Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2267

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
27-05-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
UTR 20/2650
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak woningurgentie. Vereiste dwingend aangewezen op nieuwe woonruimte. Verweerder heeft niet de beleidsvrijheid om in de praktijk af te wijken van de termijn in de Huisvestingsverordening. Vraagstelling aan en daardoor genoemde termijn in advies van Verzekeringsarts onduidelijk. Bestreden besluit hierdoor onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. Geen recht op woningurgentie op grond van calamiteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2650


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.H.R. van Heeks),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.S. Biervliet en K.K. Bahora).

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een urgentieverklaring bij woningtoewijzing afgewezen.

In het besluit van 17 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2020 via Skype for Business. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen


Waarover gaat deze zaak?

  1. Eiser heeft bij verweerder een urgentieverklaring aangevraagd op medische gronden. Hij woont in een tijdelijke onzelfstandige woonvoorziening van het [organisatie 1] . Op 29 januari 2020 is voor eisers aanvraag medisch advies uitgebracht door verzekeringsarts [A] van [organisatie 2] (hierna: de verzekeringsarts). Die heeft geadviseerd dat het vanwege eisers beperkte inspanningstolerantie en psychische kwetsbaarheid nodig is dat hij een gelijkvloerse zelfstandige woonruimte vindt, maar dit hoeft niet op zeer korte termijn te zijn.

  2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat het advies tot de conclusie leidt dat eiser niet (vanwege medische redenen) dringend is aangewezen op andere woonruimte, aangezien de verzekeringsarts heeft geadviseerd dat eiser niet op zeer korte termijn een zelfstandige woonruimte nodig heeft. Daarom voldoet eiser volgens verweerder niet aan de voorwaarden voor een urgentieverklaring die staan in artikel 11, tweede lid onder 3 en derde lid van de Huisvestingsverordening Almere 2019 (Huisvestingsverordening). Er is geen reden om aan het advies te twijfelen en eiser heeft ook geen concrete aanknopingspunten of een contra-expertise aangevoerd om de juistheid van het advies in twijfel te trekken. Daarnaast voldoet eiser niet aan de voorwaarden voor andere urgentiecategorieën en ziet verweerder geen aanleiding om hem in afwijking van de urgentieregels urgentie te verlenen op grond van de hardheidsclausule.

Heeft verweerder het advies van de verzekeringsarts juist geïnterpreteerd?

3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte uit het advies van de verzekeringsarts heeft afgeleid dat eiser niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring bij het vinden van een zelfstandige woonruimte. De Huisvestingsverordening vereist voor een urgentie op medische gronden dat een woning nodig is op korte termijn. De verzekeringsarts geeft daarentegen aan dat eiser niet op zeer korte termijn een woning hoeft te vinden. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten na te vragen aan de verzekeringsarts wat hij onder een zeer korte termijn heeft verstaan. Omdat in de Huisvestingsverordening staat dat een korte termijn maximaal drie tot vier maanden is, ligt het voor de hand dat een zeer korte termijn een termijn tot drie maanden lang is.

4. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat alleen recht bestaat op een medische urgentie wanneer vanwege medische redenen op zéér korte termijn een woning nodig is. Onder zeer korte termijn wordt verstaan: nul tot drie maanden. Het streven is vervolgens dat iemand die recht heeft op een urgentieverklaring binnen een ‘korte termijn’ (maximaal zes maanden) een woningaanbieding heeft voor een passende woning. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat dit de termijnen zijn die in de praktijk worden gehanteerd. Dit wijkt af van de ‘korte termijn’ van maximaal drie tot vier maanden die in de Huisvestingsverordening wordt genoemd. In de praktijk is die termijn namelijk bijna niet haalbaar vanwege de woningschaarste. De verzekeringsarts zal van dezelfde termijnen zijn uitgegaan als verweerder in de praktijk doet, omdat verweerder vaste opdrachtgever is van [organisatie 2] en er regelmatig overleg tussen hen plaatsvindt. Dat eiser niet binnen zeer korte termijn een zelfstandige woning nodig heeft betekent volgens verweerder dat een woning niet binnen drie maanden noodzakelijk is, maar dat binnen een langere termijn een oplossing gezocht kan worden. Dat kan – afhankelijk van het geval en de oplossing die gezocht wordt – soms twee à drie jaar in beslag nemen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder er niet van uit heeft kunnen gaan dat de verzekeringsarts van dezelfde termijnen is uitgegaan als verweerder zelf, zodat niet duidelijk is tot welke conclusie het advies leidt. Daarnaast geeft de toelichting van verweerder er blijk van dat hij de Huisvestingsverordening niet correct heeft toegepast. De rechtbank legt dit hieronder uit.

6. In bijlage II van de Huisvestingsverordening, onder 3, staat dat in het geval van ernstige medische redenen vereist is dat:
het medische probleem langdurig is en de situatie dermate ontwrichtend is dat deze alleen kan worden opgelost met een woning op korte termijn (maximaal 3 tot 4 maanden).

Verweerder heeft de verzekeringsarts de volgende vraag voorgelegd:
Is sprake van een langdurig medische probleem en is de huidige woonsituatie dermate ontwrichtend dat deze alleen kan worden opgelost met een zelfstandige woonruimte op zeer korte termijn? (onderstreping toegevoegd door de rechtbank). De verzekeringsarts heeft geadviseerd dat het nodig is dat eiser zelfstandige woonruimte vindt, maar dat dit niet op zeer korte termijn hoeft te zijn. Wat onder een zeer korte termijn moet worden beschouwd is echter niet gedefinieerd in de Huisvestingsverordening, en ook niet in het advies van de verzekeringsarts. De rechtbank volgt eiser in de opvatting dat als een korte termijn drie tot vier maanden is, de logica ertoe dwingt om te concluderen dat een zeer korte termijn een periode korter dan drie maanden is. Verweerder heeft dit desgevraagd ter zitting erkend.

7. De rechtbank volgt verweerder niet in de opvatting dat iemand alleen recht kan hebben op urgentie wanneer hij op zeer korte termijn, dus minder dan drie maanden, een woning nodig heeft. Dit volgt namelijk niet uit de Huisvestingsverordening. Verweerder heeft in dit geval niet de beleidsvrijheid om in de praktijk andere termijnen te hanteren dan in de Huisvestingsverordening staan. Met de toelichting op zitting heeft verweerder duidelijk gemaakt dat verweerder er vanwege het tekort aan sociale huurwoningen niet altijd in slaagt om bij een medische urgentie binnen zes maanden een geschikte woning te vinden en dat de termijnen die in de praktijk worden gehanteerd om die reden afwijken van wat in de Huisvestingsverordening staat. Verweerder lijkt daarmee de vraag op grond van welke criteria een belanghebbende in aanmerking komt voor een medische urgentie te verwarren met de vraag binnen welke periode vervolgens een geschikte woning wordt aangeboden. Deze vragen moeten naar het oordeel van de rechtbank worden onderscheiden, waarbij geldt dat éérst moet worden onderzocht of iemand voldoet aan de criteria voor een medische urgentie omdat de situatie dermate ontwrichtend is dat deze alleen kan worden opgelost met een woning op korte termijn. In de Huisvestingsverordening staat expliciet dat het hierbij om een periode van drie tot vier maanden gaat. Verweerder had in de vraagstelling aan de verzekeringsarts moeten aansluiten bij de korte termijn en de definitie daarvan in de Huisvestingsverordening. Omdat de verzekeringsarts is gevraagd naar een zeer korte termijn én het aantal maanden dat daarmee werd bedoeld niet duidelijk is gemaakt, was de vraagstelling onzorgvuldig. Het antwoord op de vraagstelling was daarom ook niet bruikbaar bij de beoordeling of eiser recht heeft op urgentie. Het was namelijk niet duidelijk hoeveel maanden de verzekeringsarts in gedachten had. Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

Komt eiser in aanmerking voor urgentie op grond van calamiteiten?

8. Eiser voert vervolgens aan dat hij ook in aanmerking komt voor urgentie omdat sprake is van calamiteiten die alleen kunnen worden opgelost met een passende woning, zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder f van de Huisvestingsverordening. Eiser is al eens van de trap gevallen omdat hij vanwege zijn medische conditie slecht kan traplopen. Het traplopen en de spanning en stress die hij in zijn huidige woning ervaart in combinatie met zijn medische klachten maken het voorzienbaar dat het niet verlenen van een urgentie nogmaals tot een (medische) noodsituatie of calamiteit kan leiden.

9. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat deze urgentiecategorie ervoor is bedoeld de mogelijkheid te geven aan verhuurders om problematische situaties van huurders op te lossen, bijvoorbeeld het geval dat een huurder een ongeluk heeft gehad waarbij hij zijn benen heeft verloren en daarom acuut verplaatst moet worden naar een andere passende woning. Daarbij geldt de regeling dat verhuurders maximaal 3% van de vrijkomende woningen voor het oplossen van deze problematiek mogen gebruiken zonder tussenkomst van de urgentiecommissie. Verweerder heeft geoordeeld dat van calamiteit in de zin van artikel 11, tweede lid, aanhef en onder f van de Huisvestingsverordening geen sprake is.

10. De rechtbank is van oordeel dat de aanvraag van eiser is gedaan op medische gronden, zoals bedoeld in artikel 11, tweede lid, onder c van de Huisvestingsverordening en dat de omstandigheden die kunnen leiden tot de medische (nood-)situatie die eiser vreest, dienen te worden beoordeeld in het kader van dat artikellid. Diezelfde omstandigheden hoefde verweerder niet (ook) te beschouwen als calamiteiten zoals bedoeld in het tweede lid onder f. Het is duidelijk dat het (risico op) van de trap vallen niet onder de reikwijdte van dit artikel valt Verweerder heeft dus in redelijkheid kunnen oordelen dat eisers aanvraag niet voldeed aan de toepassingsvoorwaarden van die bepaling. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

11. Zoals hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 7 is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het besluit is daarom in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering op het bestreden besluit of door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, kan verweerder de verzekeringsarts van [organisatie 2] vragen wat hij in zijn advies van 29 januari 2020 heeft bedoeld met een korte termijn, uitgedrukt in de hoeveelheid maanden en op basis daarvan de motivering van het bestreden besluit aanvullen of anderszins aan de rechtbank berichten. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

12. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om verdere vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H.W. Schierbeek, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 27 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De griffier is verhinderd om De rechter is verhinderd om

deze uitspraak te ondertekenen. deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.