Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2262

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
16/21208-20 en 16/306915-20 (gev. ttz) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging doodslag, schuldheling en openlijk geweldpleging. Jeugddetentie van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, een werkstraf van 150 uur en een leerstraf (gericht op agressieregulatie) voor de duur van 35 uur. Verdachte heeft door het nemen van een aanloop en het met kracht schoppen tegen het hoofd van het slachtoffer, die op dat moment nietsvermoedend op zijn buik lag, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden. Dat verdachte met blote voet trapte, doet daaraan niet af (poging doodslag). Ook heeft verdachte een tweede slachtoffer naar de grond gewerkt en meermalen geslagen, waarbij hij werd aangemoedigd door medeverdachten die eveneens geweld uitoefende op dit slachtoffer (openlijk geweld).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/21208-20 en 16/306915-20 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 juni 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2005] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,
hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 januari 2021 en 18 mei 2021. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 18 mei 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. I.M.F. Graumans en van hetgeen verdachte en zijn raadsman mr. A.J.M. Mohrmann, advocaat te Bussum naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van hetgeen namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 16/212087-20

op 6 augustus 2020 te Blaricum heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven door hem tegen zijn hoofd te schoppen en in/tegen zijn gezicht te slaan/stompen;

Subsidiair

op 6 augustus 2020 te Blaricum heeft geprobeerd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem tegen zijn hoofd te schoppen en in/tegen zijn gezicht te slaan/stompen;

Meer subsidiair

op 6 augustus 2020 te Blaricum [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem tegen zijn hoofd te schoppen en in/tegen zijn gezicht te slaan/stompen;

Parketnummer 16/306915-20

Feit 1 primair

op 22 november 2020 te Naarden samen met anderen een paar schoenen (merk Lacoste) heeft gestolen van [slachtoffer 2] , terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 2] ;

Feit 1 subsidiair

op 22 november 2020 te Naarden samen met anderen een paar schoenen (merk Lacoste) heeft geheeld;

Feit 2

op 22 november 2020 te Naarden samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] ;

en/of

op 22 november 2020 te Naarden samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] ;

en/of

op 22 november 2020 te Naarden samen met anderen [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

en/of

op 22 november 2020 te Naarden samen met anderen [slachtoffer 3] heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht hetgeen primair onder parketnummer 16/212087-20 ten laste is gelegd wettig en overtuigend te bewijzen. Ook acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte [slachtoffer 3] heeft mishandeld en vervolgens openlijk geweld tegen hem heeft gepleegd (16/306915-20, feit 2). Verdachte duwt [slachtoffer 3] , waardoor hij op de grond valt (mishandeling) en komt later met een groep terug, waarbij een medeverdachte de eerste klap uitdeelt en verdachte aanmoedigt, waarop ook verdachte [slachtoffer 3] stompt en slaat (openlijk geweld). Tot slot acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen hetgeen onder parketnummer 16/306915-20, feit 1 subsidiair, ten laste is gelegd, nu verdachte in deze situatie ten minste had moeten vermoeden dat de schoenen van een strafbaar feit afkomstig waren.

De officier van justitie heeft verzocht verdachte vrij te spreken van hetgeen onder parketnummer 16/306915-20, feit 1 primair, ten laste is gelegd en van de mishandeling van en openlijk geweld tegen [slachtoffer 2] (feit 2). Uit het dossier blijkt niet dat verdachte aanwezig was in de groep die de schoenen van [slachtoffer 2] heeft gestolen en hem heeft geduwd en geschopt.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit van het onder parketnummer 16/212087-20 tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit het dossier blijkt niet dat het verdachte is geweest die het slachtoffer heeft geschopt. Verdachte ontkent en de enige herkenning van getuige [getuige 1] is onvoldoende om verdachte te identificeren. De opgenomen gesprekken tussen vader en vermoedelijk de broer van verdachte en tussen kickboksleraar [A] en verdachte voegen niks toe aan het bewijs. De MMA-melding is niet te verifiëren en dus ook niet bruikbaar. Kortom: kwantitatief zijn er volgens de raadsman veel bewijsmiddelen maar deze kunnen niet tot de overtuiging leiden dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft geschopt. Subsidiair, in geval van een bewezenverklaring, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte met het uittrappen van zijn schoenen heeft willen voorkomen dat de trap de dood (primair) of zwaar lichamelijk letsel (subsidiair) tot gevolg zou hebben. De schop dient gekwalificeerd te worden als mishandeling (meer subsidiair).

De raadsman heeft tevens vrijspraak bepleit van de onder parketnummer 16/306915-20 tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Ten aanzien van feit 2 zijn drie fasen te onderscheiden. De eerste fase ziet op duwen en trekken tussen verdachte en [slachtoffer 3] en de raadsman stelt zich op het standpunt dat deze handelingen niet als mishandeling te kwalificeren zijn. De tweede fase begint als er meerdere jongens verschijnen. Volgens de raadsman is volstrekt onduidelijk wie welke handeling uitvoert en wat hierbij de rolverdeling is. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte in het geweld tegen [slachtoffer 3] een significante bijdrage heeft geleverd. Dan is er de derde fase waarbij [slachtoffer 2] wordt belaagd. Uit het dossier blijkt niet wie gestolen heeft (feit 1) of wie geweldshandelingen heeft uitgevoerd jegens [slachtoffer 2] (feit 2). Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de schoenen die hij in zijn handen gedrukt kreeg van diefstal afkomstig waren.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Parketnummer 16/212087-20

Bewijsmiddelen 1

In het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] staat onder meer het volgende vermeld:

Plaats delict: Blaricum

Als verklaring van aangever [slachtoffer 1] :

Ik doe aangifte […] tegen een jongen genaamd [verdachte] . […] Op donderdag 6 augustus 2020 was ik op het Stichtse strand, Blaricum Beach aan de Stichtseweg. […] . Ik weet nog wel dat ik op mijn buik lag en op mijn handdoek. Ik kan mij herinneren dat ik [verdachte] zag komen aanrennen en ik kan mij deels herinneren dat ik een harde trap tegen mijn hoofd kreeg van hem. […] Ik ben door die harde trap bewusteloos geraakt. […] Ik heb afgelopen nacht in het ziekenhuis gelegen. Ik hoorde dat ik een zware hersenschudding heb..2

Uit de brief van Y. van Dijk, arts-assistent Kindergeneeskunde, namens C.E. Crijns-Koers, kinderarts, blijkt onder meer het volgende:

Neurologisch: Oriëntatie in trias gestoord. Aandacht wel te trekken, maar niet te behouden. Antero- en retrograde amnesie. […] Trauma capitis na trappen tegen het hoofd; daarbij bewustzijnsverlies, braken en retrograde amnesie. […]3

Getuige [getuige 1] heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik lag op dat moment op een handdoek in de zon. Ik zag dat [slachtoffer 1] samen met vrienden ook aanwezig was op het strand. Ik zag dat [slachtoffer 1] op ongeveer 3 meter linksvoor mij lag. […]

Ik zag toen ineens rechts van mij [verdachte] aan komen rennen. […] Ik zag dat [verdachte] naar [slachtoffer 1] toe rende. Ik zag dat [verdachte] toen met zijn voet [slachtoffer 1] in zijn gezicht schopte. Ik zag dat [slachtoffer 1] bij de schop in zijn gezicht rechts op zijn kaak geraakt werd en daardoor werd zijn hoofd naar links gedraaid.4

Getuige [getuige 2] heeft onder meer het volgende verklaard:

Hij had blote voeten. […] Hij moest ongeveer 10 meter rennen.5 […] De trap die hij gaf was echt heel hard en ik kan die trap het beste omschrijven zoals een voetballer een penalty neemt. […] Ik zag dat het slachtoffer met zijn hoofd even loskwam van de grond.

Getuite [getuige 3] heeft onder meer het volgende verklaard:

Op een gegeven moment hoorde ik een soort van krak. Ik draaide mij vervolgens om en ik zag dat [slachtoffer 1] lag te trillen en te schokken op de grond. […] Ik hoorde [slachtoffer 2] zeggen dat [verdachte] , [slachtoffer 1] tegen zijn hoofd had geschopt.6

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen vaststaat dat het verdachte is geweest die [slachtoffer 1] op 6 augustus 2020 te Blaricum met grote kracht tegen zijn hoofd heeft geschopt.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of verdachte het opzet op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehad. Omdat verdachte ontkent dat hij [slachtoffer 1] heeft geschopt, is ook onduidelijk wat zijn intentie is geweest. De volgende vraag is dan of sprake is van voorwaardelijk opzet, waarbij dient te worden vastgesteld of verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever [slachtoffer 1] door zijn handelen zou kunnen komen te overlijden. Hierbij moet de gedraging van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm gericht zijn op het intreden van de dood.

De rechtbank overweegt allereerst dat het een algemene ervaringsregel is dat het hoofd een vitaal en kwetsbaar deel is van het lichaam. Wanneer met kracht met de voet op of tegen het hoofd getrapt wordt, bestaat een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg daarvan komt te overlijden. Hierbij kan één trap reeds voldoende zijn. Dit geldt temeer wanneer het slachtoffer op zijn buik op de grond ligt en de trap niet heeft kunnen zien aankomen. Nu het algemene ervaringsregels betreft heeft een ieder, en dus ook verdachte, wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans

Voordat verdachte de trap gaf, heeft hij een aanloop genomen, en is verdachte dus rennend op het slachtoffer afgegaan. Door getuigen wordt omschreven dat deze trap met kracht werd gegeven, alsof verdachte een penalty nam. Dat de trap met kracht werd gegeven blijkt uit de aanloop, maar ook uit het feit dat [slachtoffer 1] bewusteloos raakte en dat hij als gevolg van het geweld naar het ziekenhuis moest.

De rechtbank is van oordeel dat de hierboven beschreven gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van [slachtoffer 1] gericht te zijn dat het, behoudens contra-indicaties, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. In het bijzonder overweegt de rechtbank hierbij dat verdachte een aanloop heeft genomen, heeft geschopt met een kracht alsof hij een penalty nam, terwijl het slachtoffer nietsvermoedend op zijn buik lag. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is niet gebleken van contra-indicaties in deze zaak. Dat verdachte voorafgaand aan het nemen van de trap zijn schoenen of slippers heeft uitgedaan kan hij immers ook hebben gedaan om zich juist sneller te kunnen voortbewegen op het strandje.

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] na de schop ook nog een klap heeft gegeven en spreekt verdachte hiervan partieel vrij. Waar de getuigen consistent verklaren over de schop, verklaren de getuigen niet of wisselend over de klap waardoor de rechtbank niet de overtuiging heeft bekomen dat verdachte [slachtoffer 1] een klap heeft gegeven.

4.3.2

Parketnummer 16/306915-20

Vrijspraak feit 1 primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Op basis van het door [slachtoffer 2] opgegeven signalement kan niet worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die geweldshandelingen heeft uitgevoerd dan wel de Lacoste schoenen heeft gestolen. Verder bewijs voor de aanwezigheid van verdachte bij deze handelingen jegens [slachtoffer 2] , ontbreekt.

Bewijsmiddelen 7

Feit 1 subsidiair

Aangever [slachtoffer 2] heeft onder meer het volgende verklaard:

Op zondag 22 november 2020 omstreeks 00.10 uur was ik met een vijftal vrienden op de Vestingpad te Naarden-Vesting ter hoogte van Oostwalstraat te Naarden-Vesting.8 […] Ik voelde dat mensen aan mijn voeten zaten […]. Ik zag dat mijn witte Lacoste schoenen, die ik aan had, weg waren.9

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] staat onder meer het volgende:

Op zondag 22 november 2020 omstreeks 00.25 uur […] hoorden wij dat de melder werd achtervolgd door twee Vespa’s. Wij zagen dat ons twee snorfietsen van het merk Vespa passeerden in tegengestelde richting. Bestuurder van snorfiets voorzien van kenteken [kenteken] ( Gele Piaggio Vespa )
*** [B] ***10
Geboren op: 23 juli 2003
Bijrijder van snorfiets voorzien van kenteken [kenteken] ( Gele Piaggio Vespa )
*** [verdachte] ***
Geboren op [2005]

[…] Wij zagen in de buddyseat van de gele snorfiets voorzien van kenteken [kenteken] één paar witte schoenen liggen. Wij zagen dat deze schoenen van het merk "Lacoste" waren.11

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] staat onder meer het volgende:

Ik, verbalisant [verbalisant 3] heb de schoenen welke bij de verdachte zijn aangetroffen laten zien aan de aangever [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] gaf gelijk aan dat dit zijn schoenen waren.12

Verdachte heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik deed de schoenen in [B] buddy.

Die schoenen kreeg ik vlak voordat we wegreden. Iemand kwam naar mij toe rennen met schoenen en zei: “pak pak”. Ik heb de schoenen in de buddyseat gedaan.13

Feit 2

Aangever [slachtoffer 3] heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik zag dat er ineens twee jongens aan kwamen lopen waarvan er één jongen, hierna

verdachte genoemd, met zijn zaklamp van zijn telefoon in mijn gezicht scheen.14 […] Ik zag de jongen die ik herkende als de verdachte waar ik 20 minuten daarvoor ruzie mee had gehad, hij stond voorop. Naast hem stond een jongen met een Louis Vuitton muts op. […] Ik hoorde dat hij tegen de verdachte zei: 'Geef hem gewoon een hoek, haal hem uit.' Ik zag dat de verdachte naar mij toe kwam lopen. Ik zag dat de verdachte van zijn rechterhand een vuist maakte. Ik zag dat de verdachte zijn rechterarm naar achter deed. Ik zag dat de verdachte met zijn rechtervuist een harde, krachtige beweging richting mijn linkerwang maakte. Ik voelde dat zijn vuist mijn linkerwang raakte. Ik voelde pijn aan mijn linkerwang. […] Door de kracht van deze klap viel ik naar de rechterzijkant op de grond. […] Ik hoorde aan andere jongen zeggen: 'nee haal nog een keer uit.' […] Ik zag dat de verdachte wederom een vuist maakte van zijn rechterhand, deze naar achteren bewoog en een krachtige beweging richting mijn linkerwang maakte. Ik voelde wederom zijn vuist hard tegen mijn linkerwang aankomen. Direct daarna voelde ik een doffe klap op de spier van mijn rechterbovenbeen. […] Ik viel wederom op de grond. Ik zag dat de jongen met de Louis Vuitton muts naar mij toe kwam lopen. Ik zag en voelde dat deze jongen mij een schop gaf met zijn rechterbeen tegen mijn rechter bovenarm. […] Ik stond weer op en wilde vluchten.15

Getuige [getuige 4] heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 22 november 2020 omstreeks 00:20 uur was ik samen met mijn vriend [slachtoffer 3] en nog

wat vrienden in de Naarden Vesting op het Vestingpad. […] Ik herken deze jongen welke [slachtoffer 3] heeft geslagen als ' [verdachte] ". […] Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 3] op de grond gooide en dat [verdachte] een paar keer op het hoofd van [slachtoffer 3] sloeg. Ik zag dat er nog een jongen aan kwam rennen […]. Deze jongen ging bij [verdachte] staan […] en moedigde [verdachte] aan om [slachtoffer 3] te slaan. Ik hoorde iets van “sla hem, sla hem”.16 […] Ik herken nog een jongen welke bij het gevecht stond en de boel aan het ophitsen en aanmoedigen was. Zijn naam is [C] . […] Hij heeft […] wel dingen geroepen zoals “ga hem slaan."17

Aangever [slachtoffer 2] heeft onder meer het volgende verklaard:

Omstreeks 00.30 uur stond ik met een vriend te praten en zag ik een groep van ongeveer tien personen, in de richting van [slachtoffer 3] lopen. Ik zag dat een aantal personen [slachtoffer 3] aan het duwen was. Ik zag dat één persoon, [slachtoffer 3] op zijn gezicht sloeg, met zijn rechtervuist. Hierdoor viel [slachtoffer 3] op de grond. […] Toen [slachtoffer 3] bij mij stond zag ik dat er een groep jongens om ons heen stond. Ik zag dat er een aantal jongens [slachtoffer 3] weer begonnen te duwen waardoor [slachtoffer 3] op de grond viel.18

Verdachte heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik ben die avond met [B] naar Naarden-Vesting gereden. […] Ik scheen met de zaklamp van mijn telefoon. Er stonden een aantal andere mensen. Ik scheen met mijn telefoon om te zien wie wie was. Het werd duwen en trekken.19

Bewijsoverwegingen

Feit 1 subsidiair

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen staat vast dat verdachte op 22 november 2020 te Naarden een paar schoenen (merk Lacoste), toebehorend aan [slachtoffer 2] , in zijn handen heeft gehad en deze schoenen in de buddyseat van de scooter van [B] , waarop ook verdachte zat, heeft gestopt. De vraag die moet worden beantwoord is of verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen, wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de schoenen van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht hierbij het volgende van belang. Verdachte had midden in de nacht schoenen die niet van hem of zijn vrienden waren, voorhanden. Deze had hij naar eigen zeggen in zijn handen gedrukt gekregen door twee jongens die daarna zijn weggerend. Gelet op deze omstandigheden had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat de schoenen van misdrijf afkomstig waren. Nu niet vastgesteld kan worden dat verdachte daadwerkelijk wist dat de schoenen waren gestolen, omdat niet vaststaat dat hij bij de diefstal (met geweld) aanwezig was, zal verdachte van het deel van de tenlastelegging dat ziet op opzetheling van de schoenen worden vrijgesproken.

Feit 2

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen staat vast dat verdachte op 22 november 2020 te Naarden openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] . Verdachte heeft [slachtoffer 3] naar de grond gewerkt en meermalen geslagen, terwijl hij door medeverdachten werd aangemoedigd en een of meer van deze verdachten ook geweld uitoefenden op [slachtoffer 3] . Derhalve kan worden gesteld dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Het aanmoedigen door medeverdachte valt tevens onder een dergelijke bijdrage. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat voor een bewezenverklaring van openlijk geweld niet is vereist dat elk van de deelnemers zich schuldig heeft gemaakt aan alle onderdelen van de tenlastelegging.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het ‘duwen en trekken’ tussen verdachte en [slachtoffer 3] , voorafgaand aan voornoemd openlijk geweld, geen strafbare handelingen zijn die gekwalificeerd kunnen worden als mishandeling. De rechtbank spreekt verdachte derhalve partieel vrij van mishandeling van [slachtoffer 3] . Tevens kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat verdachte geweldshandelingen jegens [slachtoffer 2] heeft uitgevoerd. Van mishandeling van en openlijk geweld tegen [slachtoffer 2] spreekt de rechtbank verdachte dan ook partieel vrij.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Parketnummer 16/212087-20

op 6 augustus 2020 te Blaricum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een aanloop en met kracht die [slachtoffer 1] (die op zijn buik op de grond lag) tegen het hoofd heeft

getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en:

Parketnummer 16/306915-20

Feit 1 subsidiair

op 22 november 2020 te Naarden een paar schoenen (merk Lacoste), verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

en:

Feit 2

op 22 november 2020 te Naarden, openlijk, te weten op het Vestingpad, in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] door die [slachtoffer 3] (meermalen)

- tegen de borst, althans tegen het lichaam, (omver) te duwen of te trekken,

- in het gezicht (linkerwang), althans tegen het lichaam, te slaan,

- op de grond te gooien of onderuit te halen,

- tegen het bovenbeen te schoppen,

- luidkeels te roepen/schreeuwen: "geef hem gewoon een hoek, haal uit", "sla hem, sla hem", "haal nog een keer uit", "ga hem slaan", althans woorden gelijke aard of strekking,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een dikke lip en gezwollen gezicht, voor [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Parketnummer 16/212087-20

poging doodslag;

Parketnummer 16/306915-20

Feit 1 subsidiair

schuldheling;

Feit 2

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een jeugddetentie van twee maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- een werkstraf van 200 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 100 dagen jeugddetentie.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Blijkens de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming gaat het goed met verdachte; hij woont in een stabiel gezin, gaat naar school en heeft meerdere baantjes. De raadsman verzoekt hier rekening mee te houden. Daarnaast verzoekt de raadsman rekening te houden met de leeftijd van verdachte, het feit dat hij first offender is en te volstaan met een werkstraf met een fors voorwaardelijk deel.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich binnen vier maanden schuldig gemaakt aan twee geweldsdelicten. Op 6 augustus 2020 heeft verdachte [slachtoffer 1] , die nietsvermoedend op het strand lag te zonnen, keihard tegen zijn hoofd geschopt. Dat [slachtoffer 1] hieraan relatief gering fysiek letsel heeft over gehouden, is beslist niet aan verdachte te danken. Door de schop had [slachtoffer 1] kunnen overlijden. Het spreekt voor zich hoe heftig dit incident voor [slachtoffer 1] , maar ook voor zijn vrienden die bij hem waren op het strand, en voor zijn ouders en zus die hem moesten opzoeken in het ziekenhuis, moet zijn geweest. Uit de verklaring van de vader van [slachtoffer 1] ter zitting is de grote impact van het incident op [slachtoffer 1] en het gezin gebleken. Zo staat [slachtoffer 1] onder andere op een wachtlijst voor psychische hulp en hebben zijn ouders moeten meemaken dat hun kind in kritieke toestand op de intensive care van het ziekenhuis lag. Op 21 november 2020 heeft verdachte zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan openlijk geweld. Na een eerdere woordenwisseling met [slachtoffer 3] is verdachte teruggekomen, met een groep, en heeft hij [slachtoffer 3] geslagen. Ook aan de schop tegen het hoofd van [slachtoffer 1] ging een kennelijke ruzie vooraf.

Door deze buitensporige geweldshandelingen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de gezondheid en de veiligheidsgevoelens van de slachtoffers. Verdachte heeft op geen enkel moment verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden, hetgeen de rechtbank hem zwaar aanrekent. Gelet op de ernst van de feiten acht de rechtbank een jeugddetentie passend en geboden. De rechtbank heeft echter ook rekening gehouden met de persoon van verdachte.

Persoon van verdachte

Uit een de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 11 mei 2020 blijkt dat verdachte niet eerder voor enig strafbaar feit is veroordeeld. Dit is naar het oordeel van de rechtbank echter geen reden de straf te verminderen.

De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming van 19 januari 2021 en 4 mei 2021, beide opgemaakt door R.J. Verhoek, raadsonderzoeker. Hieruit is gebleken dat verdachte op de leefgebieden thuis, school, werk, vrije tijd en relaties op manier functioneert die past bij zijn leeftijd. Zijn familie is bij elkaar betrokken en verdachte lijkt door zijn ouders voldoende te worden gemonitord. Hij gaat naar school en is gemotiveerd om zijn diploma te halen, heeft een bijbaan, sport veel en gaat om met prosociale vrienden. De Raad voor de Kinderbescherming merkt op dat de feiten waar verdachte van wordt verdacht niet passen in het beeld dat de Raad over verdachte heeft verkregen. De Raad adviseert aan verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen.

Straf

Gelet op de aard en de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een jeugddetentie dient te worden opgelegd. De rechtbank is op grond van de hiervoor genoemde persoonlijke omstandigheden echter ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie niet passend is. Hij woont immers in een stabiel gezin, werkt hard om zijn diploma te behalen, heeft geen criminele contacten en zijn totaalscore op het dynamisch risicoprofiel is laag. Een terugkeer naar detentie zou deze beschermende factoren kunnen doorkruisen. Dat verdachte tot twee keer toe onenigheid lijkt op te lossen met dergelijk extensief geweld, baart de rechtbank echter wel ernstig zorgen. De rechtbank acht daarom een leerstraf, gericht op agressieregulatie, op zijn plaats.

Alles afwegende legt de rechtbank aan verdachte op een jeugddetentie voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Het voorwaardelijk deel is bedoeld als flinke stok achter de deur, en dient verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uur, en een taakstraf in de vorm van een leerstraf voor de duur van 35 uur, te weten TACt Regulier.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.500.-. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder parketnummer 16/212087-20 tenlastegelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen en ook de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu de geleden schade niet is onderbouwd en de schade in onvoldoende oorzakelijk verband staat met het tenlastegelegde. Subsidiair is verzocht het bedrag te matigen en daarbij rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder parketnummer 16/212087-20 bewezen verklaarde feit letsel heeft opgelopen, en dus rechtstreeks schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank waardeert deze schade op € 1.500,- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. De rechtbank heeft bij het bepalen van dit bedrag aansluiting gezocht bij bedragen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd. Daarbij is, mede door de toelichting van de vader van [slachtoffer 1] ter zitting, duidelijk geworden welke gevolgen het feit op de benadeelde partij heeft gehad. Zo heeft [slachtoffer 1] geen plezier meer in het leven, praat hij sinds het feit bijna niet meer en staat hij op de wachtlijst voor psychische hulp.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De rechtbank zal

daarom de benadeelde partij voor het overige deel aan immateriële kosten niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 1] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.500,-. te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 6 augustus 2020 tot de dag van volledige betaling Bij gebreke van betaling zal geen gijzeling worden toegepast.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 287 en 417bis, van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart hetgeen onder parketnummer 16/306915-20, feit 1 primair tenlastegelegde gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart hetgeen primair onder parketnummer 16/212087-20 tenlastegelegde en hetgeen onder parketnummer 16/306915-20, feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart hetgeen meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het hetgeen primair onder parketnummer 16/212087-20 tenlastegelegde en hetgeen onder parketnummer 16/306915-20, feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van drie maanden;

- bepaalt dat de jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van twee jaar vast;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 75 dagen jeugddetentie;

- veroordeelt verdachte tot een taakstaf in de vorm van een leerstraf (TACt Regulier) van 35 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de leerstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 17 dagen jeugddetentie;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] toe tot een bedrag € 1.500,- aan immateriële schade;

  • -

    verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van € 1.500,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2020 tot de dag van volledige betaling;

  • -

    veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat
    € 1.500,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet-betaling zal geen gijzeling worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door R.A. Hebly, voorzitter, mrs. H.A. Gerritse en E.J. van Rijssen, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H. Lagerweij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 juni 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

Parketnummer 16/212087-20

hij, op of omstreeks 6 augustus 2020 te Blaricum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet (met een aanloop en/of met kracht) die [slachtoffer 1] (die op zijn buik op de grond lag) tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft getrapt/geschopt en/of (vervolgens) (met kracht) die [slachtoffer 1] in/tegen het gezicht/achterhoofd heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 6 augustus 2020 te Blaricum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met een aanloop en/of met kracht) die [slachtoffer 1] (die op zijn buik op de grond lag) tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft getrapt/geschopt en/of (vervolgens) (met kracht) die [slachtoffer 1] in/tegen het gezicht/achterhoofd heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 6 augustus 2020 te Blaricum [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (die op zijn buik op de grond lag) (met een aanloop en/of met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht te trappen/schoppen en/of (vervolgens) (met kracht) die [slachtoffer 1] in/tegen het gezicht/achterhoofd te slaan/stompen.

(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Parketnummer 16/306915-20

Feit 1

hij op of omstreeks 22 november 2020 te Naarden, gemeente Gooise Meren tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen (merk Lacoste), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [slachtoffer 2] aan zijn vest/lichaam te trekken of te duwen,

- die [slachtoffer 2] onderuit te schoppen, waardoor die [slachtoffer 2] op de grond is

gevallen,

- terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag, deze (meermalen) tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam, te schoppen of te slaan;

(art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 november 2020 te Naarden, gemeente Gooise Meren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een paar schoenen (merk Lacoste), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

(art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 22 november 2020 te Naarden, gemeente Gooise Meren openlijk, te weten Vestingpad en/of Kapitein G.A. Meijerweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging

* geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] door die [slachtoffer 2]

- en zijn vrienden te achtervolgen of achterna te lopen,

- aan zijn vest/lichaam te trekken of te duwen,

- onderuit te schoppen, waardoor die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen,

- ( terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag)(meermalen) tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam, te schoppen of te slaan,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten zwelling rond het oog en/of kneuzingen in het gezicht, voor [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad

en/of

* geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] door die Mensink (meermalen)

- tegen de borst, althans tegen het lichaam, (omver) te duwen of te trekken,

- in het gezicht (linkerwang), althans tegen het lichaam, te slaan,

- op de grond te gooien of onderuit te halen,

- tegen het bovenbeen te schoppen of te slaan,

- luidkeels te roepen/schreeuwen: "geef hem gewoon een hoek, haal uit", "sla hem, sla hem", "haal nog een keer uit", "ga hem slaan", althans woorden gelijke aard of strekking,

- en zijn vrienden te achtervolgen of achterna te lopen,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten een spierkneuzing in het bovenbeen en/of een dikke lip en/of gezwollen gezicht en/of gekneusd jukbeen, voor [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad;

en/of

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 22 november 2020 te Naarden, gemeente Gooise Meren tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

* [slachtoffer 2] heeft mishandeld door deze

- aan zijn vest/lichaam te trekken of te duwen,

- onderuit te schoppen, waardoor die [slachtoffer 2] op de grond is gevallen,

- terwijl hij op de grond lag, (meermalen) tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam, te schoppen of te slaan,

en/of

* [slachtoffer 3] heeft mishandeld door deze (meermalen)

- tegen de borst, althans tegen het lichaam, (omver) te duwen,

- in het gezicht (linkerwang), althans tegen het lichaam, te slaan,

- op de grond te gooien of onderuit te halen,

- tegen het bovenbeen, in elke geval tegen het lichaam, te schoppen of te slaan;

(art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 20 augustus 2020, genummerd 2020253462, opgemaakt door politie Midden-Nederland, (digitaal) doorgenummerd 1 tot en met 75. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina 3.

3 Een schriftelijk bescheid zoals bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een brief van Huisartsenpraktijk Bijvanck, opgesteld door Y. van Dijk, arts-assistent kindergeneeskunde, namens C.E. Crijns-Koers, kinderarts.

4 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , pagina 23.

5 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , pagina 16.

6 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , pagina 21.

7 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 4 december 2020, genummerd 2020386738, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 92. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

8 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina 35.

9 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina 36.

10 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 27.

11 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 28.

12 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 41.

13 Verklaring verdachte ter zitting d.d. 18 mei 2021.

14 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , pagina 47.

15 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , pagina 48.

16 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , pagina 54.

17 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , pagina 55.

18 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , pagina 35.

19 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 88.