] besloten tot het beëindigen van hun gezamenlijke projecten. [eiser] verkocht zijn onverdeelde helft van het [naam winkelcentrum] aan [gedaagde] . De levering van de onverdeelde helft van [eiser] aan [gedaagde] vond plaats in twee delen/tranches. Het eerste deel leverde [eiser] op 27 mei 2014 en dat waren de appartementsrechten op de begane grond (de winkels) en de bergingen in de kelder. Een koopovereenkomst van 13 november 2015 voor het tweede deel, de woningen, werd niet uitgevoerd. Op 21 juli 2016 sloten zij daarom een tweede overeenkomst en op 17 augustus 2016 vond de uitvoering/levering plaats.

2.5.

Voor de eindafrekening van het [naam winkelcentrum] moest nog een staat van baten en lasten worden opgemaakt en geaccordeerd. Ten behoeve van de afrekening van die staat van baten en lasten stortte [gedaagde] op 4 oktober 2016 € 200.000,00 in depot. In december 2017 hebben [eiser] en [gedaagde] uit het depot elk € 100.000,00 opgenomen, waardoor dit depot is komen te vervallen.

Wat zijn de eisen?

2.6.

[eiser] eist betaling van € 712.407,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten waaronder de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

2.7.

[gedaagde] verweert zich tegen de eisen van [eiser] .

2.8.

Indien de rechtbank enige vordering van [eiser] toewijst, eist [gedaagde] in voorwaardelijke reconventie betaling van € 41.371,00 en van € 100.000,00, vermeerderd met wettelijke rente en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten waaronder de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

De beoordeling

2.9.

[eiser] onderbouwt zijn eisen als volgt.

[eiser] verwijst ten eerste naar de geldleningsovereenkomst: “over het bedrag van de lening of het onafgeloste gedeelte ervan (…) zal geen rente verschuldigd zijn”. [eiser] stelt dat hij dus ten onrechte € 474.722,00 aan rente betaalde aan [gedaagde] .

[eiser] stelt ten tweede dat [gedaagde] voor de exploitatie van het [naam winkelcentrum] ten onrechte € 100.731,00 afgeboekte van de kapitaalrekening. [gedaagde] zegt wel dat dat bedrag is afgeboekt vanwege kosten van de maatschap, maar [eiser] betwist dat. Na verrekening met een schuld van [eiser] aan [gedaagde] van € 41.371,00 resteert voor [gedaagde] te betalen aan [eiser] : € 59.360,00.

Ten derde stelt [eiser] dat [gedaagde] hem moet betalen vanwege de exploitatie van de woningen in het [naam winkelcentrum] . [eiser] / [bedrijfsnaam] droeg immers in zijn eentje de (rente)lasten, terwijl [gedaagde] wel de helft kreeg van de (huur)opbrengsten van het bedrijf. Volgens [eiser] klopt dat niet en moet [gedaagde] hem daarom die helft van de opbrengsten, van € 78.325,00, terugbetalen.

Tot slot stelt [eiser] dat hij nog geld krijgt voor de bergingen in de kelder van [naam winkelcentrum] . Volgens [eiser] zijn op 27 mei 2014 naast de winkelruimtes per abuis ook die bergingen geleverd. Dat was niet de bedoeling, omdat de bergingen immers functioneel verbonden zijn aan de woningen. Aan [eiser] komt daarom nog toe de helft van de waarde van de bergingen van € 200.000,00, dus € 1000.000,00. Met die waarde is in het tweede deel, bij de levering van de woningen, namelijk geen rekening gehouden.

2.10.

Als meest ver strekkende verweer wijst [gedaagde] op de overeenkomst inzake de staat van baten en lasten die hij op 19 juli 2016 sloot met [eiser] , die ook optrad namens [bedrijfsnaam] B.V. [gedaagde] legt deze overeenkomst over. Daarin staat onder meer:

“Komen overeen als volgt:

Slotafrekening winkels tot datum levering;

Slotafrekening woningen, inclusief de woning van [bedrijfsnaam] per 1 oktober 2016;

[gedaagde] keert wegens correctie investeringen en door hem verrichte werkzaamheden uit aan [eiser] € 30.000,00 (…);

[eiser] ontvangt/ betaalt dus de helft saldo baten en lasten en ontvangt het bedrag van (…) € 30.000,00.

[eiser] zal uiterlijk per 1 oktober 2016 de hypothecaire verplichtingen van de [straatnaam 1] [nummeraanduiding] aflossen.

Het verschuldigde over de periode van 1 december 2014 tot en met 30 september 2016 bedraag (…) € 1.144.195,92 inclusief boete en rente. Verder is [eiser] geen boete verschuldigd.

Eventueel nog een bedrag aan rente die vervallen is voor 1 december 2014,

[eiser] is bevoegd het eventueel aan hem toekomend saldo van de staat van baten en lasten te verrekenen per 1 oktober 2016 met hetgeen hij verschuldigd is per die datum wegens voornoemde aflossing.

Partijen zullen de staat van baten en lasten opmaken en vaststellen voor de leveringen uit de nog te tekenen overeenkomst met betrekking tot de [straatnaam 2] te [plaatsnaam] [het [naam winkelcentrum] , toevoeging Rechtbank].

Mocht dit niet lukken dan vindt verrekening plaats ten behoeve van het over en weer erkende bedrag en ten aanzien van het betwiste bedrag mag [eiser] het bedrag van maximaal (…) € 200.000,00 de aflossing opschorten

Hij zal een dergelijk bedrag in depot bij de notaris storten opdat de hypotheek kan worden doorgehaald.

Na effectuering van bovenstaande verlenen partijen elkaar kwijting en decharge.”

2.11.

Op 21 juli 2016 sloten [eiser] , mede namens [bedrijfsnaam] B.V., en [gedaagde] een overeenkomst voor de verkoop van het tweede deel van [naam winkelcentrum] ( de woningen) aan [gedaagde] . [gedaagde] legt deze overeenkomst over. In de overeenkomst staat onder meer:

“ PREAMBULE

Met het sluiten van deze overeenkomst beogen partijen de bestaande onverdeeldheid te beëindigen en daarbij tevens de eerdere financieringen en hypothecaire geldleningen (zowel die verstrekt door FGH als die verstrekt door partij [eiser] en [gedaagde] aan [bedrijfsnaam] BV) integraal af te wikkelen zodat partijen na de levering van na te melden onroerende zaken en na effectuering van de op te maken staat van baten en lasten niets meer van elkaar hebben te vorderen. Ten aanzien van de nog op te maken staat van baten en lasten hebben partijen op 19 juli 2016 een overeenkomst getekend.”

2.12.

Volgens [gedaagde] volgt uit de overeenkomst van 19 juli 2016 dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben. Dat blijkt ook uit de overeenkomst van 21 juli 2016; zij wilden een integrale afwikkeling. Uitsluitend uit een staat van baten en lasten konden nog verplichtingen voortvloeien. Het in depot gestorte bedrag is verdeeld en daarmee kwamen volgens [gedaagde] alle vorderingen over en weer te vervallen: na effectuering verlenen partijen elkaar kwijting, dat staat ook in de depotovereenkomst.

2.13.

Vooraf merkt de rechtbank op dat opvalt dat [eiser] , die de eis instelt, nalaat in zijn dagvaarding melding te maken van de overeenkomsten met [gedaagde] van 19 en 21 juli 2016. Deze overeenkomsten zijn evenmin bij de dagvaarding in het geding gebracht, terwijl deze van belang zijn bij de beoordeling van dit geschil. [eiser] noemt in zijn dagvaarding niet dat afspraken zijn gemaakt en een depotstorting plaatsvond in het kader van deze zakelijke afwikkeling. Pas bij de conclusie van antwoord van [gedaagde] wordt dat duidelijk. Op geen moment in de procedure maakt [eiser] duidelijk waarom hij naliet deze relevante feiten in de dagvaarding aan te voeren. Naar het oordeel van de rechtbank handelt [eiser] in strijd met artikel 21 Wetboek van Rechtsvordering. Nu volgt de inhoudelijke beoordeling.

2.14.

[eiser] voert aan dat nog steeds de staat van baten en lasten moet worden afgemaakt en geaccordeerd. Slechts als voorlopige oplossing was aan ieder de helft van het depot uitgekeerd, vanwege een behoefte aan liquiditeit, maar daarmee was geen eindsituatie ontstaan. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst [eiser] op een e-mail van de notaris van 4 december 2017 aan [eiser] en [gedaagde] . Daarin staat: “De heer [eiser] vertelde mij vanochtend dat u hebt besloten om het depot van 200.000 euro op te heffen. Aan ieder van u zou uit het depot 100.000 toekomen. Nadat ik van ieder van u een akkoord heb ontvangen, wordt het depot conform bovenstaande uitgeboekt. Van de heer [gedaagde] ontvang ik nog graag een bankrekeningnummer.”

2.15.

[eiser] weerspreekt daarmee onvoldoende het verweer van [gedaagde] dat met de uitkering uit het depot de financiële zaken tussen hen zijn afgewikkeld, tegen finale kwijting. [eiser] betwist niet dat met de overeenkomst van 19 juli 2016 bedoeld werd een integrale afwikkeling van hun vorderingen te bewerkstelligen. Dat doel van de overeenkomst staat dus vast. De preambule bij de depotovereenkomst van 21 juli 2016 bevestigt ook dat doel.

De overeenkomst van 19 juli 2016 vereist dat een staat van baten en lasten is opgemaakt op het moment van levering van het tweede deel van het [naam winkelcentrum] . Duidelijk is dat er nooit een door beide partijen geaccordeerde staat van baten en lasten is gekomen. Volgens de overeenkomst mag [eiser] betaling van € 200.000,00 opschorten en dat wordt in depot gestort.

[eiser] legt niet uit waaróm de verdeling van het depot geen eindsituatie tot stand brengt. Beide partijen vroegen immers aan de notaris dit uit te keren, aan ieder de helft. Dat volgt uit de zojuist geciteerde e-mail van de notaris van 4 december 2017 en uit de uitbetalingen die daarop volgden. Die e-mail bevat, in tegenstelling tot wat [eiser] stelt, geen enkele aanwijzing dat het slechts “een ordemaatregel” betrof. Indien uitbetaling van het depot uitsluitend als doel zou hebben gehad om liquiditeitsproblemen op te vangen, zoals [eiser] stelt en [gedaagde] betwist, is niet goed voorstelbaar dat daarover dan niet expliciet is gecommuniceerd. Dat wijkt immers af van de eerder gemaakte, notarieel vastgelegde overeenkomsten die als doel hadden de verhoudingen finaal af te wikkelen, via de ‘tussenstap’ van het depot. [eiser] noemt echter niet een e-mail, telefoongesprek of wat dan ook, waaruit een voorlopig karakter van de betaling uit het depot zou kunnen blijken. Bij dupliek brengt [gedaagde] nog naar voren dat hij akkoord ging met de uitkering van het depot, wat volgens [gedaagde] volledig aan hem toebehoorde, om daarmee ‘het boek [eiser] ’ te kunnen afsluiten. Die stelling sluit aan bij de finale kwijting die in de overeenkomsten van 19 en 21 juli 2016 werd overeengekomen. Bij dit oordeel speelt ook een rol dat [eiser] in de dagvaarding geen melding maakte van de afspraken in juli 2016 en de verdeling van het depot. Ook dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de stelling dat de verdeling van het depot slechts een voorlopig karakter had. Het verweer slaagt.

2.16.

[gedaagde] stelt onbetwist dat met de overeenkomsten van 19 en 21 juli 2016 bedoeld is finale kwijting te verlenen voor al hun vorderingen. Al hetgeen [eiser] vordert zal daarom worden afgewezen.

2.17.

De vorderingen van [eiser] behoeven geen verdere beoordeling. Wel wil de rechtbank wijzen op het op nóg een punt ontbreken van essentiële informatie in de dagvaarding. [eiser] vordert terugbetaling van de rente over een van [gedaagde] geleend bedrag van twee maal € 250.000,00. [eiser] onderbouwt die vordering met een verwijzing naar de geldleningsovereenkomst: “over het bedrag van de lening of het onafgeloste gedeelte ervan (…) zal geen rente verschuldigd zijn”.

2.18.

[gedaagde] weerspreekt niet dat dit in de overeenkomst zo is opgenomen. [gedaagde] wijst erop dat in de overeenkomst ook staat: “partijen kunnen echter ten allen tijde in onderling overleg een rentepercentage vaststellen”. Volgens [gedaagde] is een afwijkende afspraak gemaakt toen [eiser] de lening op het afgesproken moment (14 februari 2009) niet aan hem kon terugbetalen. [eiser] stelde toen voor dat hij met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2008 een rente zou betalen van 15% per jaar. Daarmee ging [gedaagde] akkoord.

Ter onderbouwing van dit verweer legt [gedaagde] drie handgeschreven renteberekeningen over. Volgens [gedaagde] stelde [eiser] deze op en faxte hij ze aan [gedaagde] . Bovenaan de faxberichten staat naast de datum, het tijdstip en een telefoonnummer “ [bedrijfsnaam] ”. De berekeningen laten een rente zien van 15% over € 500.000,00 vanaf 1 september 2008. Ze zijn gefaxt op 9 december 2010 (rente berekend tot en met 1 april 2011), op 31 december 2012 (rente berekend tot dat moment) en op 11 september 2014 (rente berekend tot en met 27 mei 2014).

2.19.

[eiser] weerspreekt niet dat de geschreven renteberekeningen van zijn hand zijn en dat hij ze aan [gedaagde] faxte. Bovendien is duidelijk dat [eiser] de rente door middel van verrekening op 27 mei 2014 betaalde. [eiser] weerspreekt evenmin de door [gedaagde] geschetste omstandigheden waaronder de regeling voor de rente tot stand zou zijn gekomen. [eiser] voert slechts aan dat de afspraak niet definitief werd, omdat [gedaagde] nog stukken zou moeten overleggen wat [gedaagde] niet deed, zodat [eiser] hooguit de wettelijke rente hoeft te betalen.

2.20.

Het achterwege laten van het noemen of overleggen van de renteberekeningen is naar het oordeel van de rechtbank het achterhouden van relevante feiten en om die reden in strijd met artikel 21 Wetboek van Rechtsvordering.

2.21.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Bij de kostenveroordeling zal de rechtbank het naaste hogere tarief van het toepasselijke liquidatietarief toepassen (€ 3.999,00 in plaats van € 3.214,00). De reden daarvoor is het achterhouden van relevante informatie in de dagvaarding (zie 2.13 en 2.20).

De kosten van [eiser] worden begroot op € 1.639,00 aan griffierecht en € 7.998,00 aan salaris advocaat (2 punten x tarief € 3.999,00); in totaal € 9.637,00.

Voorwaardelijke reconventie

2.22.

Omdat de daaraan gestelde voorwaarde niet intreedt, behoeft de voorwaardelijk ingestelde reconventie geen beoordeling.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 9.637,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.4.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.1

1 FvG (4197)