Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2367

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
UTR 19/2568, UTR 19/2569 en UTR 19/2807
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wabo, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan, einduitspraak na bestuurlijke lus, Verdrag van Aarhus. De rechtbank komt terug van haar oordelen over de ontvankelijkheid van enkele eisers, gelet op de twee richtinggevende uitspraken van de Afdeling over het Varkens in Nood-arrest van het Hof van Justitie. De eiser die geen zienswijze heeft ingediend is daarom toch ontvankelijk. Dat geldt ook voor de eisers die geen belanghebbende zijn, maar die wel een zienswijze hebben ingediend. Inhoudelijk oordeelt de rechtbank over de verklaring van geen bedenkingen die de gemeenteraad alsnog heeft verleend. Het college van burgemeester en wethouders heeft dit besluit aan de omgevingsvergunning ten grondslag kunnen leggen en hiermee is het gebrek in de besluitvorming hersteld. Het college mocht het raadsbesluit voorbereiden, dat is inherent aan de bevoegdheidsverdeling. Er is op geen enkele manier gebleken van de door eisers veronderstelde vooringenomenheid bij de gemeenteraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8520
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/2568, UTR 19/2807 en UTR 19/2569

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juni 2021 in de zaak tussen

1 (zaaknummer UTR 19/2568)

[eiser 1] ,

[eiser 2] ,

[eiseres 1] ,

[eiser 3] ,

[eiser 4] ,

[eiser 5] ,

[eiser 6] ,

[eiser 7] ,

[eiser 8]

[eiser 9] en

[eiseres 2] ;

2 (zaaknummer UTR 19/2807)

[eiser 10] ;

3 (zaaknummer UTR 19/2569)

[eiser 11] ,

[eiseres 3] en

maatschap [eiseres 4] .;

allen uit [woonplaats] ,

(allen: gemachtigde mr. T. van der Weijde)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht

(het college), verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ralović).

Verder hebben als partij aan het geding deelgenomen:

[A]

(gemachtigde: drs. D.F.G. Nuland)

en

de raad van de gemeente Stichtse Vecht (de gemeenteraad)

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht

(gedeputeerde staten)

(gemachtigde: mr. H.S. Heite).

Inleiding

Met het besluit van 11 juni 2019 heeft het college aan [A] een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een hondenkennel als nevenfunctie van de veehouderij die hij exploiteert aan de [adres] in [woonplaats] . Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft op 13 augustus 2020 tussenuitspraak gedaan in deze zaak.1 In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het besluit van 11 juni 2019 te herstellen. Het college moet daarvoor de aanvraag om de omgevingsvergunning voorleggen aan de gemeenteraad voor een verklaring van geen bedenkingen. Het gebrek in de besluitvorming van het college wordt hersteld als de gemeenteraad alsnog een verklaring van geen bedenkingen afgeeft die aan de omgevingsvergunning ten grondslag kan worden gelegd.

Op 3 november 2020 heeft de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het oprichten van een hondenkennel voor maximaal 68 honden.

Eisers hebben met hun brieven van 15 januari 2021, 7 april 2021, 8 april 2021 en 14 april 2021 hun zienswijzen ingediend tegen de verklaring van geen bedenkingen en de totstandkoming daarvan.

Op verzoek van eisers heeft op 26 april 2021 een tweede zitting plaatsgevonden. Hierbij waren namens eisers [eiser 3] en [eiser 11] aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door drs. [B] , planoloog. [A] was aanwezig samen met zijn echtgenote.

De ontvankelijkheid van eisers

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dat is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. In deze zaak doet zich ten aanzien van de ontvankelijkheid van eisers zo een zeer uitzonderlijk geval voor.

2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van de maatschap [eiseres 4] . in de einduitspraak niet-ontvankelijk verklaard zal worden, omdat de maatschap voorafgaand aan het beroep geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning.2

3. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verder geoordeeld dat ook de beroepen van eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiseres 1] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 8] en [eiser 10] in de einduitspraak niet-ontvankelijk verklaard zullen worden, omdat zij geen belanghebbenden zijn bij de verleende omgevingsvergunning.

4. De rechtbank komt terug van deze in de tussenuitspraak gegeven rechtsoordelen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft recent twee richtinggevende uitspraken gedaan naar aanleiding van het zogenoemde ‘Varkens in Nood’-arrest3 van het Hof van Justitie in Luxemburg. In de uitspraak van 14 april 20214 heeft de ABRvS bepaald dat het indienen van een zienswijze tegen een ontwerpbesluit niet langer als voorwaarde gesteld kan worden voor toegang tot de bestuursrechter in omgevingsrechtelijke zaken. Het gaat dan onder andere om zaken waarop de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing is, zoals in deze zaak het geval is. In de uitspraak van 4 mei 20215 heeft de ABRvS bepaald dat ook niet-belanghebbenden die eerder een zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerpbesluit van een omgevingsvergunning bij de bestuursrechter beroep kunnen instellen tegen de definitieve omgevingsvergunning. Dit is alleen het geval als het indienen van zienswijzen ook voor iedereen is opengesteld.

5. Gelet op de uitspraak van de ABRvS van 14 april 2021 is het beroep van de maatschap ontvankelijk. Voor de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van de maatschap sluit de rechtbank aan bij de beoordeling hiervan in de tussenuitspraak. De inhoudelijke beroepsgronden van de maatschap zijn namelijk gelijk aan de beroepsgronden die zijn ingediend door [eiser 11] en [eiseres 3] .

6. Ook eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiseres 1] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 8] en [eiser 10] zijn gelet op de uitspraak van de ABRvS van 4 mei 2021 ontvankelijk in hun beroep. Tegen de ontwerp-omgevingsvergunning in deze zaak kon een ieder, in overeenstemming met artikel 3.12, vijfde lid, van de Wabo, zienswijzen indienen. De uitspraak van de ABRvS die ertoe leidt dat deze eisers nu alsnog ontvankelijk moeten worden geacht in hun beroep is gedaan na de sluiting van het onderzoek op de tweede zitting in deze zaak op 26 april 2021. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het onderzoek in deze zaak te heropenen. De beroepsgronden van de eisers die nu alsnog ontvankelijk zijn in beroep zijn dezelfde als die van de eisers die de rechtbank in de tussenuitspraak al ontvankelijk had geacht. Het heropenen van het onderzoek kan daarom niet tot nieuwe inzichten leiden. Bovendien worden de eisers uit alle zaaknummers vertegenwoordigd door dezelfde gemachtigde. Hij was op de zitting van 26 april 2021 aanwezig en heeft inhoudelijk het woord gevoerd namens eisers. Op de zitting van 26 april 2021 was ook één van de eisers aanwezig van wie het beroep in de tussenuitspraak niet-ontvankelijk werd geacht. Ook hij heeft op de zitting van 26 april 2021 zijn inhoudelijke standpunten naar voren kunnen brengen.

7. De rechtbank zal in het vervolg van deze uitspraak ingaan op de inhoudelijke gronden die eisers naar voren hebben gebracht. De rechtbank zal eerst stilstaan bij de wijze waarop de verklaring van geen bedenkingen tot stand is gekomen en vervolgens bij de inhoudelijke standpunten die eisers tegen de verklaring van geen bedenkingen naar voren hebben gebracht. Tot slot zal de rechtbank beoordelen of het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor dit project geen Milieueffectrapportage (MER) vereist is.

De verklaring van geen bedenkingen

8. Uit de overwegingen in de tussenuitspraak volgt dat het beroep van eisers tegen het besluit van 11 juni 2019 gegrond is, omdat het college voor het verlenen van de omgevingsvergunning ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen heeft gevraagd aan de gemeenteraad. Het bestreden besluit van 11 juni 2019 wordt daarom door de rechtbank vernietigd.

9. Met het raadsbesluit van 3 november 2020 heeft de gemeenteraad alsnog een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Aan de verklaring van geen bedenkingen heeft de gemeenteraad het raadsvoorstel van het college van 15 september 2020 ten grondslag gelegd. Tegen een verklaring van geen bedenkingen staat geen beroep open.6 In deze einduitspraak wordt de rechtmatigheid van de verklaring van geen bedenkingen getoetst in het kader van het beroep van eisers tegen de verleende omgevingsvergunning. De rechtbank zal in deze einduitspraak beoordelen of het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek met het afgeven van de verklaring van geen bedenkingen is hersteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de zienswijzen die eisers hebben ingediend in reactie op het herstel van het gebrek door het college.

Is de verklaring van geen bedenkingen op de juiste wijze tot stand gekomen?

10. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank bepaald dat afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw toegepast hoeft te worden ten aanzien van eventuele besluitvorming door de gemeenteraad.7 Dit betekent dat de gemeenteraad geen ontwerpbesluit hoefde te nemen. Op de zitting is met eisers vastgesteld dat de gemeenteraad in overeenstemming hiermee heeft gehandeld en dat eisers geen bezwaren hebben tegen deze handelswijze van de gemeenteraad.

11. Eisers voeren wel aan dat de besluitvorming door de gemeenteraad onzorgvuldig tot stand is gekomen. In het raadsvoorstel is ten onrechte opgenomen dat de zienswijzen van eisers die wonen aan de [straat] en de [straat] niet-ontvankelijk zijn. Hierdoor is het onduidelijk of de gemeenteraad bij zijn besluitvorming voldoende kennis heeft genomen van de zienswijzen van deze eisers of dat deze zienswijzen door de gemeenteraad bij voorbaat als niet-relevant zijn aangemerkt. Volgens eisers ontbreekt bij de totstandkoming van de verklaring van geen bedenkingen ook een eigen beoordeling door de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft het raadsvoorstel van het college overgenomen zonder daarover een zelfstandige beoordeling te maken. Eisers hebben in het kader van de zorgvuldigheid verder nog aangevoerd dat het burgerinitiatief ‘ [burgerinitiatief] ’ door de gemeenteraad ten onrechte niet is betrokken in zijn belangenafweging. De gemeenteraad heeft het burgerinitiatief pas na het vaststellen van de verklaring van geen bedenkingen op 15 december 2020 besproken. Volgens eisers had het op de weg van de gemeenteraad gelegen om dit burgerinitiatief te bespreken in dezelfde raadsvergadering als die waarin de verklaring van geen bedenkingen is besproken.

12.1

Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van geen bedenkingen op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Uit het raadsbesluit volgt dat de gemeenteraad kennis heeft genomen van alle revelante stukken, inclusief de zienswijzen en de nota’s van beantwoording van de zienswijzen. De gemeenteraad is daarmee volledig geïnformeerd. In het raadsvoorstel van 3 november 2020 is inderdaad beschreven dat de zienswijzen van een aantal omwonenden niet-ontvankelijk zijn. Eisers stellen terecht en ook het college erkent dat deze beschrijving niet juist is, omdat het indienen van zienswijzen, gelet op het bepaalde in 3:15, tweede lid, van de Awb, voor een ieder open stond. De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding voor de conclusie dat de verklaring van geen bedenkingen onzorgvuldig tot stand is gekomen. In het raadsvoorstel wordt juist voorgesteld om de inhoudelijke beoordeling van alle zienswijzen door het college in de beoordeling te betrekken om onzorgvuldigheid te voorkomen. De gemeenteraad heeft dat voorstel in het raadsbesluit gevolgd.

12.2

Het is ook niet onzorgvuldig dat de gemeenteraad het raadsvoorstel van het college heeft overgenomen. Uit artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet volgt dat het college bevoegd is om beslissingen van de gemeenteraad voor te bereiden, tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester hiermee is belast. Dat het raadsbesluit is voorbereid door het college, maakt dus niet dat de gemeenteraad geen eigen standpunt heeft ingenomen. Deze werkwijze is inherent aan de bevoegdheidsverdeling tussen het college van burgemeester en wethouders als dagelijks bestuur van de gemeente en de gemeenteraad, zoals die ook is verankerd in de Gemeentewet. De gemeenteraad mocht dus uitgaan van het raadvoorstel van het college bij zijn beoordeling.

12.3

Over het burgerinitiatief ‘ [burgerinitiatief] ’ overweegt de rechtbank dat de gemeenteraad bekend was met dit initiatief, maar dat hij er desondanks voor heeft gekozen om de verklaring van geen bedenkingen te verlenen. Deze handelswijze betreft een politieke afweging van de gemeenteraad. Het staat de gemeenteraad vrij om de afweging op deze manier te maken. Dat maakt de totstandkoming van de verklaring van geen bedenkingen niet onzorgvuldig. De beroepsgronden slagen niet.

13. Eisers hebben verder nog aangevoerd dat er bij de besluitvorming over de verklaring van geen bedenkingen sprake is geweest van belangenverstrengeling en dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt. Ter onderbouwing hebben eisers gewezen op diverse gebeurtenissen. Volgens eisers heeft de wethouder tijdens de commissiebespreking laten weten dat de gemeente schadeplichtig is als de verklaring van geen bedenkingen zou worden geweigerd, zodat een weigering voor de gemeente een groot financieel risico met zich brengt. Daarnaast is het commissieverslag aan de gemeenteraad selectief door het college aangepast. Zo zijn de discussie over blafoverlast en de ervaringen van een CDA-woordvoerder bij een bezoek aan een vergelijkbaar hondenkennel in Baarn weg gelaten. Eisers hebben er verder op gewezen dat [A] door een van de raadsleden ‘ [voornaam] ’ wordt genoemd, wat impliceert dat sprake is van een goede en vriendschappelijke verstandhouding tussen beiden. Tot slot had de fractie van Streekbelangen aan eisers laten weten tegen de afgifte van de verklaring van geen bedenkingen te zullen stemmen, maar deze fractie heeft uiteindelijk toch voor gestemd.

14. Het verbod op vooringenomenheid van de gemeenteraad volgt uit artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Het tweede lid van artikel 2:4 van de Awb geeft de burger een waarborg voor het naleven van deze norm. Uit rechtspraak van de ABRvS8 volgt echter dat het tweede lid van artikel 2:4 van de Awb niet met zich brengt dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan, zoals de gemeenteraad, en die bij een besluit een belang heeft, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch proces. Er kunnen zich wel bijkomende omstandigheden voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is van zulke bijkomende omstandigheden in dit geval geen sprake. Uit de omstandigheden die eisers hebben aangevoerd is vooringenomenheid bij de besluitvorming op geen enkele manier gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

Is de verklaring van geen bedenkingen inhoudelijk juist?

15. Een omgevingsvergunning voor afwijken van een bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 3 van de Wabo wordt niet verleend voordat de gemeenteraad heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft. Dit volgt uit artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo in combinatie met artikel 6:5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Bij de beoordeling of hij een verklaring van geen bedenkingen wil afgeven voor een project moet de gemeenteraad bezien of het project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.9 De gemeenteraad moet bij die beoordeling alle planologisch relevante omstandigheden betrekken. Als de gemeenteraad geen verklaring van geen bedenkingen wil afgeven moet hij deugdelijk motiveren waarom een project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

16. Eisers voeren aan dat de gemeenteraad niet heeft onderkend dat zijn afwegingskader ruimer is dan dat van het college bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Dit betekent volgens eisers dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen mag weigeren op ruimere gronden dan alleen een goede ruimtelijke ordening. Eisers hebben er bijvoorbeeld op gewezen dat een tekort aan parkeerplaatsen voor de gemeenteraad een reden kan zijn om een verklaring van geen bedenkingen te weigeren en dat een dergelijke weigeringsgrond in de rechtspraak ook stand houdt.

17.1

De rechtbank volgt eisers daarin niet. De gemeenteraad moet bij de beoordeling of hij een verklaring van geen bedenkingen wil geven bezien of een project al dan niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Dit is het ook het toetsingskader van het college bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan. Zowel het college als de gemeenteraad betrekken bij hun beoordeling dus dezelfde norm, namelijk die van de goede ruimtelijke ordening. De rechtspraak waar eisers ter onderbouwing op hebben gewezen, ondersteunt hun standpunt niet. Zo volgt uit de aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 9 januari 2019 juist dat de gemeenteraad aan zijn weigering een verklaring van geen bedenkingen te verlenen niet het bestaand tekort aan parkeerplaatsen ten grondslag kon leggen.

17.2

Het hiervoor beschreven beoordelingskader van de gemeenteraad neemt niet weg dat de gemeenteraad beleidsruimte heeft bij het besluit tot al dan niet verlenen van een verklaring van geen bedenkingen. De rechtbank toetst of de gemeenteraad, met inachtneming van alle betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn besluit is gekomen. De rechtbank beoordeelt in dit geval dan ook niet of de gemeenteraad de verklaring van geen bedenkingen had kunnen of had moeten weigeren, maar of deze in redelijkheid is verleend.

17.3

De gronden die eisers hebben gericht tegen de beoordeling door het college in het kader van de goede ruimtelijke ordening heeft de rechtbank in de tussenuitspraak al beoordeeld. Voor zover eisers tegen de verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad dezelfde inhoudelijke gronden aanvoeren, beoordeelt de rechtbank die op dezelfde manier. Voor de gronden van eisers gericht tegen de aantasting van het woon- en leefklimaat, geluidsoverlast en landschappelijke inpassing verwijst de rechtbank dan ook naar wat hierover is geoordeeld in de tussenuitspraak.

Overige inhoudelijke gronden

18. Eisers voeren verder aan dat de gemeenteraad bij zijn besluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van omliggende agrarische bedrijven. Zij vrezen dat hun bedrijfsvoering zal worden verstoord door geluidsoverlast van de hondenkennel. In dat kader hebben eisers een aanvullend akoestisch onderzoek ingebracht waarmee zij betwisten dat een blaftijd van 5% gedurende de dagperiode bij een dierenpension als representatief kan worden aangemerkt.

19. De rechtbank volgt eisers daarin niet. Het akoestisch onderzoek dat eisers hebben ingebracht is opgesteld voor de oprichting van een ander dierenpension op een andere locatie. Dit rapport is daarom onvoldoende reden voor de rechtbank om af te wijken van het oordeel in de tussenuitspraak en de vaste rechtspraak van de ABRvS over de blaftijd bij een dierenpension.10 De beroepsgrond slaagt niet.

20. Eisers voeren verder aan dat de verklaring van geen bedenkingen is verleend in strijd met het Afwijkingenbeleid 2014 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (herijking 2016), provincie Utrecht. Voor zover het Afwijkingenbeleid en de Provinciale Ruimtelijke Verordening niet van toepassing zijn, vinden eisers dat de gemeenteraad daar bij zijn beoordeling wel aan had moeten toetsen. Bovendien zijn de aan de omgevingsvergunning gestelde voorschriften volgens eisers niet handhaafbaar. Het voorgaande had voor de gemeenteraad aanleiding moeten zijn om de verklaring van geen bedenkingen te weigeren.

21. De rechtbank geeft eisers daarin geen gelijk. De normen uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening richten zich tot het college als bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning en niet tot de gemeenteraad als verlener van de verklaring van geen

bedenkingen. Het Afwijkingenbeleid is een beleidsregel die het college heeft opgesteld voor de aanwending van diezelfde bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Zowel de Provinciale Ruimtelijke Verordening als het Afwijkingenbeleid zijn dus opgesteld in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden van het college. De gemeenteraad is daaraan niet rechtstreeks gebonden. Het is dan ook niet onzorgvuldig dat de gemeenteraad daar bij het verlenen van de verklaring van geen bedenkingen niet zelfstandig aan heeft getoetst. Ook hoefde de gemeenteraad de handhaafbaarheid van de voorschriften niet bij de beoordeling van de verklaring van geen bedenkingen te betrekken, want ook de handhaving is een bevoegdheid van het college. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie over de verklaring van geen bedenkingen

22. Uit het voorgaande volgt dat de gemeenteraad de verklaring van geen bedenkingen in het licht van alle betrokken belangen heeft kunnen verlenen in het kader van de goede ruimtelijke ordening. De beroepsgronden van eisers gericht tegen de wijze waarop de verklaring van geen bedenkingen tot stand is gekomen en de inhoudelijke gronden hiertegen, slagen niet. Het college heeft deze verklaring van geen bedenkingen mogen gebruiken om het in de tussenuitspraak gesignaleerde gebrek te herstellen.

Is voor het project een Milieueffectrapportage vereist?

23. In de tussenuitspraak is de rechtbank niet ingegaan op de vraag of voor dit project een milieueffectrapportage (mer) vereist is. Eisers hebben er terecht op gewezen dat zij dit als zelfstandige beroepsgrond hebben aangevoerd, en niet alleen om te onderbouwen dat een verklaring van geen bedenkingen vereist was. Volgens eisers is een mer vereist omdat hier sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, zodat voor het project geen mer is vereist.

24. De rechtbank overweegt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen.11 Gelet op de aard en omvang van het project kan de wijziging van de bouw van het hondenkennel niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar gaat het project gepaard met enige uitbreiding van de bebouwing, maar die acht de rechtbank niet zodanig dat daarvan belangrijke milieugevolgen te verwachten zijn, gezien de situatie rondom het perceel. Gelet op hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat op het project de regels over de mer niet van toepassing zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

25. Uit de tussenuitspraak volgt dat de beroepen van de maatschap [eiseres 4] en van [eiser 1] , [eiser 2] , [eiseres 1] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 8] en [eiser 10] in de einduitspraak niet-ontvankelijk verklaard zouden worden. Uit deze einduitspraak volgt echter, gelet op de recente ontwikkelingen in de rechtspraak, dat alle eisers die in deze zaak beroep hebben ingesteld ontvankelijk zijn.

26. Verder volgt uit de tussenuitspraak dat het besluit van het college gebrekkig is omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning door het college moest worden voorgelegd aan de gemeenteraad voor het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen. Het beroep van eisers is daarom gegrond. Het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning wordt daarom vernietigd.

27. In deze einduitspraak stelt de rechtbank vast dat er een rechtmatige verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad is verleend en dat daarmee het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld. De resterende beroepsgrond van eisers dat voor het verlenen van de omgevingsvergunning een MER vereist is, slaagt niet. Dit leidt ertoe dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning in stand laat. Dat betekent dat [A] de hondenkennel als nevenfunctie bij de veehouderij mag bouwen en in gebruik mag nemen.

Proceskostenveroordeling

28. Omdat het beroep van eisers gegrond is, veroordeelt de rechtbank het college in de vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht en in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Eisers hebben bij aanvang van de procedure in drie verschillende samenstellingen beroep ingesteld bij de rechtbank en zij hebben daarom drie keer griffierecht betaald. Het college moet in alle drie de zaaknummers het griffierecht van eisers vergoeden. Eisers hebben zich in de deze zaken laten bijstaan door een professioneel rechtsbijstandverlener. De gemachtigde heeft vanaf de eerste zitting in deze zaak alle eisers vertegenwoordigd. De rechtbank ziet de beroepen van de verschillende partijen daarom als samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

29. De proceskosten van eisers worden door de rechtbank met toepassing van het Bpb begroot op € 1.869,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze na het verlenen van de verklaring van geen bedenkingen en 1 punt voor het verschijnen op de tweede zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- in de afzonderlijke zaaknummers aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.869,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, leden, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is uitgesproken op 3 juni 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RBMNE:2020:3268.

2 Artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3 Uitspraak van het Hof van Justitie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7.

4 ECLI:NL:RVS:2021:786.

5 ECLI:NL:RVS:2021:953.

6 Dit volgt uit artikel 8:5, eerste lid, en artikel 1 van bijlage 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7 Dit in afwijking van het bepaalde in artikel 2.27 en artikel 3.10, eerste lid, onder e, van de Wabo.

8 Uitspraak van de ABRvS van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1317.

9 Uitspraak van de ABRvS van 2 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:9.

10 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 20 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3908.

11 Zie de uitspraak van de ABRvS van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:386.