Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2419

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
16.035523.20 & 16.307275.19 (gev. ttz)(P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 24 en 29 december 2019 en op 8 februari 2020 schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waaronder vrijheidsberoving en mishandeling van zijn echtgenote, belediging van twee verbalisanten en een mishandeling. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 80 uur. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank, onder meer, rekening gehouden met het feit dat verdachte ambulant wordt behandeld en begeleid en dat dit traject zal worden doorkruist als verdachte terug moet naar de gevangenis. De rechtbank koppelt aan het voorwaardelijk deel de door de Reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.035523.20 & 16.307275.19 (gev. ttz)(P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 9 juni 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1973] te [geboorteplaats] , Marokko,

wonende aan [adres] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 20 mei 2020 en 26 mei 2021. Op laatstgenoemde datum heeft de rechtbank de zaak inhoudelijk behandeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T.M. van Wanrooij en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de zaak met parketnummer: 16.035523.20

feit 1 primair

op 8 februari 2020 te Veenendaal en/of Almere, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd en

subsidiair dat hij [slachtoffer 1] met geweld heeft gedwongen om in zijn auto te blijven;

feit 2 op 8 februari 2020 te Veenendaal en/of Almere, in elk geval in Nederland, zijn echtgenote [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

feit 3 op 8 februari 2020 te Almere de voordeur van de woning van [slachtoffer 2] heeft vernield;

feit 4 op 8 februari 2020 te [woonplaats] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met de woorden: “ik vermoord je en/of ik schiet je neer”;

feit 5 op 24 december 2019 te [woonplaats] [slachtoffer 3] heeft mishandeld;

feit 6 op 8 februari 2020 te [woonplaats] [aangeefster 1] heeft beledigd door tegen hem “kankerzoon” te zeggen;

in de zaak met parketnummer: 16.307275.19

feit 1 op 29 december 2019 te Veenendaal bij café [café] is binnengedrongen, terwijl hem de toegang tot dit café was ontzegd;

feit 2 op 29 december 2019 te Veenendaal opzettelijk [hoofdagent] heeft beledigd, door tegen haar (in het Arabisch) “hoer” te zeggen;

feit 3 op 29 december 2019 te Veenendaal opzettelijk [aangeefster 2] heeft beledigd, door haar in haar gezicht te spugen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle ten laste feiten gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van alle ten laste gelegde feiten.

De raadsvrouw heeft in de zaak met parketnummer 16.035523.20 het volgende aangevoerd.

Feit 1

Verdachte ontkent dat hij zijn vrouw heeft ontvoerd of dat hij haar heeft gedwongen om bij hem in de auto te blijven zitten. Zijn vrouw is vrijwillig bij hem in de auto gestapt. Het was de bedoeling om rustig met elkaar te praten. Op enig moment is er echter een discussie/ruzie tussen hen ontstaan, waarbij over en weer is geduwd en getrokken. Verdachte besluit dan om naar [woonplaats] te rijden, met de bedoeling om zijn vrouw bij haar vriendin, zijn zus, in [woonplaats] tot rust te laten komen. Onderweg naar [woonplaats] is verdachte nog twee keer gestopt. Hoewel zijn vrouw een aantal keren heeft gezegd dat zij niet naar [woonplaats] wilde, heeft zij de keren dat verdachte onderweg is gestopt de gelegenheid gehad om de auto te verlaten.

Feit 2

Verdachte ontkent dat hij zijn vrouw met opzet heeft mishandeld. Tijdens het rijden was sprake van duw- en trekwerk over en weer, maar verdachte heeft zijn vrouw niet opzettelijk geslagen of bij haar keel gepakt. Het letsel van zijn vrouw komt ook niet overeen met iemand die meerdere keren vol in het gezicht zou zijn geslagen of die bij de keel zou zijn gepakt. De krasjes zijn het gevolg van het duw- en trekwerk.

Feit 3

Verdachte erkent tegen de voordeur te hebben getrapt. In het dossier zit echter geen bewijs waaruit blijkt dat de deur door de trap of trappen beschadigd is geraakt.

Feit 4

Er is onvoldoende bewijs dat verdachte zijn zus, [slachtoffer 2] , heeft bedreigd. De verklaring van zijn vrouw hierover is ongeloofwaardig. Op 8 februari 2020 heeft zijn vrouw tegenover de politie eerst verklaard dat verdachte vieze woorden heeft geroepen, maar zij heeft ook verklaard dat zij niet meer wist wat verdachte precies zou hebben geroepen. De volgende dag, nadat zij met aangeefster en haar zwager over het incident heeft gesproken, verklaart zij tegenover de politie dat verdachte de gestelde bedreigingen heeft geuit. Daarnaast heeft ook de echtgenoot van aangeefster tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij niet heeft gehoord dat verdachte bedreigingen heeft geuit.

Feit 5

Verdachte doet een beroep op noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte en aangever hebben een geschiedenis. Nadat verdachte de lift is ingestapt, blijft aangever verdachte strak aankijken en provoceren. Vervolgens wordt verdachte door aangever geduwd, waarna buiten de lift een vechtpartij tussen hen ontstaat. Er is daarbij over en weer geslagen, wat ook door de dochter van aangever wordt verklaard. Uit de medische verklaring van verdachte blijkt dat hij ook letsel aan het incident heeft overgehouden. Nu aangever is begonnen met het geweld, waarop verdachte niet anders kon reageren dan dat hij heeft gedaan, komt hem een geslaagd beroep op noodweer(exces) toe.

Feit 6

Bij zijn insluiting op het bureau kwam de deur van de ophoudkamer hard tegen de hand van verdachte. Verdachte heeft de verbalisant om een pleister gevraagd. Omdat verdachte van de verbalisant geen pleister kreeg en hij veel pijn had, heeft verdachte bepaalde scheldwoorden geroepen. Verdachte ontkent de verbalisant voor “kankerzoon” te hebben uitgescholden.

De raadsvrouw heeft in de zaak met parketnummer 16.307275.19 het volgende aangevoerd.

Feit 1

Verdachte ontkent dat hij op het terras van café [café] of bij café [café] is binnen geweest. Het café bevindt zich aan de straatkant van de [straat] te [woonplaats] en het terras van het café ligt aan de overkant van de straat. Verdachte liep die dag samen met een vriend door de [straat] , in welke straat verdachte mag komen. Toen zij langs het terras van café [café] liepen, werden zij door twee mannen op het terras uitgescholden. De twee mannen vluchtten café [café] in, voordat verdachte en zijn vriend de twee mannen konden aanspreken. Bij de voordeur van het café stond mevrouw [aangeefster 2] , werkzaam bij café [café] . Verdachte heeft haar bij de voordeur gevraagd of zij de twee mannen naar buiten wilde sturen, wat zij niet deed. Verdachte is vervolgens niet naar binnen gelopen. Hieruit blijkt dat verdachte zich aan de ontzegging heeft gehouden.

Feit 2

Verdachte heeft bij de politie meteen openheid van zaken gegeven en verteld dat hij niet het Arabische woord voor “hoer” heeft geroepen, maar het Arabische woord voor “aapje”.

Deze twee woorden lijken in het Arabisch erg op elkaar.

De verbalisant die heeft verklaard dat verdachte “hoer” zou hebben geroepen, is van Turkse komaf. Dat is mogelijk de reden waarom hij het verkeerd heeft gehoord of begrepen.

Feit 3

Behalve de aangifte van [aangeefster 2] bevat het dossier geen bewijs dat verdachte haar met opzet in het gezicht heeft gespuugd. Verdachte ontkent ook dat hij in het gezicht van [aangeefster 2] heeft gespuugd. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij door zijn boosheid met veel consumptie tegen [aangeefster 2] heeft gepraat, maar haar niet opzettelijk in het gezicht heeft gespuugd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 3 in de zaak met parketnummer 16.307275.19

De rechtbank is - anders dan de officier van justitie - van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte [aangeefster 2] met opzet in het gezicht heeft gespuugd en spreekt verdachte van dat feit vrij. Het dossier bevat hierover immers alleen de verklaring van [aangeefster 2] en verdachte zelf ontkent dat hij [aangeefster 2] opzettelijk in het gezicht heeft gespuugd

De bewijsmiddelen

In de zaak met parketnummer 16.035523.20 1

Feit 1 - ontvoering echtgenote en feit 2 - mishandeling echtgenote

Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 1]

Zij verklaarde het volgende over het incident dat plaatsvond tussen 8 februari 2020 om 04:30 uur en 8 februari 2020 om 05:30 uur.2 Ik wil aangifte doen tegen mijn man [verdachte] .

Vannacht was ik met mijn kinderen in de woning aan het [adres] in [woonplaats] . Ik zag dat mijn man in onze auto voor de flat stond. Ik ben op de bijrijdersstoel ingestapt met het idee om in de auto met hem te praten. Ik zag en hoorde dat hij gelijk met de auto wegreed. Ik zei tegen hem dat ik niet weg wilde omdat de kinderen alleen thuis waren. Ik heb diverse keren tegen hem gezegd dat ik niet wilde dat hij wegreed. Ik zag dat hij geen gehoor gaf aan mijn verzoek en door bleef rijden. Ik begon te schreeuwen dat hij moest stoppen en dat ik uit de auto zou springen als hij niet zou stoppen. Ik wilde helemaal niet weg bij mijn kinderen. Ik hoorde hem zeggen dat ik maar uit de auto moest springen. Ik zag dat wij al op de Rondweg-West reden richting de snelweg. Ik zag en voelde dat de auto hard reed. Ik ben dus blijven zitten in de auto maar bleef tegen hem roepen dat hij moest stoppen en dat ik uit de auto wilde.

Hij moest een keer stoppen maar toen was hij nog rustig en ik zag nog niet de noodzaak om direct uit de auto te stappen. Ik zag dat wij bij de oprit van de rijksweg A12 de snelweg op reden in de richting van Ede. Daarna zag ik dat wij de oprit namen naar de A30 richting Amersfoort. Hij zei dat hij mij naar mijn zusje in [woonplaats] zou brengen zodat ik uit kon rusten en dat hij bij de kinderen zou blijven. Zijn eigen zus woont in [woonplaats] . Ik zag dat hij op sommige stukjes wel 180 kilometer per uur reed.3

Tijdens de autorit sloeg hij mij een aantal keer tegen de linkerzijde van mijn gezicht. Ik voelde en zag dat hij ook met zijn hand mij bij mijn keel vast pakte. Ik heb mij weten te verweren door zijn hand weg te duwen met mijn linkerhand. Hierdoor kreeg ik ook krassen van zijn nagels op mijn linkerhand.

Door de klappen op mijn gezicht heb ik nu een blauwe plek onder mijn linkeroog, mijn linker jukbeen is dikker. Ik heb krassen op mijn linkerwang en rode plekken. In mijn hals heb ik rode krassen van zijn nagels en lichte ronde verkleuringen van het knijpen van zijn vingers. Ik heb wat rode krasjes aan de rechterzijde van mijn mond en mijn bovenlip is aan die zijde wat verdikt. Ik voelde mij onveilig en dacht alleen maar aan mijn kinderen. Ik had geen telefoon bij mij dus ik kon niemand alarmeren.4

Een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1]

A. Uitwendig waargenomen letsel: onderzijde oog links hematoom, krabeffecten jukbeen li,

krabeffecten nek/hals, handen dorsale zijde krabeffecten.

D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 08/02/2020

Verklaring verdachte ter terechtzitting

Toen we op de rijksweg A30 reden, wist mijn vrouw niet waar we heenreden. Zij gaf aan niet te willen, maar we waren al halverwege. Ik heb op de snelweg flink doorgereden. De snelheid zal iets van 140 kilometer per uur zijn geweest.

Feit 3 - vernieling voordeur

Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 2]

Ik woon aan de [adres] te [woonplaats] . Op 8 februari 2020 was ik in deze woning. Op enig moment hoorde ik dat mijn broer tegen de voordeur begon te rammen. Echt rammen, want ik hoorde harde dreunen en ik zag dat de deur hierna vervolgens bewoog in de sponning. Er is schade ontstaan aan de voordeur. 5

Proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie

De klaagster [slachtoffer 2] verzocht uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan. De klaagster verklaarde tegenover mij het volgende: Ik doe aangifte tegen mijn broer die mijn voordeur vernield heeft.6

Verklaring verdachte ter terechtzitting

Ik heb tegen de deur geschopt. Ik zag op de deur een zwarte afdruk.

Feit 4 - bedreiging [slachtoffer 2]

Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2]

Ik woon aan de [adres] te [woonplaats] . Op 8 februari 2020 was ik in deze woning toen het volgende gebeurde. Ik hoorde mijn broer meermalen zeggen:” Ik schiet je dood".7

Proces-verbaal verhoor van de getuige [slachtoffer 1]

Mijn man drukte op de bel van de woning van zijn zus. Ik hoorde hem een paar keer zeggen, of eigenlijk schreeuwen: Ik schiet je dood, ik schiet je dood. Hij wees met zijn wijsvinger ook steeds naar haar terwijl hij dit riep.8

Feit 5 - mishandeling [slachtoffer 3]

Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3]

Ik woon in [woonplaats] . Ik kwam op 24 december 2019 bij de centrale ingang van het complex.9 Ik merkte dat de bewuste bewoner bij mijn dochter en mij in de lift stapte. Ik zag dat de bewoner heel intimiderend tegen mijn borst aan kwam staan. Ik vond dit bedreigend en duwde de bewoner met twee handen op zijn borst van mij af. Ik merkte dat de lift stopte op de 4e verdieping. Ik hoorde dat mijn dochter er hier uit wilde. Ik werd toen tegengehouden door de bewoner. Ik zag toen dat de lift door ging naar de zesde verdieping. Ik wilde op de zesde verdieping weer de lift uit. Wederom werd ik tegengehouden door de bewoner. Toen is de boel geëscaleerd. Ik weet niet meer wie begonnen is met slaan. Ik voelde op een gegeven moment een klap op mijn hoofd en pijn aan mijn rechteroog en neus. Door deze klap is ook mijn bril kapot gegaan. Ook is mijn jas gescheurd aan de rechterzijde en nu dus beschadigd. Ook had ik aan mijn gezicht een schrijnend gevoel. Ik heb niet gezien met welke handen ik geslagen ben.10

Een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 3]

Oppervlakkige wonden op neus en bij ogen. Bloeduitstorting bij rechter oogkas. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 24/12/19 Geschatte duur van de genezing: 3 – 6 wk.

[huisarts] , huisarts.11

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1]

Op dinsdag 24 december 2019 heeft er een mishandeling plaatsgevonden in de lift in het gebouw, gelegen aan het [park] te [woonplaats] . Ik heb de camerabeelden bekeken van de camera die bevestigd zit in de lift.

Ik zag een man een jonge vrouw de lift instappen. Ik zag kort daarna de verdachte de lift instappen. Ik zag dat de verdachte op de knop van de lift drukte. Ik zag dat de verdachte dicht tegen de man ging staan. Ik zag dat de man met zijn rechterhand de verdachte van zich weg duwde. Ik zag dat de verdachte weer naar de aangever liep. Ik zag dat verdachte dicht met zijn gezicht tegen het gezicht van de man aan ging staan. Ik zag dat de liftdeur open ging. Ik zag dat de jonge vrouw weg wilde gaan en de man aan zijn linkerarm vastpakte om hem mee te trekken de lift uit. Ik zag dat de verdachte de weg blokkeerde voor de man.

Ik zag dat de verdachte voor de liftdeur ging staan zodat de man en de jonge vrouw er niet uit konden. Ik zag dat de verdachte wilde gebaren maakte met zijn handen.12 Ik zag dat de verdachte weer dicht met zijn hoofd tegen de hoofd van de man aanstond. Ik zag dat de man de lift uit wilde lopen. Ik zag dat de verdachte de man er niet door wilde laten. Ik zag dat de man er doorheen wilde wrikken. Ik zag dat de verdachte de man bij zijn keel pakte en tegen de liftmuur aanduwde. Ik zag dat de man zichzelf wilde bevrijden. Ik zag dat de verdachte schopte in de richting van de benen van de man. 13

Verklaring verdachte ter terechtzitting

Ik was op 24 december 2019 de persoon in die lift en ik heb aangever ook geslagen.

Feit 6 – belediging [aangeefster 1]

Proces-verbaal van aangifte [aangeefster 1]

Ik ben werkzaam als Intake&Service medewerker van het basisteam [naam] en ik was op 8 februari 2020 werkzaam op het politiebureau te [woonplaats] . Ik hoorde duidelijk dat de verdachte mij uitschold voor kankerzoon..14

Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 2]

Op 8 februari 2020 was ik in uniform gekleed in dienst in het politiebureau te [woonplaats] . Ik hoorde dat [verdachte] tegen collega [aangeefster 1] riep: "je bent een kankerzoon".15

In de zaak met parketnummer: 16.307275.19 16

feit 1 – lokaalvredebreuk café [café]

Proces-verbaal van aangifte [aangeefster 2]

Op 29 december 2019 was ik aan het werk bij Café [café] gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] als horecamedewerker. Ik herkende de man als meneer [verdachte] . Ik zag dat hij achter het horecapubliek aan liep het terras van Café [café] op. Hij mag hier niet komen maar stond wel al bij ons onder de luifel.17

Een geschrift zijnde een “Aanzegging Horecaontzegging”

Bedrijfsnaam / vestiging: Café [café]

Adres: [adres]

Postcode / plaats: [woonplaats]

Ontzegging aan:

Achternaam: [verdachte]

Voornaam: [voornaam]

Geboortedatum: [1973]

Geboorteplaats: [geboorteplaats] (Marokko)

Naar aanleiding van uw gedrag in ons horecabedrijf, op onder andere: 22-12-2019

Wordt u met ingang van heden: 23-12-2019

Voor de duur van 12 maanden geweigerd, eindigend op: 22-12-2020

Daarnaast heeft u zich op deze en eerdere dagen in en bij diverse horecabedrijven dusdanig gedragen dat u een collectief horecaverbod voor alle horecazaken in het centrum van Veenendaal krijgt. Dit betreft alle horecabedrijven welke zijn gelegen binnen het volgende gebied: Raadhuisstraat – Wolweg – Verlaat – Prins Bernhardlaan – Bevrijdingslaan – Weverij – Duivenwal.

Mocht u zich desondanks toch binnen de bovengenoemde periode in één van de aangesloten horecabedrijven of op de daarbij behorende erven of terrassen bevinden, dan zult u worden aangehouden ter zake overtreding van artikel 138 Wetboek van Strafrecht (lokaalvredebreuk).18

Proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 3]

Ik hoorde later dat de wijkagent van het centrum van Veenendaal, [wijkagent] , op 23 december het bericht heeft gekregen dat dit verbod aan hem in persoon is uitgereikt. De inhoud van dit verbod uitgereikt aan de nader te noemen verdachte [verdachte] .19

Verklaring verdachte ter terechtzitting

Op 29 december 2019 ben ik naar de voordeur van café [café] gelopen en ik ben daar onder de luifel van het café gaan staan.

Feit 2 – belediging [hoofdagent]

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [hoofdagent]

Op 29 december 2019 hielden [verbalisant 3] en ik [verdachte] aan terzake huisvredebreuk. Terwijl wij naar het dienstvoertuig liepen, sprak de verdachte in het Arabisch. Ik hoorde dat hierop collega [verbalisant 4] zei tegen de verdachte dat hij mij niet voor "Hoer" uit moest maken. Ik was op dat moment de enige vrouwelijke politieagent. Ik voelde mij hierdoor aangesproken en beledigd.20

Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4]

Op 29 december 2019 assisteerde ik collega's [verbalisant 3] en [hoofdagent] bij de aanhouding van [verdachte] terzake een horecaverbod. Tijdens de begeleiding van de verdachte door collega [hoofdagent] hoorde ik de verdachte roepen met: "Kahbe". Ik weet ambtshalve dat dit "Hoer" in het Arabisch betekend. Omdat [hoofdagent] de enige vrouwelijke collega bij de bovengenoemde aanhouding aanwezig was heb ik tegen de verdachte geschreeuwd dat hij niet mijn collega mocht uitmaken voor “hoer”.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverweging

in de zaak met parketnummer: 16.035523.20

feit 5 – mishandeling [slachtoffer 3]

De raadsvrouw heeft ter zitting aangevoerd dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer (exces) toekomt.

De rechtbank stelt voorop dat onder mishandeling in de zin van artikel 300 Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, zonder dat daarvoor een rechtvaardigings- dan wel strafuitsluitingsgrond bestaat. In het begrip ‘mishandeling’ ligt dus de wederrechtelijkheid van de gedraging besloten.21 Een rechtvaardigings- dan wel strafuitsluitingsgrond kan zijn gelegen in noodweer dan wel noodweerexces.

Voor noodweer (en noodweerexces) is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed waartegen iemand zich mag verdedigen. Daarnaast dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn.22

Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte, nadat hij de lift is ingestapt en op de knop heeft gedrukt, dicht tegen aangever aan is gaan staan. Nadat verdachte door aangever is weggeduwd, loopt verdachte opnieuw naar aangever toe en blokkeert hij de liftuitgang wanneer aangever de lift wil verlaten. Vervolgens gaat verdachte opnieuw met zijn hoofd dicht tegen het hoofd van aangever staan. Als aangever even later wederom de lift wil verlaten, blokkeert verdachte hem opnieuw de uitgang, grijpt hem bij zijn keel en duwt hem tegen de liftmuur. Vervolgens ontstaat er buiten de lift een vechtpartij tussen aangever en verdachte, hetgeen niet op de beelden te zien is

De gedragingen van verdachte in de lift kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet worden aangemerkt als verdedigend, maar zijn keer op keer gericht op een confrontatie met aangever. Nu verdachte zich iedere keer opnieuw willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het slachtoffer te verwachten viel, komt hem geen geslaagd beroep op noodweer(exces) toe.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de zaak met parketnummer: 16.035523.20

feit 1 primair op 8 februari 2020 te Veenendaal en Almere, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door die [slachtoffer 1] gedurende een tijdsverloop van ongeveer een uur

- in een personenauto te vervoeren en die [slachtoffer 1] -toen zij daarom vroeg- meermalen te beletten om die auto te verlaten en

- die [slachtoffer 1] vanaf [woonplaats] naar een woning in [woonplaats] (gelegen aan de [adres] ) te brengen en - daarbij met (te) hoge snelheid te rijden, waardoor die [slachtoffer 1] de auto niet kon verlaten en

- daarbij die [slachtoffer 1] meermalen tegen het gezicht te slaan en bij de keel vast te pakken;

feit 2 op 8 februari 2020 te Veenendaal en Almere, in elk geval in Nederland, zijn echtgenote, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

- meermalen tegen het gezicht te slaan en

- eenmaal bij de keel vast te pakken;

feit 3 op 8 februari 2020 te [woonplaats] opzettelijk en wederrechtelijk de voordeur van een woning gelegen aan de [adres] , die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft beschadigd;

feit 4 op 8 februari 2020 te [woonplaats] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] meermalen dreigend de woorden toe te voegen "ik schiet je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 5 op 24 december 2019 te [woonplaats] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen tegen het gezicht te slaan;

feit 6 op 8 februari 2020 te [woonplaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten

[aangeefster 1] (medewerker Intake & Service basisteam [naam] , politie eenheid Midden-Nederland), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Kankerzoon";

in de zaak met parketnummer: 16.307275.19

feit 1 op 29 december 2019 te [woonplaats] het erf behorende bij café [café] wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was verdachte, met ingang van 23 december 2019 schriftelijk de toegang tot dit café [café] ontzegd voor de duur van één jaar;

feit 2 op 29 december 2019 te [woonplaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten

[hoofdagent] , hoofdagent van politie eenheid Midden-Nederland, gedurende de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: (in het Arabisch) "hoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

in de zaak met parketnummer: 16.035523.20

feit 1 primair opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;

feit 2 mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn echtgenoot;

feit 3 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;

feit 4 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 5 mishandeling;

feit 6 eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

in de zaak met parketnummer: 16.307275.19

feit 1 in het besloten erf bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;

feit 2 eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd om aan verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 120 uur, subsidiair te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat verdachte van alle tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, dan verzoekt de raadsvrouw te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. De feiten dateren van meer dan een jaar geleden, verdachte en zijn vrouw hebben sinds enige tijd weer contact en proberen er samen, met hulp, uit te komen. Dat is voor iedereen het beste. Verdachte wil graag terug naar hun gezamenlijke woning en weer samen met zijn vrouw en kinderen zijn. Verdachte gaat dan ook, met uitzondering van het door de Reclassering geadviseerde locatieverbod, akkoord met alle overige voorwaarden bij oplegging van een voorwaardelijke straf. Op deze wijze is verdachte in staat om samen met zijn vrouw verder aan hun relatie te werken.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf/maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op 24 en 29 december 2019 en op 8 februari 2020 schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten.

Verdachte heeft zich op 8 februari 2020 schuldig gemaakt aan vrijheidsberoving en mishandeling van zijn echtgenote, bedreiging van zijn zus en vernieling van de voordeur van zijn zus. Tevens heeft hij op die dag een verbalisant beledigd. Dit zijn ernstige feiten, de rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte in zijn boosheid overgaat tot dit soort gedragingen en kennelijk niet goed in staat is om zijn emoties op gepaste wijze te uiten.

Op 29 december 2019 heeft verdachte zich, terwijl hem uitdrukkelijk de toegang tot het (terras van) café [café] was ontzegd, begeven op het terras van het café en zich opgehouden bij de voordeur. Toen verdachte even later door de politie is aangehouden, heeft hij, in het bijzijn van meerdere omstanders, een vrouwelijke verbalisant uitgescholden voor hoer. Verdachte liet hiermee zien op dat moment geen enkel respect te hebben voor regels of personen, waarbij komt dat het hier om een politieagent ging die enkel haar werkzaamheden uitoefent in het belang van onze samenleving.

Op 24 december 2019 heeft verdachte aangever [slachtoffer 3] mishandeld. Nadat verdachte in de lift stapte, begon hij met het provoceren van aangever. Vervolgens heeft verdachte aangever belet om de lift te verlaten en aangever bij de keel gepakt. Eenmaal buiten de lift heeft verdachte aangever meerdere keren geslagen. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever.

De rechtbank neemt het verdachte extra kwalijk dat dit alles heeft plaatsgevonden in het bijzijn van de dochter van aangever.

Persoon van verdachte

Uit het uittreksel van het strafblad van verdachte van 25 mei 2020 blijkt dat verdachte al eerder is veroordeeld voor mishandeling.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het door drs. J. Yntema, GZ-psycholoog, opgemaakte Pro Justitia rapport over verdachte van 15 mei 2020. Volgens de deskundige is bij verdachte sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (met antisociale, afhankelijke en narcistische trekken) en een ongespecificeerde psychotrauma- of stres gerelateerde stoornis. Dit was volgens de deskundige ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde ook zo en dit beïnvloedde deels de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Aangezien er vermoedelijk sprake is geweest van enige doorwerking van de psychische stoornissen in het tenlastegelegde wordt geadviseerd om het ten laste gelegde in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het risico wordt bij een onbehandelde terugkeer in de maatschappij door de deskundige – met enige voorzichtigheid - als hoog geduid. Gezien de bij verdachte geconstateerde gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis (met antisociale, afhankelijke en narcistische trekken) en de samenhang met het tenlastegelegde, en daarnaast de inschatting van een hoog recidive risico, kan volgens de deskundige worden gesproken van een behandel-noodzaak. Geadviseerd wordt om de ambulante behandeling uit te voeren in een verplichtend kader als bijzondere voorwaarde bij een (deels voorwaardelijke) straf met reclasseringstoezicht (meldplicht).

De rechtbank neemt de conclusies en de adviezen van de deskundige over.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het Reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 11 mei 2020, opgesteld door mw. C.S. Pruis, reclasseringswerker, en van het Voortgangsverslag van Reclassering Nederland van 19 mei 2021, opgesteld door

Mevrouw C. Schipper, reclasseringswerker.

Uit het Reclasseringsadvies van 11 mei 2020 blijkt dat op diverse leefgebieden problemen naar voren komen, waarbij met name het emotioneel welzijn van verdachte recidive-verhogend is. Ook zijn er problemen geconstateerd op het gebied van agressieregulatie, evenals persoonlijkheidsproblematiek en onverwerkte trauma’s. De kans op recidive is hoog, wat mogelijk zal afnemen zodra er passende hulpverlening is opgestart.

Uit het Voortgangsverslag blijkt dat het Reclasseringstoezicht in het kader van de schorsing in mei 2020 is gestart en het advies van 11 mei 2020 nog steeds als leidend wordt beschouwd. Verdachte ontvangt ambulante behandeling vanuit Fivoor, ambulante begeleiding vanuit Kwintes en neemt samen met zijn partner deel aan systeemgesprekken bij Fivoor. Geadviseerd wordt om de bestaande voorwaarden vanuit het schorsingstoezicht deels over te nemen, waarbij het contactverbod vervangen dient te worden door een locatieverbod. Volgens de Reclassering is het belangrijk dat verdachte contact heeft met zijn partner (en dit verder ontwikkelt), maar voor de veiligheid van zowel de kinderen als zijn partner, is het niet raadzaam dat verdachte direct thuis komt wonen.

Het wordt niet wenselijk geacht het verbod de gehele proeftijd te laten gelden, maar enkel zolang de Reclassering dit nodig acht. Geadviseerd wordt de volgende voorwaarden te laten gelden (1) een behandeling door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, (2) begeleiding door Kwintes of een soortgelijke instelling (3) een locatieverbod en tot slot

(4) een meldplicht.

De op te leggen straf

Gelet op de ernst en de aard van de feiten, de eis van de officier van justitie, de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat zowel een gevangenisstraf als een taakstraf de enige passende en geboden straf is. Bij de bepaling van de duur en de vorm daarvan houdt de rechtbank rekening met het volgende.

Verdachte heeft 105 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast blijkt uit het Voortgangsverslag dat verdachte ambulante behandeling ontvangt en dat hij ambulant begeleid wordt door Kwintes. Tot slot was verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank acht het niet wenselijk dat de begeleiding en behandeling van verdachte worden doorkruist, zodat verdachte om die reden niet terug naar de gevangenis hoeft. Om verdachte te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten, maar ook om te zorgen dat verdachte de behandeling en de begeleiding blijft ontvangen die hij nodig heeft en om hem gemotiveerd te houden hieraan te blijven deelnemen, zal de rechtbank een aanzienlijk voorwaardelijk strafdeel opleggen.

Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest, een passende straf. Hoewel de rechtbank hiermee in zoverre de eis van de officier van justitie volgt, legt de rechtbank de straf op in dagen, zodat het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf kan worden gelijkgesteld met de reeds door verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd.

Daarbij zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen zoals die door de Reclassering zijn geadviseerd. Gezien de door de Reclassering gegeven motivering waarom het op dit moment nog niet wenselijk is dat verdachte terugkeert naar de echtelijke woning, zal de rechtbank ook het geadviseerde locatieverbod opnemen. De rechtbank zal daarbij de proeftijd stellen op drie jaar.

De rechtbank zal verdachte ook een taakstraf opleggen. Omdat de rechtbank minder bewezen acht dan waarvan de officier van justitie bij formulering van zijn eis is uitgegaan, zal de rechtbank een taakstraf opleggen voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen vervangende hechtenis.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 1.315,85 aan schade. Dit bedrag bestaat uit € 990,85 aan materiële schade en

€ 325,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte, in de zaak met parketnummer 16.035523.20, onder 5 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 500,00 en de vordering tot vergoeding van de immateriële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 200,00, met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Daarnaast is volgens de raadsvrouw sprake van medeschuld dan wel eigen schuld, nu aangever zelf is begonnen met duwen.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 16.035523.20 onder 5 bewezenverklaarde feit letsel en schade heeft opgelopen en dus rechtstreeks schade heeft geleden.

Materiële schade

De benadeelde partij vordert vergoeding van € 725,00 als schade voor een vernielde bril en een vergoeding van € 265,85 als schade voor een beschadigde jas. Als bewijs heeft de benadeelde partij een factuur van een bril en een betalingsbewijs bijgevoegd.

De rechtbank overweegt dat de factuur van de bril is gedateerd op 15 september 2018. Dat betekent dat de bril één jaar oud was toen deze werd vernield. Op grond hiervan zal de rechtbank de vordering tot vergoeding van deze schade toewijzen tot een bedrag van

€ 650,00.

Ten aanzien van de jas overweegt de rechtbank dat uit het betalingsbewijs niet blijkt dat het bedrag is betaald voor een jas, die volgens de benadeelde partij beschadigd is geraakt. Dat de benadeelde partij ten tijde van de mishandeling een winterjas droeg en dat deze jas beschadigd is geraakt, blijkt afdoende uit de foto’s in het dossier. De rechtbank zal daarom de schade aan de winterjas schatten en waardeert deze op € 100,00.

Dit betekent dat aan materiële schade toewijsbaar is een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 december 2019 tot de dag van volledige betaling.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de mishandling. Dat maakt dat de benadeelde partij in aanmerking komt voor toekenning van immateriële schadevergoeding. De rechtbank acht, gelet op vergelijkebare zaken en op de omstandigheden van het geval, een bedrag van € 250,00 passend en waardeert de schade op dit bedrag.

De rechtbank zal de vordering daarom tot een bedrag van € 250,00 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 december 2019 tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in het niet toegewezen deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 24 december 2019 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 20 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, , 57, 138, 266, 267, 282, 285, 300, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart hetgeen onder parketnummer 16.307275.19, feit 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

in de zaak met parketnummer: 16.035523.20

- verklaart het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart hetgeen meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

in de zaak met parketnummer: 16.307275.19

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart hetgeen meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

in de zaak met parketnummer: 16.035523.20

- verklaart het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

in de zaak met parketnummer: 16.307275.19

- verklaart het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 75 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich laat behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering: hieronder valt zowel de individuele behandeling als de systeemgesprekken waar hij samen met zijn partner aan deelneemt.

* zich laat zich begeleiden door Kwintes of soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering: tijdens deze begeleiding wordt er gekeken naar het vinden van zowel passende woonruimte als passende dagbesteding;

* niet in de straat mag komen waar zijn (ex-) echtgenote en hun kinderen verblijven. Dit zal gecontroleerd worden door de politie. Dit verbod zal gelden zolang de reclassering dit nodig acht;

* zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Middels meldplicht is het mogelijk dat de reclassering toe blijft zien op de gestelde voorwaarden;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 1.000,00, bestaande uit € 750,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2019 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    verklaart [slachtoffer 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat

€ 1.000,00 te betalen, bestaande uit € 750,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 december 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 20 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Duker, voorzitter, mrs. E.J.W. Verhaagh en

M.E. Falkmann, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2021.

De voorzitter en de jongste rechter zijn verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt in de zaak met parketnummer 16.035523.20 ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Veenendaal en/of Almere, in elk geval in Nederland opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door die [slachtoffer 1] gedurende een tijdsverloop van ongeveer een uur

- in een (personen)auto te vervoeren en/of die [slachtoffer 1] -toen zij daarom vroeg- meermalen te beletten om die auto te verlaten en/of

- die [slachtoffer 1] vanaf [woonplaats] naar een woning in [woonplaats] (gelegen aan de [adres] ) te brengen en/of - (daarbij) met (te) hoge snelheid te rijden, waardoor die [slachtoffer 1] de auto niet kon verlaten en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer 1] meermalen op/tegen het gezicht te slaan en/of stompen en/of bij de keel vast te pakken en/of te houden;

( art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Veenendaal en/of Almere, in elk geval in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten [slachtoffer 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten in de (personen)auto van verdachte te blijven en/of te worden vervoerd, door

- die [slachtoffer 1] in een (personen)auto te vervoeren en/of

- die [slachtoffer 1] -toen zij daarom vroeg- meermalen te beletten om die auto te verlaten en/of

- die [slachtoffer 1] vanaf [woonplaats] naar een woning in [woonplaats] (gelegen aan de [adres] ) te brengen en/of

- ( daarbij) met (te) hoge snelheid te rijden, waardoor die [slachtoffer 1] de auto niet kon verlaten en/of

- ( daarbij) die [slachtoffer 1] meermalen op/tegen het gezicht te slaan en/of stompen en/of bij de keel vast te pakken en/of te houden;

( art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 8 februari 2020 te Veenendaal en/of Almere, in elk geval in Nederland zijn echtgenote, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door die [slachtoffer 1]

- meermalen, althans eenmaal op/tegen het gezicht te slaan en/of stompen en/of

- meermalen, althans eenmaal bij de keel vast te pakken en/of te houden en/of

- meermalen, althans eenmaal op/tegen gezicht en/of de handen, althans het lichaam te krabben;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 8 februari 2020 te [woonplaats] opzettelijk en wederrechtelijk de (voor)deur (van een woning gelegen aan de [adres] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

4

hij op of omstreeks 8 februari 2020 te [woonplaats] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal dreigend de woorden toe te voegen "ik vermoord je en/of ik schiet je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

5

hij op of omstreeks 24 december 2019 te [woonplaats] [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal op/tegen het gezicht te slaan en/of stompen;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

6

hij op of omstreeks 8 februari 2020 te [woonplaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten [aangeefster 1] (medewerker Intake & Service basisteam [naam] , politie eenheid Midden-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Kankerzoon", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

Aan verdachte wordt in de zaak met parketnummer 16.307275.19 ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 29 december 2019 te [woonplaats] in het besloten lokaal en/of het erf behorende bij café [café] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was el [verdachte] , verdachte, met ingang van

23 december 2019 schriftelijk de toegang tot dit café [café] ontzegd voor de duur van één jaar;

( art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2

hij op of omstreeks 29 december 2019 te [woonplaats] opzettelijk een ambtenaar, te weten

[hoofdagent] , hoofdagent van politie eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: (in het Arabisch) "hoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

3

hij op of omstreeks 29 december 2019 te [woonplaats] opzettelijk [aangeefster 2] , in haar tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door althans in de richting van het gezicht, althans het hoofd van voornoemde [aangeefster 2] te spugen, althans door een gebaar van gelijke beledigende aard en/of strekking;

( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 10 februari 202, doorgenummerd pagina 1 tot en met 147 en van 14 februari 2020, doorgenummerd pagina 148 tot en met 166, met proces-verbaalnummer: PL0900-2020041040, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aangifte van 8 februari 2020, p. 40.

3 Proces-verbaal aangifte van 8 februari 2020, p. 41.

4 Proces-verbaal aangifte van 8 februari 2020, p. 42.

5 Proces-verbaal aangifte van 9 februari 2020, p. 77.

6 Proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie van 8 februari 2020, p. 57.

7 Proces-verbaal aangifte van 9 februari 2020, p. 77.

8 Proces-verbaal van verhoor van 9 februari 2020, p. 84.

9 Proces-verbaal aangifte van 24 december 2019, p. 103.

10 Proces-verbaal aangifte van 24 december 2019, p. 104.

11 Geneeskundige verklaring, p. 110.

12 Proces-verbaal van bevindingen van 3 januari 2020, p. 119.

13 Proces-verbaal van bevindingen van 3 januari 2020, p. 120.

14 Proces-verbaal aangifte van 8 februari 2020, p. 72.

15 Proces-verbaal van bevindingen van 8 februari 2020, p. 74.

16 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 3 januari 2020, doorgenummerd pagina 1 tot en met 24, met proces-verbaalnummer: PL0900-2019389147, opgemaakt door politie Midden-Nederland. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

17 Proces-verbaal aangifte van 29 december 2019, p. 3.

18 Proces-verbaal aangifte van 29 december 2019, p. 5.

19 Proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2019, p. 12.

20 Proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2019, p. 10

21 HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690

22 HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456