Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2376

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
08-06-2021
Datum publicatie
08-06-2021
Zaaknummer
16-299690-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een man voor jarenlange fysieke en psychische mishandeling van acht van zijn kinderen en voor een mishandeling van zijn vrouw tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Vrijspraak van de verdenking dat hij een van zijn kinderen seksueel heeft misbruikt. De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij zijn kinderen een normale jeugd heeft ontnomen en met zijn handelen de ontwikkeling van zijn kinderen mogelijk ernstig heeft verstoord. Aan de kinderen is een immateriële schadevergoeding toegewezen van € 5.000,- per persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-299690-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 8 juni 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1968] in [geboorteplaats] (Angola),

nu verblijvend in de PI Zaanstad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De rechtszaak tegen verdachte heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zitting van 25 mei 2021. Verdachte was bij de zitting aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak.

De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van verdachte, zijn advocaat mr. R. Dijkstra, de officier van justitie mr. T. Tanghe, en mevrouw [A] , medewerkster van Slachtofferhulp Nederland, namens de benadeelde partijen.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt verdachte ervan dat hij betrokken is geweest bij meerdere strafbare feiten. Deze verdenkingen staan beschreven in de tenlastelegging, die op zitting is gewijzigd. Die gewijzigde tenlastelegging is als bijlage opgenomen in dit vonnis.

Kort gezegd verdenkt de officier van justitie verdachte ervan dat hij:

  1. in de periode van 27 november 2010 tot en met 26 november 2013 in Veenendaal heeft geprobeerd seksueel binnen te dringen bij zijn kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2002] (primair), dan wel in die periode en op die plek ontucht heeft gepleegd met zijn kind (subsidiair);

  2. in de periode van 11 april 1999 tot en met 27 oktober 2020 in Veenendaal acht van zijn kinderen heeft mishandeld;

  3. in de periode van 11 april 1999 tot en met 27 oktober 2020 in Veenendaal de gezondheid van acht van zijn kinderen heeft benadeeld door in hun aanwezigheid zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , en/of één of meer van de kinderen te mishandelen;

  4. in de periode van 11 april 1999 tot en met 27 oktober 2020 in Veenendaal zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan.

3.1

Het standpunt van de advocaat

De advocaat vindt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van een deel van de tenlastegelegde feiten. Volgens de advocaat mag het openbaar ministerie verdachte enkel vervolgen voor de mishandeling van [slachtoffer 2] en voor de benadeling van de gezondheid van de kinderen voor zover die verdenkingen zien op feiten die in de twaalf jaar vóór de vervolging van verdachte hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de periode daarvoor zijn deze feiten verjaard. Daarnaast is verdachte voor een specifieke mishandeling van [slachtoffer 2] al veroordeeld.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt ook dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk is voor wat betreft het incident met [slachtoffer 2] op 14 september 2018, waarvoor hij al veroordeeld is. Voor het overige vindt de officier van justitie het openbaar ministerie ontvankelijk.

3.2.1

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht verjaart het recht om een verdachte te vervolgen bij misdrijven waarop een maximale gevangenisstraf van meer dan drie jaar maar minder dan acht jaar staat – zoals het geval is bij de ten laste gelegde feiten 2, 3 en 4 – na een periode van twaalf jaar. Op grond van artikel 71 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold tot 1 januari 2020, ving deze periode van verjaring aan op de dag na die waarop het betreffende feit is gepleegd. Voor kindermishandeling – zoals onder feit 2 en 3 ten laste gelegd – geldt op grond van artikel 71 Wetboek van Strafrecht, zoals dat nu luidt, sinds 1 januari 2020 een uitzondering, namelijk dat de periode van verjaring aanvangt op de dag nadat het slachtoffer achttien jaar is geworden. Die uitzondering geldt alleen niet voor feiten die vóór 1 januari 2020 al waren verjaard. De periode van verjaring kan gestuit worden door een daad van vervolging, zoals het indienen van een vordering tot inbewaringstelling door de officier van justitie.

Voor de verdenkingen onder de feiten 2 en 3 betekent dit dat het recht op vervolging van verdachte voor de feiten die vóór 1 januari 2008 hebben plaatsgevonden is verjaard, gelet op voornoemde wetswijziging per 1 januari 2020 en de periode van verjaring van twaalf jaar die daarvoor al was verstreken. Het openbaar ministerie wordt dan ook nietontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte voor de feiten 2 en 3 voor zover de verdenkingen zien op de periode van 11 april 1999 tot en met 31 december 2007.

Voor de verdenking onder feit 4 betekent dit dat het recht op vervolging van verdachte voor de feiten die vóór 28 november 2008 hebben plaatsgevonden is verjaard. Op 27 november 2020 is de periode van verjaring van 12 jaar namelijk gestuit met de vordering tot inbewaringstelling van verdachte. Het openbaar ministerie wordt dan ook nietontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte voor feit 4 voor zover de verdenking ziet op de periode van 11 april 1999 tot en met 27 november 2008.

Overige voorvragen

Voor het overige is aan alle voorvragen voldaan: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen – behalve voor wat betreft hierboven is besproken – en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Voor zover relevant worden de standpunten van de officier van justitie hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.

4.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat van verdachte vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.

Voor zover relevant worden de standpunten van de advocaat hieronder besproken bij het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Vrijspraak feit 1

De rechtbank stelt voorop dat het bewijs dat een verdachte een tenlastegelegd feit heeft begaan volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of alleen op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. De rechtbank zal in dat kader eerst moeten vaststellen of zij de verklaring van [slachtoffer 1] , in dit geval over het seksuele misbruik door verdachte, betrouwbaar vindt en – als dat zo is en de verklaring dus als bewijsmiddel kan worden gebruikt – vervolgens ook moeten nagaan of in het dossier voldoende steunbewijs aanwezig is voor deze verklaring van [slachtoffer 1] . Dat steunbewijs moet afkomstig zijn uit een andere bron dan [slachtoffer 1] zelf, maar hoeft – volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad – niet per definitie te zien op het daderschap van verdachte of het seksuele misbruik zelf. Het is voldoende wanneer de verklaring van [slachtoffer 1] op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het verband tussen de verklaring van [slachtoffer 1] en andere bewijsstukken mag niet te ver verwijderd zijn. Indien een verklaring van een getuige (ook) een zelfstandige, eigen waarneming inhoudt over de emotionele of fysieke toestand van [slachtoffer 1] op het moment dat het strafbare feit plaatsvond, of vlak daarna, kan die waarneming voldoende steunbewijs opleveren.2

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] een nauwkeurige, gedetailleerde en concrete verklaring over het misbruik heeft afgelegd bij de politie. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaring.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of in het dossier voldoende steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] aanwezig is. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank tot de conclusie dat dat niet het geval is. De zus, broer, tante en het nichtje van [slachtoffer 1] hebben enkel verklaard over wat [slachtoffer 1] aan hen heeft verteld over het misbruik. Volgens de verklaring van [slachtoffer 1] is zij tegen hen niet in details getreden over wat er zou zijn gebeurd. Ook de waarneming van de tante van [slachtoffer 1] dat ‘er iets mis was’ biedt onvoldoende steun aan het verhaal van [slachtoffer 1] , nu die waarneming niet op het moment van of kort na het strafbare feit heeft plaatsgevonden en bovendien niet specifiek ziet op de verdenking. Daarnaast kan het feit dat ook [slachtoffer 6] over een incident heeft verklaard waarbij haar vader haar aanraakte op een manier die zij niet fijn vond geen steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] opleveren, aangezien dat incident qua handelwijze niet overeenkomt met de verklaring van [slachtoffer 1] en de herinnering van [slachtoffer 6] vaag is. Dat de verklaring van [slachtoffer 1] , voor zover die ziet op de mishandelingen door verdachte van haar en de andere kinderen, wordt ondersteund door de verklaringen van de andere kinderen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat daarin ook steunbewijs gevonden kan worden voor de verklaring van [slachtoffer 1] over het misbruik.

Gelet op wat hierboven is besproken komt de rechtbank – net als de advocaat van verdachte – tot de conclusie dat het dossier onvoldoende steunbewijs bevat dat de verklaring van [slachtoffer 1] over het seksueel misbruik ondersteunt. Om die reden wordt verdachte van het eerste feit vrijgesproken.

Feit 4

Op 10 november 2020 heeft [slachtoffer 3] bij de politie verklaard dat hij een keer heeft gezien dat zijn vader zijn moeder in haar buik sloeg toen zij hoogzwanger was van zijn broertje die op het moment van het verhoor 6 jaar oud was (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer4]). Hij was toen zelf ongeveer 9 jaar oud.3

[slachtoffer 5] heeft op 10 november 2020 bij de politie verklaard dat hij heeft gezien dat zijn moeder geslagen werd. Dat was meestal als zijn vader gedronken had. Volgens [slachtoffer 5] dronk zijn vader vaak alcohol.4

[slachtoffer 1] heeft op 11 mei 2021 bij de rechter-commissaris verklaard dat haar moeder ook mishandeld werd. Dat gebeurde vroeger vaker, maar toen zij ouder was kwam het niet meer zo vaak voor.5

Interpretatie van de bewijsstukken

[slachtoffer 3] heeft een concrete en gedetailleerde verklaring afgelegd over een mishandeling door zijn vader, verdachte, van zijn moeder, [slachtoffer 2] . De rechtbank heeft geen reden om aan de geloofwaardigheid van die verklaring te twijfelen.

Voor de verklaring van [slachtoffer 3] vindt de rechtbank steun in de verklaringen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 1] . Alhoewel zij niet specifiek over dit incident verklaren, blijkt uit hun verklaring wel dat verdachte [slachtoffer 2] vaker sloeg, ook nog in het recente verleden. De rechtbank verklaart dan ook bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar in de buik te slaan, in de periode dat zij zwanger was van [slachtoffer4] .

Dat [slachtoffer 2] zelf heeft ontkend dat verdachte haar na een incident in 2008 nog heeft mishandeld – waar ook de advocaat op heeft gewezen – staat niet aan een bewezenverklaring in de weg, aangezien uit de hierboven genoemde verklaringen blijkt dat er na 2008 nog ten minste één ander incident heeft plaatsgevonden.

De rechtbank spreekt verdachte vrij voor het mishandelen van [slachtoffer 2] in de overige tenlastegelegde periode. Uit de verklaringen van meerdere kinderen blijkt weliswaar dat verdachte geweld tegen [slachtoffer 2] gebruikte, maar niet wordt duidelijk wanneer die mishandelingen precies plaatsvonden, zodat niet kan worden bewezen dat dat geweld in de tenlastegelegde en nog niet verjaarde periode plaatsvond. Uit deze verklaringen lijkt juist te volgen dat de mishandelingen van [slachtoffer 2] vooral langer geleden plaats hebben gevonden, zodat die wellicht wel plaatsvonden in de periode die door de verjaring niet meer betrokken kan worden in de beoordeling. Tot slot hebben meerdere kinderen verklaard over een specifieke mishandeling van [slachtoffer 2] waarbij ook de politie aan de deur is geweest. Voor die mishandeling heeft verdachte al een straf gehad, en deze mishandeling valt in de periode waarvoor het openbaar ministerie niet ontvankelijk is verklaard in verband met verjaring. .

Feiten 2 en 3

[slachtoffer 6]

heeft op 3 november 2020 een verklaring bij de politie afgelegd. Zij verklaarde dat haar vader, verdachte, haar meerdere keren heeft geslagen, onder andere in haar gezicht en tegen haar slaap. Eén keer had haar vader haar naar haar kamer gesleurd, waarna ze out was gegaan. Verdachte kneep ook in haar armen. Het varieerde van een paar tikken tot door de kamer gooien. [slachtoffer 6] verklaarde ook dat haar vader haar toen zij 12 of 13 jaar oud was met zijn vuisten op haar buik heeft geslagen. Ze had daar toen blauwe plekken aan overgehouden rondom haar ribben. [slachtoffer 6] vertelde daarnaast dat het geweld vaak plaatsvond als haar vader had gedronken.

[slachtoffer 6] vertelde dat van de andere kinderen [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]) meestal het slachtoffer was. Zij vertelde dat verdachte [slachtoffer 3] een keer had geslagen met de afvoerslang van de wasmachine toen hij in bed lag. Als de kinderen druk waren dan kregen ze een klap op hun hoofd. Dat gebeurde volgens [slachtoffer 6] bijna dagelijks. [slachtoffer4] is volgens [slachtoffer 6] net als [slachtoffer 3] wat drukker dan de rest. [slachtoffer4] kreeg dan ook klappen. Hij kreeg soms een klap op zijn rug, op zijn hoofd en werd ook op de bank gegooid. Ook werd [slachtoffer4] wel eens met een oplaadkabel of afstandsbediening geslagen. Bij de andere kinderen gebeurde ongeveer hetzelfde als bij [slachtoffer4] , maar misschien wel minder frequent.6

Bij de rechter-commissaris verklaarde [slachtoffer 6] dat de mishandelingen tegen haar door haar hele jeugd plaatsvonden en stopten toen zij ongeveer 15 jaar oud was. Zij verklaarde toen ook dat zij met voorwerpen, zoals een afstandsbediening, een bezem en kabels, is geslagen.7

[slachtoffer 8]

heeft op 25 november 2020 een verklaring bij de politie afgelegd. Hij verklaarde dat hij vaker klappen kreeg van zijn vader, verdachte, met de platte hand, zowel in zijn gezicht als op zijn lichaam. Zijn vader heeft hem ook een keer bij zijn hals gepakt en smeet hem toen tegen de muur. Hij was toen ongeveer 13 jaar oud. De kinderen in het gezin werden volgens [slachtoffer 8] 5 tot 7 keer per week mishandeld als verdachte thuis was. Dat was dan iedere dag iemand anders. [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]) werd het meest mishandeld. [slachtoffer 8] vertelde over een incident waarbij [slachtoffer 3] in bed lag en zijn vader hem heel vaak sloeg met een stok en een kabel.8

Bij de rechter-commissaris verklaarde [slachtoffer 8] dat de mishandelingen tegen hem plaatsvonden totdat hij ongeveer 14 of 15 jaar oud was.9

[slachtoffer 1]

Op 6 november 2020 heeft [slachtoffer 1] een verklaring bij de politie afgelegd. Zij verklaarde dat zij vaker klappen kreeg van haar vader, verdachte, met de vlakke hand in haar gezicht en ook een keer in haar buik. Haar vader sloeg met kabels, bezems, stofzuigerslangen, schoenen en nog meer voorwerpen. Zij herinnerde zich dat haar vader haar één keer had geslagen en geschopt over haar hele lichaam. Zij is ook een keer met haar hoofd tegen de muur geklapt, waaraan ze een bult overhield. Zij werd het meest geslagen op haar rug. [slachtoffer 1] vertelde dat als ‘ze’ thuis niet stil waren, ze klappen kregen. Volgens [slachtoffer 1] kregen [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]) en [slachtoffer4] de meeste klappen van haar vader. [slachtoffer 1] had ook wel eens gezien dat [slachtoffer 3] niet goed kon lopen omdat hij striemen op zijn benen had van de kabels. Alle kinderen zijn volgens [slachtoffer 1] door haar vader mishandeld, behalve misschien de jongste.10

[slachtoffer 3]

heeft op 10 november 2020 een verklaring bij de politie afgelegd. Hij verklaarde dat hij 1 tot 2 jaar geleden voor het laatst is mishandeld door zijn vader, verdachte, en dat het daarvoor vaak gebeurde. Die laatste keer kwam zijn vader met een bezem in zijn hand naar hem toe en sloeg hem met de steel. Hij heeft hem toen overal geraakt waar dat maar kon. Ooit heeft zijn vader hem met een stofzuigerstang op zijn been geslagen, waardoor de stang brak. Dat was ongeveer 3 jaar geleden. [slachtoffer 3] verklaarde dat hij met meerdere kabels is geslagen, zoals een gourmetkabel, een telefoonkabel, een laptopkabel, met iets van de wasmachine en met verschillende bezems. Zijn vader sloeg met alles wat voor handen was, maar ook met vuisten en een vlakke hand. Hij heeft ook een keer zijn hoofd tegen de muur geslagen, waardoor [slachtoffer 3] een paar uur hoofdpijn had. [slachtoffer 3] herinnerde zich ook een incident waarbij zijn vader hem met een kabel zo hard op zijn benen, buik, rug en armen sloeg, dat hij striemen op zijn lichaam had. Als zijn vader onder invloed was van alcohol ging hij nog harder slaan. Volgens [slachtoffer 3] zijn zijn jongste twee zusjes nog nooit geslagen, maar de andere kinderen wel. [slachtoffer4] is net als [slachtoffer 3] heel druk en krijgt ook vaak klappen. Zijn oudste zus heeft ook veel klappen gekregen, omdat zij voor haar broertjes en zusjes opkwam. [slachtoffer 8] is volgens [slachtoffer 3] een keer met zijn hoofd tegen de muur geduwd door zijn vader. Dat gaf een heel harde knal.11

[slachtoffer 5]

heeft op 10 november 2020 een verklaring bij de politie afgelegd. Hij verklaarde dat zijn vader, verdachte, soms slaat en snel boos is. Tijdens het verhoor was het een jaar geleden dat [slachtoffer 5] geslagen is, maar zijn broertjes werden toen nog wel geslagen. Volgens [slachtoffer 5] werd hij mishandeld vanaf dat hij klein was. Hij vertelde dat hij meerdere keren geslagen is. Hij hield daar wel eens blauwe plekken aan over. Hij heeft het ook veel gezien bij zijn broertjes. Het gebeurde toen vooral veel bij [slachtoffer4] en bij [slachtoffer 10] soms. [slachtoffer4] werd heel hard geslagen, omdat hij druk is. [slachtoffer 5] vertelde ook over een incident waarbij eerst zijn broer [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]) werd geslagen met een bezem en daarna hij. Hij werd daar heel verdrietig van en had pijn. Zijn vader sloeg soms met een telefoonkabel of met een stok of met zijn hand. [slachtoffer 5] vertelde ook dat zijn vader als hij gedronken heeft veel sneller boos wordt en sneller gaat slaan dan anders.12

[slachtoffer 9]

Op 12 november 2020 heeft [slachtoffer 9] een verklaring bij de politie afgelegd. Hij vertelde dat ‘zij’ thuis worden mishandeld door zijn vader, verdachte. Zijn vader sloeg en schopte hen. Vooral [slachtoffer4] kreeg thuis heel vaak klappen, omdat hij druk is. Volgens [slachtoffer 9] sloeg zijn vader hen ook heel vaak met een kabel, een slipper, een stok of een pollepel. [slachtoffer 9] herinnerde zich ook een incident waarbij hij bij de trap werd geslagen en gekrabt, waarna hij bijna van de trap af viel. Volgens [slachtoffer 9] was de laatste mishandeling een jaar geleden. Ook vertelde [slachtoffer 9] over een keer dat hij met een stoel aan het ronddraaien was. Dat maakte veel lawaai. Zijn vader kwam toen met een kabel en toen kreeg hij klappen en [slachtoffer 5] ook één klap. Daarna had [slachtoffer 9] strepen op zijn rug, armen en buik. Een andere keer in de zomer, toen ze aan het spelen waren in het zwembad, sloeg hij [slachtoffer 9] een paar keer met een bezem op zijn rug. Hij sloeg toen ook [slachtoffer 10] met de bezem. Ook vertelde [slachtoffer 9] over een incident waarbij [slachtoffer 10] heel vaak werd getrapt in zijn buik, op zijn rug en op zijn benen door zijn vader. [slachtoffer 9] vertelde tot slot dat hij een keer bijna van de trap was getrapt door zijn vader.13

[slachtoffer 10]

In het dossier bevindt zich ook een brief die namens [slachtoffer 10] is geschreven door [slachtoffer 9] . In de brief staat dat [slachtoffer 10] zich thuis vaak niet veilig voelde als zijn vader, verdachte, er was. ‘Ze’ werden vaak mishandeld. Ze werden geslagen met een riem, kabels, een stok en een pollepel en werden ook geschopt. In de brief staat ook dat [slachtoffer 10] nooit geluid mocht maken als hij speelde en dat [slachtoffer4] thuis ook vaak werd geslagen.14

[slachtoffer4]

heeft op 12 november 2020 een verklaring bij de politie afgelegd. Hij vertelde dat papa hem altijd slaat. Dat gebeurde met een stok, met een kabel, met een slipper en met de hand. Zijn vader, verdachte, heeft dat meerdere keren gedaan. Het gebeurde thuis. [slachtoffer 10] werd ook geslagen met een stok op zijn rug, dat had [slachtoffer4] gezien. Dat was een bezem. [slachtoffer4] vertelde ook dat zijn vader hem een keer vanaf de vijfde trede van de trap had afgeduwd. Dat deed zijn vader omdat [slachtoffer4] per ongeluk zijn zusje in haar oog had geschoten met een speelgoedpistooltje. Toen [slachtoffer4] op de grond lag ging zijn vader verder met slaan op zijn rug. Volgens [slachtoffer4] werd hij ook met een witte oplaadkabel geslagen. Dat deed zijn vader ook bij [slachtoffer 10] , [slachtoffer 9] , [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3]) en nog anderen.15

Interpretatie van de bewijsstukken

Betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen

De advocaat heeft er op gewezen dat er aanwijzingen zijn dat de kinderen hun verhalen op elkaar hebben afgestemd. Ze hebben daar ook de gelegenheid voor gehad, aldus de advocaat. Door mogelijk onderling contact tussen de kinderen kunnen volgens de advocaat ook pseudo-herinneringen zijn ontstaan. Zij acht de verklaringen van de kinderen daarom niet betrouwbaar, zodat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

De rechtbank overweegt over dit verweer het volgende. Alle kinderen hebben gedetailleerd en met concrete voorbeelden verklaard. Hun verklaringen ondersteunen elkaar op bepaalde punten; zo vertelt zowel [slachtoffer 9] als [slachtoffer4] over een incident met een speelgoedpistooltje, verklaren [slachtoffer 6] en [slachtoffer 3] over een incident waarbij [slachtoffer 3] in bed lag en met een onderdeel van de wasmachine werd geslagen en komen de voorwerpen waarmee geslagen zou zijn overeen. Maar de kinderen verklaren op bepaalde punten ook verschillend, wat de rechtbank als aanwijzing ziet dat de verhalen niet op elkaar zijn afgestemd en dat het hier gaat om eigen waarnemingen van de kinderen Zo verklaren [slachtoffer 6] , [slachtoffer 8] en [slachtoffer 1] niet gedetailleerd over mishandelingen van hun jongste broertjes, omdat zij daar niet altijd bij waren. Sommige kinderen hebben daarnaast verklaard dat zij de details en tijdstippen van mishandelingen niet meer weten. Als van een complot wordt uitgegaan ligt het niet voor de hand dat zij dat verklaren. In zo’n geval zouden de kinderen dat soort zaken eerder hebben ingekleurd met wat aan hen was verteld en zouden zij de aangifte van [slachtoffer 1] over het seksueel misbruik expliciet hebben ondersteund. Tot slot vindt de rechtbank het feit dat ook [slachtoffer4] , ten tijde van het verhoor pas 6 jaar oud, zo gedetailleerd en concreet vertelt over de mishandelingen die zijn vader pleegde, niet passen bij een situatie waarin de verhalen op elkaar zijn afgestemd. Al met al biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt om te veronderstellen dat sprake is van een complot tegen verdachte. Het zijn alleen verdachte en de moeder van de kinderen die daar ongefundeerd over speculeren.

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen te twijfelen. De verweren van de advocaat op dit punt verwerpt de rechtbank dan ook. Dat de kinderen de mogelijkheid hebben gehad om te overleggen, maakt niet dat de kinderen niet uit eigen herinnering hebben verklaard. Dat in sommige gevallen pseudo-herinneringen kunnen ontstaan, maakt dat oordeel ook niet anders, nu er geen enkele aanwijzing voor bestaat dat dat ook bij deze kinderen aan de orde is.

Conclusie over de fysieke mishandelingen

De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde mishandelingen tegen de kinderen heeft gepleegd. Niet is vast te stellen vanaf welke precieze leeftijd de mishandelingen plaatsvonden. Daarom neemt de rechtbank als startdatum de geboorte van het betreffende kind. Voor de kinderen die vóór 1 januari 2008 zijn geboren neemt de rechtbank vanwege de verjaring 1 januari 2008 als startdatum. De kinderen verklaren concreter over het moment dat de mishandelingen eindigden. De rechtbank sluit bij het einde van de periode dan ook aan bij wat de kinderen daarover hebben verklaard.

De advocaat heeft erop gewezen dat verdachte in een gedeelte van de tenlastegelegde periode in België woonde en dus in ieder geval in die periode geen mishandelingen kan hebben gepleegd. Uit het dossier blijkt weliswaar dat verdachte een tijd in België heeft gewoond, maar ook dat hij in die tijd nog langskwam bij zijn gezin. De frequentie van de mishandelingen is in die periode wellicht lager, maar dat staan aan een bewezenverklaring niet in de weg. Het verweer van de advocaat wordt dan ook verworpen.

Conclusie over de benadeling van de gezondheid

Over de vraag of de kinderen in hun gezondheid zijn benadeeld als gevolg van het aanwezig zijn bij de fysieke mishandelingen van de andere kinderen en hun moeder overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de verklaringen van de kinderen blijkt dat zij allen de mishandeling en kleineringen van broers en zussen hebben gezien. Voor psychische mishandeling of emotionele verwaarlozing van kinderen hanteert het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) de volgende definitie: aanhoudende of extreme frustratie van elementaire emotionele behoeften van het kind, waaronder ongevoeligheid van de ouders met betrekking tot het ontwikkelingsniveau van het kind alsmede het uiten van bedreigingen (zonder verwondingen). Onder psychische mishandeling of emotionele verwaarlozing valt ook het getuige zijn van het kind van geweld tussen de ouders of een van de ouders en zijn/haar (ex)partner.16 De Jeugdwet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 definiëren kindermishandeling als: elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. Vormen hiervan zijn lichamelijke mishandeling, lichamelijke verwaarlozing, psychische mishandeling, psychische verwaarlozing, seksueel misbruik en getuige zijn van geweld in het gezin.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat het getuige zijn van huiselijk geweld gekwalificeerd kan worden als psychische mishandeling. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is.

Hoewel in de wetsgeschiedenis van artikel 300 Sr niet wordt gesproken over de geestelijke gezondheid, sluit de tekst van artikel 300 Sr dit ook niet uit. De in het vierde lid van artikel 300 Sr genoemde gelijkstelling van mishandeling met benadeling van de gezondheid biedt aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of onlust, maar ook voor psychische mishandeling. De rechtbank verwijst in dat verband ook naar het antwoord van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2020 op Kamervragen over psychische mishandeling waarin hij op vragen over de strafrechtelijke aanpak van psychische mishandeling wijst op artikel 300 Sr.17 Of sprake is van psychische mishandeling komt aan op de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging(en) van verdachte en de omstandigheden waaronder deze is/zijn verricht.

In deze zaak zijn acht opgroeiende kinderen vanaf jonge leeftijd gedurende meerdere jaren, variërend van vijf tot elf jaar, getuige geweest van zeer ernstig, stelselmatig huiselijk geweld. Verdachte heeft zijn kinderen in het bijzijn van andere kinderen vaak en ernstig mishandeld, zoals hierboven uit de verklaringen van de kinderen blijkt. Zij moesten opgroeien in een heel gevaarlijke en angstige situatie. Gelet op de aard van de gedragingen van verdachte en de duur van de mishandelingen is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte te kwalificeren is als psychische mishandeling. Dat uit het dossier niet blijkt dat de kinderen daadwerkelijk psychisch letsel hebben opgelopen – waar de advocaat op heeft gewezen –, doet daar niet aan af. Op de zitting is gebleken dat de kinderen zijn aangemeld voor het psychotraumacentrum om veronderstelde trauma’s te verwerken. Dat het psychisch letsel nu nog niet aantoonbaar vaststaat kan overigens ook worden verklaard door het feit dat verdachte pas sinds november 2020 uit hun leven is verdwenen en de impact van het gedrag van verdachte dus nog moet blijken.

Gelet op de omvang, duur en aard van de gedragingen van verdachte tegen zijn kinderen in het bijzijn van zijn andere kinderen, bestond er een aanmerkelijke kans op de benadeling van de (psychische) gezondheid van de kinderen. Verdachte moet zich hiervan bewust zijn geweest. Door toch te handelen zoals hij heeft gedaan heeft verdachte genoemde aanmerkelijke kans bewust aanvaard.

Aangezien de rechtbank slechts één geweldshandeling van verdachte tegen de moeder van de kinderen bewezenverklaart, spreekt de rechtbank verdachte vrij van het benadelen van de gezondheid van zijn kinderen doordat zij aanwezig waren bij de mishandeling en/of kleinering van hun moeder.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2. op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 oktober 2020 te Veenendaal, zijn kinderen, [slachtoffer 6] (geboren op [1999] ), [slachtoffer 8] (geboren op [2000] ), [slachtoffer 1] (geboren op [2002] ), [slachtoffer 3] (geboren op [2005] ), [slachtoffer 5] (geboren op [2007] ), [slachtoffer 9] (geboren op [2009] ), [slachtoffer 10] (geboren op [2012] ) en [slachtoffer4] (geboren op [2014] ) heeft mishandeld door

- in de periode van 1 januari 2008 tot en met 10 april 2014 zijn kind [slachtoffer 6] (geboren op [1999] ) meermalen, al dan niet met een voorwerp, te slaan in/op/tegen het gezicht en de slaap en op/tegen de ribben en de buik en te knijpen in de armen en

- in de periode van 1 januari 2008 tot en met 8 november 2013 zijn kind [slachtoffer 8] (geboren op [2000] ) meermalen te slaan in/op/tegen het gezicht en op/tegen het lichaam en bij zijn keel vast te grijpen en tegen een muur te duwen en/of gooien en

- in de periode van 1 januari 2008 tot en met 20 september 2020 zijn kind [slachtoffer 1] (geboren op [2002] ) meermalen, al dan niet met een voorwerp (te weten kabels/snoeren) te slaan in/op/tegen het gezicht en op/tegen de rug en buik, te duwen tegen het lichaam, waardoor die [slachtoffer 1] met haar hoofd tegen een muur aan kwam, en te schoppen en/of trappen tegen het lichaam en

- in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 november 2019 zijn kind [slachtoffer 3] (geboren op [2005] ) meermalen, al dan niet met een voorwerp (te weten onder andere een stofzuigerstang, een bezem(steel) en kabels/snoeren), te slaan in/op/tegen het gezicht, op/tegen de rug, benen en armen en te duwen tegen het lichaam, waardoor die [slachtoffer 3] met zijn hoofd tegen een muur aan kwam, en

- in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 november 2019 zijn kind [slachtoffer 5] (geboren op [2007] ) meermalen, al dan niet met een voorwerp (te weten onder andere een bezem(steel) en stok), te slaan tegen het lichaam en

- in de periode van 21 februari 2009 tot en met 12 november 2019 zijn kind [slachtoffer 9] (geboren op [2009] ) meermalen, al dan niet met een voorwerp (te weten onder andere een bezem(steel) en kabels/snoeren), te slaan tegen de rug, armen en het lichaam en te duwen tegen het lichaam terwijl die [slachtoffer 9] op een trap stond en

- in de periode van 5 maart 2012 tot en met 27 oktober 2020 zijn kind [slachtoffer 10] (geboren op [2012] ) al dan niet met een voorwerp (te weten onder andere een bezem(steel), een stok, kabels/snoeren en een riem) te slaan tegen de rug en te trappen en/of schoppen tegen buik, rug en benen en

- in de periode van 26 februari 2014 tot en met 27 oktober 2020 zijn kind [slachtoffer4] (geboren op [2014] ) al dan niet met een voorwerp (te weten onder andere een bezem(steel), een stok, en kabels/snoeren) te slaan tegen het hoofd en de rug en te duwen tegen het lichaam, waardoor die [slachtoffer4] meerdere traptredes naar beneden viel;

3. op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 27 oktober 2020 te Veenendaal, zijn kinderen, [slachtoffer 6] (geboren op [1999] ), [slachtoffer 8] (geboren op [2000] ), [slachtoffer 1] (geboren op [2002] ), [slachtoffer 3] (geboren op [2005] ), [slachtoffer 5] (geboren op [2007] ), [slachtoffer 9] (geboren op [2009] ), en [slachtoffer4] (geboren op [2014] ) heeft mishandeld door meermalen voornoemde kinderen te mishandelen, terwijl één of meer van voornoemde kinderen hierbij aanwezig waren en deze mishandelingen hebben waargenomen, waardoor opzettelijk de gezondheid van voornoemde kinderen werd benadeeld;

4. hij in de periode van 26 mei 2013 tot en met 26 februari 2014 te [woonplaats ] , zijn levensgezel [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar te slaan tegen de buik.

Verdachte wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen. De rechtbank heeft taal- en spelfouten in de tenlastelegging verbeterd. Dat is niet nadelig voor verdachte.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Als een verdachte zich kan beroepen op zo’n rechtvaardigingsgrond is zijn gedrag niet in strijd met het recht. Niet is gebleken dat er zo’n rechtvaardigingsgrond voor de door verdachte gepleegde feiten bestond. De door verdachte gepleegde feiten zijn dus strafbaar.

De wet noemt de door verdachte gepleegde feiten:

  • -

    feit 2, feit 3: telkens: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd;

  • -

    feit 4: mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Als een verdachte zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond is zijn gedrag niet verwijtbaar. Niet is gebleken dat verdachte een beroep kon doen op zo’n schulduitsluitingsgrond. Verdachte is dus strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie neemt het verdachte kwalijk dat hij ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn partner en zijn kinderen. Hij heeft hen met zijn handelen voor het leven getekend. Volgens de officier van justitie is alleen een forse gevangenisstraf passend. Hij vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van het voorarrest en dat aan verdachte een 38v-maatregel, die een contactverbod met zijn kinderen inhoudt, wordt opgelegd. Hij verzoekt de maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat van verdachte verzoekt een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest van verdachte. Verdachte is bereid zich aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden te houden, maar vindt die voorwaarden niet nodig. De advocaat verzoekt daarnaast om de voorlopige hechtenis op te heffen of anders te schorsen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder verdachte die feiten heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, op. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij deze straf heeft bepaald.

8.3.1

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd

Verdachte heeft zich in een periode van in totaal bijna dertien jaar schuldig gemaakt aan fysieke en psychische mishandeling van acht van zijn kinderen. Ook heeft verdachte zijn partner mishandeld op het moment dat zij hoogzwanger was, door haar in haar buik te slaan. Verdachte heeft daarmee zowel de lichamelijke als psychische integriteit van zijn kinderen en partner ernstig geschonden.

Verdachte heeft zijn kinderen met meerdere voorwerpen geslagen, terwijl zijn andere kinderen daar getuige van waren. Soms waren de mishandelingen zo heftig dat een kind daar striemen op zijn lichaam aan overhield. De mishandelingen van de kinderen vonden meestal in hun eigen huis plaats, terwijl een kind zich juist bij zijn ouder en in zijn woning zonder enig voorbehoud veilig zou moeten kunnen voelen. De mishandelingen vonden bijna de gehele jeugd van de kinderen plaats. Toen de mishandelingen aan het licht kwamen, zijn de kinderen direct uit huis geplaatst. De rechtbank rekent het verdachte zeer zwaar aan dat hij zijn kinderen een normale jeugd heeft ontnomen en met zijn handelen de ontwikkeling van zijn kinderen mogelijk ernstig heeft verstoord. De kans dat de kinderen de rest van hun leven last zullen blijven houden van het feit dat hun vader heeft gezorgd voor een onveilige thuissituatie is erg groot.

Bij de feiten die verdachte heeft gepleegd past naar het oordeel van de rechtbank enkel een gevangenisstraf van behoorlijke duur. Dat neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt bij het bepalen van de straf.

8.3.2

De persoonlijke omstandigheden van verdachte

Strafblad

Uit het strafblad (de ‘justitiële documentatie’) van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Aangezien dat al lang geleden is en (grotendeels) andersoortige feiten betreffen, heeft dat geen invloed op de straf.

Adviezen van deskundigen

Advies van de psycholoog

Verdachte is onderzocht door een psycholoog, Y. Nijhuis. Nijhuis heeft een rapport over verdachte geschreven.

De psycholoog heeft geen psychische stoornis bij verdachte kunnen vaststellen. De psycholoog adviseert daarom om de bewezenverklaarde feiten volledig aan verdachte toe te rekenen. Dat betekent dat verdachte volgens de psycholoog volledig verantwoordelijk is voor wat hij heeft gedaan. De psycholoog kon niet inschatten wat de kans op herhaling van strafbare feiten is.

Advies van de reclassering

Verdachte heeft ook een gesprek gevoerd met M. Henrotte van Reclassering Nederland. Henrotte heeft een rapport over verdachte geschreven.

De reclassering vindt dat verdachte begeleiding moet krijgen bij huisvesting, aangezien hij na detentie niet terug kan naar de gezamenlijke woning. Door de ernst en duur van de feiten vindt de reclassering het belangrijk dat verdachte bij de reclassering in beeld blijft. Zo kan de reclassering eventueel ook ingrijpen op gedrag dat de kans op herhaling van strafbare feiten kan verhogen. Omdat verdachte ontkent, kan de reclassering de kans op herhaling van strafbare feiten op dit moment niet inschatten.

De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    meldplicht bij de reclassering;

  • -

    begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

  • -

    een alcoholverbod;

  • -

    een contactverbod met zijn kinderen.

8.3.3

Conclusie

Zoals eerder opgemerkt past bij de feiten die verdachte heeft gepleegd alleen een vrijheidsbenemende sanctie van behoorlijke duur. De rechtbank ziet in de persoon van verdachte ook geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken. Wel vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte zich na een gevangenisstraf nog aan voorwaarden moet houden, zodat de kans op herhaling van strafbare feiten zo klein mogelijk is. Alles afgewogen vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden. Aan de voorwaardelijke straf verbindt de rechtbank een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met zijn kinderen. De rechtbank vindt het niet nodig om een verplichting tot begeleid wonen en een alcoholverbod op te leggen, aangezien onvoldoende is gebleken dat verdachte daar hulp bij nodig heeft. De rechtbank zal bepalen dat op verzoek van de kinderen, of de gecertificeerde instelling die bij minderjarige kinderen betrokken is, kan worden afgeweken van het contactverbod. De rechtbank vindt een proeftijd van drie jaar nodig, zodat verdachte er voor lange tijd aan herinnerd wordt dat hij geen strafbare feiten mag plegen.

De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, aangezien de proeftijd pas begint op het moment dat verdachte uit de gevangenis komt.

Deze straf is fors lager dan door de officier van justitie is geëist. Allereerst komt dat doordat de rechtbank het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] niet bewezen acht, terwijl dat feit ook een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou rechtvaardigen. Daarnaast heeft de rechtbank de verjaarde feiten niet bij de strafoplegging betrokken, hetgeen de officier van justitie (deels) wel lijkt te hebben gedaan.

Omdat de rechtbank aan verdachte een langere gevangenisstraf oplegt dan de tijd die verdachte tot nu toe in voorarrest heeft doorgebracht, zal zij de voorlopige hechtenis niet opheffen of schorsen.

9 BENADEELDE PARTIJ

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1

Het standpunt van de advocaat

De advocaat van verdachte verzoekt de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat de beoordeling daarvan een onevenredige belasting van de strafzaak zou zijn en zij vrijspraak van de feiten heeft bepleit. De vorderingen zijn heel laat aan de verdediging toegezonden, waardoor de advocaat geen mogelijkheid heeft gehad om de vorderingen en – met name – de daarbij gevoegde stukken met verdachte te bespreken. Volgens de advocaat heeft de verdediging zich dan ook niet voldoende kunnen voorbereiden op het verweer tegen de vorderingen. Subsidiair verzoekt de advocaat de gevorderde materiële schade af te wijzen, omdat het causale verband niet vaststaat, en de gevorderde immateriële schade aanzienlijk te matigen.

9.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de vorderingen geen onevenredige belasting van de strafzaak oplevert. De inhoud van het strafdossier was de verdediging al lange tijd bekend. De stukken die aan de vorderingen tot immateriële schadevergoeding ten grondslag zijn gelegd, leveren ten opzichte van dit dossier geen wezenlijk ander beeld op. Op de zitting zijn de vorderingen uitgebreid toegelicht en heeft de advocaat ook inhoudelijk verweer gevoerd tegen deze vorderingen. De advocaat heeft daarnaast niet om onderbreking dan wel aanhouding verzocht om alsnog aspecten met verdachte te bespreken dan wel zich nog beter voor te kunnen bereiden op zo’n verweer en de vorderingen zijn niet erg ingewikkeld. De rechtbank verwerpt het verweer van de advocaat op dit punt dan ook.

In het vervolg zal de rechtbank de vordering van alle benadeelden apart bespreken. In algemene zin overweegt de rechtbank nog het volgende. De toegewezen bedragen aan immateriële schadevergoeding zijn lager dan gevorderd, in sommige gevallen aanzienlijk lager. Dat heeft er onder andere mee te maken dat de rechtbank in de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding geen rekening heeft kunnen houden met de reeds verjaarde feiten. Daarnaast heeft de rechtbank er voor gekozen om alle kinderen eenzelfde bedrag toe te kennen, in plaats van de hoogte afhankelijk te stellen van de periode waarover het kind slachtoffer is geweest. De rechtbank vindt namelijk niet dat het slachtoffer zijn over een langere periode zonder meer tot hogere schade lijdt. Zo zijn er juist ook jongere kinderen die vaker lijken te zijn mishandeld, wat weer een reden zou kunnen zijn om hen een hoger bedrag toe te kennen. Tot slot is het zo dat de schade van alle kinderen op dit moment nog niet volledig duidelijk is. De rechtbank heeft daarom de schade op basis van de beschikbare informatie geschat.

9.3

[slachtoffer 6]

heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een bedrag van € 33.625,-. Dat bedrag bestaat uit € 16.625,- aan materiële schade wegens studievertraging en € 17.000,- aan immateriële schade.

Materiële schade

De rechtbank vindt dat [slachtoffer 6] onvoldoende onderbouwd heeft dat de studievertraging die zij heeft opgelopen een rechtstreeks gevolg is van de mishandelingen die haar vader pleegde. Alhoewel de rechtbank zich goed voor kan stellen dat er een verband bestaat tussen de bewezenverklaarde feiten en de opgelopen studievertraging, is er voor het aannemen van een causaal verband meer nodig. Dan moet dat verband uitgebreider onderbouwd worden, zeker nu ook andere gebeurtenissen, waaronder het overlijden van een van haar broertjes, een rol kunnen hebben gespeeld. [slachtoffer 6] kan de vergoeding van dit bedrag nog wel aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Immateriële schade

Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b Burgerlijk Wetboek komt immateriële schade (onder andere) voor vergoeding in aanmerking als sprake is van een aantasting in de persoon. Kindermishandeling zoals zich in onderhavig geval heeft voorgedaan vormt een ernstige inbreuk op de lichamelijke en psychische integriteit en als algemene ervaringsregel kan worden aangenomen dat dit leidt tot (ernstige) psychische gevolgen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom, op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

[slachtoffer 6] heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank vindt – mede gelet op bedragen die in andere zaken worden toegekend – een bedrag van € 5.000,- billijk. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank [slachtoffer 6] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. [slachtoffer 6] kan de vergoeding van dat deel van de vordering aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 6] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

9.4

[slachtoffer 8]

heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een bedrag van € 13.000,-. Dat bedrag bestaat uit immateriële schade.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen over het juridisch kader en op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

[slachtoffer 8] heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank vindt – mede gelet op bedragen die in andere zaken worden toegekend – een bedrag van € 5.000,- billijk. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank [slachtoffer 8] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. [slachtoffer 8] kan de vergoeding van dat deel van de vordering aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 8] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

9.5

[slachtoffer 1]

heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een bedrag van € 55.625,-. Dat bedrag bestaat uit € 17.625,- aan materiële schade wegens studievertraging en € 38.000,- aan immateriële schade.

Materiële schade

De rechtbank vindt dat [slachtoffer 1] onvoldoende onderbouwd heeft dat de studievertraging die zij heeft opgelopen een rechtstreeks gevolg is van de mishandelingen die haar vader pleegde. Alhoewel de rechtbank zich goed voor kan stellen dat er een verband bestaat tussen de bewezenverklaarde feiten en de opgelopen studievertraging, is er voor het aannemen van een causaal verband meer nodig. Dan moet dat verband uitgebreider onderbouwd worden, zeker nu ook andere gebeurtenissen, waaronder het overlijden van een van haar broertjes, een rol kunnen hebben gespeeld. [slachtoffer 1] kan de vergoeding van dit bedrag nog wel aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Immateriële schade

Uit de vordering blijkt dat een bedrag van € 21.000,- wordt gevorderd voor de schade die is ontstaan door seksueel misbruik. Aangezien de rechtbank verdachte vrijspreekt van het plegen van seksueel misbruik, zal de rechtbank [slachtoffer 1] in dit deel van de vordering nietontvankelijk verklaren.

Op grond hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen over het juridisch kader en op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

[slachtoffer 1] heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank vindt – mede gelet op bedragen die in andere zaken worden toegekend – een bedrag van € 5.000,- billijk. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.
Het toegewezen bedrag valt in het geval van [slachtoffer 1] aanzienlijk lager uit dan dat zij heeft gevorderd. Naast de algemene opmerkingen die de rechtbank hierover heeft gemaakt, komt dat in het geval van [slachtoffer 1] ook doordat haar vordering mede is gebaseerd op het seksuele misbruik, terwijl de rechtbank verdachte daarvan vrijspreekt.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank [slachtoffer 1] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. [slachtoffer 1] kan de vergoeding van dat deel van de vordering aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

9.6

[slachtoffer 3]

heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een bedrag van € 14.000,-. Dat bedrag bestaat uit immateriële schade.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen over het juridisch kader en op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

[slachtoffer 3] heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank vindt – mede gelet op bedragen die in andere zaken worden toegekend – een bedrag van € 5.000,- billijk. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank [slachtoffer 3] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. [slachtoffer 3] kan de vergoeding van dat deel van de vordering aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 3] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

9.7

[slachtoffer 5]

heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een bedrag van € 12.000,-. Dat bedrag bestaat uit immateriële schade.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen over het juridisch kader en op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

[slachtoffer 5] heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank vindt – mede gelet op bedragen die in andere zaken worden toegekend – een bedrag van € 5.000,- billijk. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank [slachtoffer 5] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. [slachtoffer 5] kan de vergoeding van dat deel van de vordering aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 5] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

9.8

[slachtoffer 9]

heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een bedrag van € 11.000,-. Dat bedrag bestaat uit immateriële schade.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen over het juridisch kader en op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

[slachtoffer 9] heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank vindt – mede gelet op bedragen die in andere zaken worden toegekend – een bedrag van € 5.000,- billijk. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank [slachtoffer 9] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. [slachtoffer 9] kan de vergoeding van dat deel van de vordering aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 9] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

9.9

[slachtoffer 10]

heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een bedrag van € 8.000,-. Dat bedrag bestaat uit immateriële schade.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen over het juridisch kader en op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

[slachtoffer 10] heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank vindt – mede gelet op bedragen die in andere zaken worden toegekend – een bedrag van € 5.000,- billijk. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank [slachtoffer 10] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. [slachtoffer 10] kan de vergoeding van dat deel van de vordering aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 10] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

9.10

[slachtoffer4]

heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Hij vordert een bedrag van € 6.000,-. Dat bedrag bestaat uit immateriële schade.

Op grond van hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen over het juridisch kader en op grond van de stukken in het dossier en wat op de zitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is sprake van een aantasting in de persoon als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte.

[slachtoffer4] heeft recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank vindt – mede gelet op bedragen die in andere zaken worden toegekend – een bedrag van € 5.000,- billijk. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade dan ook tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling.

Voor het overige deel van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank [slachtoffer4] in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. [slachtoffer4] kan de vergoeding van dat deel van de vordering aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer4] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 8 juni 2021 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 60 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

9.11

[slachtoffer 2]

heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert een bedrag van € 3.500,-. Dat bedrag bestaat uit immateriële schade.

Uit de vordering blijkt dat de hoogte van het gevorderde bedrag is gebaseerd op een veel langere periode van mishandeling dan de periode die de rechtbank bewezen heeft verklaard. Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 2] daarnaast aangegeven dat zij na 2008 niet meer is mishandeld. Dat maakt dat de rechtbank moeilijk kan vaststellen welke schade zij heeft geleden als gevolg van de mishandeling die de rechtbank wel bewezen heeft verklaard. De rechtbank vindt daarom dat [slachtoffer 2] onvoldoende heeft onderbouwd dat de bewezenverklaarde mishandeling immateriële schade heeft veroorzaakt en zal [slachtoffer 2] dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Zij kan de vergoeding van het gevorderde bedrag nog aan de burgerlijke rechter verzoeken.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 60a, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het overige ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat van deze straf een gedeelte van 6 maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt daarbij een proeftijd van drie jaren vast;

  • -

    als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14 c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- als bijzondere voorwaarden gelden dat verdachte:

o zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2 in Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

o op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met zijn kinderen ( [slachtoffer 6] ( [1999] ), [slachtoffer 8] ( [2000] ), [slachtoffer 1] ( [2002] ), [slachtoffer 3] ( [2005] ), [slachtoffer 5] ( [2007] ), [slachtoffer 9] ( [2009] ), [slachtoffer 10] ( [2012] ), en [slachtoffer4] ( [2014] ), tenzij hiervan op verzoek van (één van) de kinderen en/of de bij hem/haar betrokken gecertificeerde instelling en in overleg met de betrokken jeugdzorg-instantie wordt afgeweken.

- geeft Reclassering Nederland de opdracht om toe te zien op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Benadeelde partij [slachtoffer 6]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 6] toe tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 6] ;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 6] € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer 8]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 8] toe tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 8] ;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 8] € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] ;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 3] toe tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] ;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer 6]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 6] toe tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 6] ;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 6] € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer 9]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] ;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de erplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer 10]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 10] toe tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 10] ;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 10] € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer4]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer4] toe tot een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer4] ;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer4] € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2021, aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F. Koenis, voorzitter, mrs. G. Schnitzler en A. Bouteibi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 juni 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 november 2010 tot en met 26 november 2013 te Veenendaal, althans in Midden-Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met zijn kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2002] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) te plegen, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

- meermalen, althans éénmaal, zijn, verdachtes, penis tegen de (ingang van de) vagina van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt en/of

- meermalen, althans éénmaal, met zijn hand(en) en/of vinger(s) en/of tong en/of mond (aan) het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] heeft betast en/of aangeraakt en/of gelikt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 244 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 november 2010 tot en met 26 november 2013 te Veenendaal, althans in Midden-Nederland, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind [slachtoffer 1] , geboren op [2002] , door

- meermalen, althans éénmaal, zijn, verdachtes, penis tegen het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] te houden en/of drukken en/of

- meermalen, althans éénmaal, met zijn, verdachtes, hand(en) en/of vinger(s) en/of tong en/of mond (aan) het geslachtsdeel van die [slachtoffer 1] te betasten en/of aan te raken en/of te likken;

( art 247 Wetboek van Strafrecht, art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht )

2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 1999 tot en met 27 oktober 2020 te Veenendaal en/of elders in Nederland, zijn kind(eren), [slachtoffer 6] (geboren op [1999] ) en/of [slachtoffer 8] (geboren op [2000] ) en/of [slachtoffer 1] (geboren op [2002] ) en/of [slachtoffer 3] (geboren op [2005] ) en/of [slachtoffer 5] (geboren op [2007] ) en/of [slachtoffer 9] (geboren op [2009] ) en/of [slachtoffer4] (geboren op [2014] ) heeft mishandeld door

- in de periode van 11 april 1999 tot en met 1 november 2016 zijn kind [slachtoffer 6] (geboren op [1999] ) meermalen, althans éénmaal, al dan niet met een voorwerp te slaan in/op/tegen het gezicht en/of de slaap, althans het hoofd en/of op/tegen de ribben en/of de buik, althans het lichaam en/of te duwen tegen het lichaam en/of te knijpen in de arm(en), althans het lichaam en/of

- in de periode van 9 november 2000 tot en met 8 november 2013 zijn kind [slachtoffer 8] (geboren op [2000] ) meermalen, althans éénmaal, al dan niet met een voorwerp te slaan in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of op/tegen het lichaam en/of bij zijn keel vast te grijpen en/of tegen een muur te duwen en/of gooien en/of

- in de periode van 27 november 2002 tot en met 1 september 2020 zijn kind [slachtoffer 1] (geboren op [2002] ) meermalen, althans éénmaal, al dan niet met een voorwerp (te weten kabels/snoeren) te slaan in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of op/tegen de rug en/of buik, althans het lichaam en/of te duwen op/tegen het lichaam waardoor die [slachtoffer 1] met haar hoofd tegen een muur aan kwam en/of te schoppen en/of trappen op/tegen het lichaam en/of

- in de periode van 3 januari 2005 tot en met 1 november 2019 zijn kind [slachtoffer 3] (geboren op [2005] ) meermalen, althans éénmaal, al dan niet met een voorwerp (te weten onder andere een stofzuigerstang en/of een bezem(steel) en/of kabel(s)/snoer(en)) te slaan in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of op/tegen de rug en/of be(e)n(en) en/of arm(en), althans het lichaam en/of te duwen op/tegen het lichaam waardoor die [slachtoffer 3] met zijn hoofd tegen een muur aan kwam en/of

- in de periode van 9 juni 2007 tot en met 1 november 2019 zijn kind [slachtoffer 5] (geboren op [2007] ) meermalen, althans éénmaal, al dan niet met een voorwerp (te weten onder andere een bezem(steel) en/of stok) te slaan in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of het lichaam en/of

- in de periode van 21 februari 2009 tot en met 27 oktober 2020 zijn kind [slachtoffer 9] (geboren op [2009] ) meermalen, althans éénmaal, al dan niet met een voorwerp (te weten onder andere een bezem(steel) en/of kabel(s)/snoer(en)) te slaan in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of op/tegen de rug en/of be(e)n(en) en/of arm(en), althans het lichaam en/of te duwen op/tegen het lichaam terwijl die [slachtoffer 9] op een trap stond en/of

- in de periode van 5 maart 2012 tot en met 27 oktober 2020 zijn kind [slachtoffer 10] (geboren op [2012] ) al dan niet met een voorwerp (te weten onder andere een bezem(steel) en/of stok en/of kabel(s)/snoer(en) en/of riem) te slaan in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of op/tegen de rug en/of be(e)n(en) en/of arm(en), althans het lichaam en/of te trappen en/of schoppen op/tegen buik en/of rug en/of be(e)n(en), althans het lichaam en/of

- in de periode van 26 februari 2014 tot en met 27 oktober 2020 zijn kind [slachtoffer4] (geboren op [2014] ) al dan niet met een voorwerp (te weten onder andere een bezem(steel) en/of stok en/of kabel(s)/snoer(en) en/of een plastic speelgoedpistool) te slaan in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of op/tegen de rug en/of be(e)n(en) en/of arm(en), althans het lichaam en/of te duwen op/tegen het lichaam waardoor die [slachtoffer4] één of meerdere traptrede(s) naar beneden viel;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

3. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 1999 tot en met 27 oktober 2020 te Veenendaal en/of elders in Nederland, zijn kind(eren), [slachtoffer 6] (geboren op [1999] ) en/of [slachtoffer 8] (geboren op [2000] ) en/of [slachtoffer 1] (geboren op [2002] ) en/of [slachtoffer 3] (geboren op [2005] ) en/of [slachtoffer 5] (geboren op [2007] ) en/of [slachtoffer 9] (geboren op [2009] ) en/of [slachtoffer4] (geboren op [2014] ) heeft mishandeld door meermalen, althans éénmaal, [slachtoffer 2] , zijnde de moeder van voornoemde kinderen, en of één of meer van voornoemde kinderen, te mishandelen en/of te kleineren terwijl één of meer van voornoemde kind(eren) hierbij aanwezig was/waren en/of deze mishandelingen en/of kleineringen heeft/hebben waargenomen, waardoor één of meer van voornoemde kind(eren) psychisch letsel heeft/hebben bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij hen is veroorzaakt en/of waardoor opzettelijk de gezondheid van één of meer van voornoemde kind(eren) werd benadeeld;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

4. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 april 1999 tot en met 27 oktober 2020 te Veenendaal en/of elders in Nederland, zijn levensgezel [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar meermalen, althans éénmaal,

- te slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd en/of in/op/tegen de buik en/of elders op/tegen het lichaam en/of

- te duwen op/tegen het lichaam;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 304 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer PL09002020285995 van 2 februari 2020, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 404. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BS7910, HR 10 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1354, HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717, HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1117.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 94.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 102.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 77-79.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris van 11 mei 2021.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 133-134.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige bij de rechter-commissaris van 11 mei 2021.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 83-86.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 91-95.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 100-103.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 120-126.

14 Een geschrift, te weten: een handgeschreven brief, p. 62.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 108-116.

16 Van Vianen e.a. (2010), De inzet van het strafrecht bij kindermishandeling, WODC.

17 Kamervragen (Aanhangsel 2019-2020), nr. 3944. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20192020-3944.html.