Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:239

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25-01-2021
Datum publicatie
29-11-2021
Zaaknummer
20/3647
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres is aangewezen op een individuele vervoersvoorziening. Kern van het geschil is enkel de periode waarover deze is toegekend, verweerder heeft ter zitting ingestemd met toekenning op jaarbasis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/3647


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 januari 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. K. Wevers),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, verweerder

(gemachtigde: J. Hiemstra).

Procesverloop

Met het besluit van 22 januari 2020 (primaire besluit) heeft verweerder een maatwerkvoorziening aan eiseres toegekend, in de vorm van individueel vervoer voor de duur van twee jaar (tot en met 1 februari 2022). Hiervoor mag eiseres maximaal € 91,66 declareren per vier weken.

Met het besluit van 3 september 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit herroepen en beslist dat het budget maatwerkvoorziening voor individueel vervoer wordt aangepast naar € 100,- per vier weken.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2021, door middel van een skypeverbinding. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    herroept het primaire besluit;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    voorziet zelf in de zaak door een individuele vervoersvoorziening toe te kennen van € 1300,- op jaarbasis, voor het jaar 2021 en ingaande op 1 januari 2021;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,-.

Overwegingen

De aanleiding voor deze procedure

1. Eiseres heeft een voorziening voor individueel vervoer aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), omdat zij vanwege medische redenen geen gebruik kan maken van het collectieve vervoer.

2. Met het primaire besluit heeft verweerder een maatwerkvoorziening aan eiseres toegekend, in de vorm van individueel vervoer voor de duur van twee jaar (tot en met 1 februari 2022). Hiervoor mag eiseres maximaal € 91,66 declareren per vier weken. De kosten boven dit bedrag moet eiseres zelf betalen.

3. Hiertegen heeft eiseres tijdig bezwaar gemaakt, omdat zij het niet eens is met het toegekende budget. Ook is eiseres het er niet mee eens dat overgebleven budget niet in een volgende periode gebruikt kan worden. De vervoersbehoefte kan namelijk schommelen.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het budget voor individueel vervoer wordt aangepast naar maximaal € 100,- per vier weken. Voor de motivering van het besteden besluit en het verweer in beroep verwijst verweerder naar het advies van de bezwaarschriftencommissie.

Standpunt van eiseres

5. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting verduidelijkt dat eiseres het er met name niet mee eens dat het budget van de individuele vervoersvoorziening per vier weken is toegekend en niet per jaar. Hierdoor kan overgebleven budget niet in een volgende periode gebruikt worden.

6. De ritprijzen van de taxi zijn dusdanig hoog, dat eiseres per rit een groot bedrag zelf moet betalen. Verder blijkt dat sprake is van schommelingen in de vervoersbehoefte, wat pleit voor het kunnen gebruiken van overgebleven budget op een later moment. Eiseres heeft haar sociale netwerk voornamelijk buiten de regio, waardoor het risico op vereenzaming bestaat als zij de hoge taxiprijzen (deels) zelf moet betalen. Zij kan dit ondervangen door het in de ene maand overgebleven budget ‘op te sparen’ voor (een) taxirit(ten) in de andere maand.

Standpunt van verweerder

7. Verweerder heeft ter invulling van de Wmo beleid en nadere regels vastgesteld, in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Dronten 2017 (hierna: Verordening) en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Dronten 2019 (hierna: Nadere regels). Op grond van artikel 4.3.4 van de Nadere regels bedraagt de vergoeding voor individueel taxivervoer € 100,- per vier weken.

8. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder meegedeeld dat de bereidheid bestaat het toegekende budget op jaarbasis te verstrekken. Hierbij benadrukt verweerder wel dat de kosten die op jaarbasis boven dit bedrag uitkomen door eiseres zelf moeten worden betaald.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres, vanwege haar medische situatie, is aangewezen op een individuele vervoersvoorziening. Ook is er geen onenigheid over de hoogte van de individuele vervoersvoorziening. Het belangrijkste punt dat partijen nog verdeeld hield, was de periode waarover het budget verstrekt is. Tijdens de zitting heeft verweerder meegedeeld bereid te zijn het budget voor de individuele vervoersvoorziening op jaarbasis te verstrekken. Uitgaande van het door verweerder toegekende budget van € 100,- per vier weken stelt de rechtbank het bedrag van de individuele vervoersvoorziening voor heel 2021 vast op € 1.300,-.

10.
Ter zitting is per abuis een bedrag van € 1.200,- genoemd, maar partijen hebben op 28 januari 2021 telefonisch aan de griffier meegedeeld dat zij het ermee eens zijn dat dit op een kennelijke vergissing berust en dat het gaat om een bedrag van € 1.300,- voor heel 2021 (het bedrag van € 100,- heeft immers betrekking op een vierwekenperiode en niet op een maand).

11. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, herroept het primaire besluit en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en kent een individuele vervoersvoorziening toe van € 1.300,- op jaarbasis, ingaande op 1 januari 2021, voor het jaar 2021. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde bestreden besluit.

12. Verweerder wordt bij deze uitkomst veroordeeld de proceskosten van eiseres in beroep te voldoen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

13. Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 48,- vergoeden.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2021 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.

griffier

rechter

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.