Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2260

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
16/700102-17 (vordering verlenging PIJ)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging van de PIJ-maatregel met twee jaar. Bij betrokkene is sprake van een ernstige psychiatrische stoornis die nog onvoldoende is behandeld. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat en behandeling in een gedwongen kader blijft noodzakelijk om betrokkenes gedrag te beïnvloeden en hem voor te bereiden op een terugkeer in de maatschappij in de toekomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/700102-17 (vordering verlenging PIJ)

Beslissing op grond van artikel 6:6:31 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 18 mei 2021

op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) van:

[veroordeelde] ,

geboren op [2000] te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in RJJI [locatie] te [woonplaats] ,

hierna: [veroordeelde] .

1 De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder:

  • -

    het vonnis van deze rechtbank van 13 juli 2018, waarbij [veroordeelde] onder meer is veroordeeld tot de PIJ-maatregel;

  • -

    het door drs. S. van Son, GZ-psycholoog en gedragswetenschapper en drs. C. Peeters, klinisch psycholoog en pedagogisch directeur RJJI, uitgebrachte advies strekkende tot verlenging van de termijn van de maatregel met 24 maanden, alsmede de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van [veroordeelde] , te weten de perspectiefplannen over de periode 8 juni 2017 tot en met 15 december 2020;

  • -

    de schriftelijke vordering van de officier van justitie van 20 april 2021 die strekt tot verlenging van de PIJ-maatregel met twee jaren.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek heeft achter gesloten deuren plaats gevonden ter zitting van 18 mei 2021. Daarbij zijn gehoord:

- de officier van justitie mr. F. Rethmeier;

- [veroordeelde] ;

- de raadsvrouw mr. S.S. Zijderveld, advocaat te Wageningen;

- mevrouw J. Römer-Loeffen, GZ-psycholoog, verbonden aan RJJI [locatie] ;

- de heer [A] en mevrouw [B] , nabestaanden, bijgestaan door mevrouw [C] , Slachtofferhulp Nederland.

3 De rapportage en de toelichting daarop

In het adviesrapport wordt -kort gezegd- het volgende weergegeven. Bij [veroordeelde] is sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, een reactieve hechtingsstoornis, ouder-kindrelatieprobleem, negatieve invloed van ouderlijke relatieproblemen en een leer- of onderwijsprobleem. Ondanks de afhoudende en zelfbeschermende houding van [veroordeelde] is er sprake van een voorzichtige positieve ontwikkeling. [veroordeelde] lijkt meer te hebben geaccepteerd dat hij een PIJ-maatregel opgelegd heeft gekregen en met enkele medewerkers van de inrichting heeft [veroordeelde] een volgende stap in het contact kunnen zetten. Het traject bevindt zich nog in de beginfase en [veroordeelde] heeft pas de eerste stappen gezet. De delictanalyse (een kernonderdeel dat richting geeft aan de PIJ-behandeling) is nog niet volledig afgerond, en zal later worden voortgezet tijdens therapiegesprekken. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat en behandeling in het gedwongen kader blijft noodzakelijk om [veroordeelde] ’s gedrag te beïnvloeden en hem voor te bereiden op een terugkeer in de maatschappij in de toekomst.

Mevrouw Römer-Loeffen is ter terechtzitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat de delictanalyse nog niet geheel is afgerond, en dat schematherapie wordt ingezet voor meer verdieping in die analyse. Die therapie ziet erop dat [veroordeelde] leert begrijpen waar bepaalde reacties vandaan komen. Dat de delictanalyse nog niet volledig is afgerond, komt doordat [veroordeelde] aanvankelijk geen openheid gaf over het delict. De afstandelijke en vermijdende houding die [veroordeelde] hierbij aanneemt, past bij zijn problematiek. Inmiddels neemt hij in meerdere mate verantwoordelijkheid, maar is dit nog niet op het niveau dat de inrichting wenst. Als deze ontwikkeling zich doorzet, kan herstelbemiddeling op termijn aan de orde zijn. Ook zal het komende jaar worden onderzocht of en op welke wijze begeleid verlof mogelijk is.

4 De standpunten

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel met twee jaar. Uit het verlengingsadvies blijkt dat er enige progressie is geboekt maar voor de behandeling is nog zeker twee jaar nodig.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft daarbij aangevoerd dat [veroordeelde] zich kan vinden in de verlenging van 24 maanden. [veroordeelde] geeft immers zelf ook aan dat hij dit nodig heeft om de juiste weg in het leven te vinden. [veroordeelde] heeft het gevoel dat hij positief op weg is met zijn behandeling.

5 Het oordeel van de rechtbank

[veroordeelde] is bij genoemd vonnis van deze rechtbank veroordeeld voor -kort gezegd- doodslag en diefstal. Aan [veroordeelde] is onder meer een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd. Met betrekking tot de duur van deze maatregel heeft de rechtbank overwogen dat de mogelijkheid bestaat deze te verlengen, omdat [veroordeelde] is veroordeeld voor een feit dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

De PIJ-maatregel is gaan lopen op 26 mei 2019. Als de maatregel niet wordt verlengd, eindigt de maatregel definitief op 25 mei 2021.

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemd advies en wat ter zitting is besproken, volgt dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel eist. Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat als de PIJ-maatregel niet zou worden verlengd. Ook is de rechtbank van oordeel dat wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De verlenging is ook in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [veroordeelde] , gelet op het volgende.

Uit het verlengingsadvies blijkt dat bij [veroordeelde] sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis die nog onvoldoende is behandeld. Het behandeltraject van [veroordeelde] bevindt zich immers nog in de beginfase. In het begin van de behandeling bleek het voor [veroordeelde] niet mogelijk over het delict te spreken, maar inmiddels kan hij er wat meer over praten. Het lukt hem om met een aantal selectieve personen in de RJJI in gesprek te blijven. Ook maakt hij meer contact, waardoor gesproken kan worden van een zekere werkrelatie en kan [veroordeelde] (delen) van zijn innerlijke blokkades vaker erkennen. Waar [veroordeelde] dus eerst een afhoudende en zelfbeschermende houding aannam, is er momenteel toch sprake van een voorzichtig positieve ontwikkeling. De delictanalyse is inmiddels voorwaardelijk afgerond en de komende periode zal door middel van schematherapie onder meer worden geprobeerd [veroordeelde] te leren meer openheid te geven over zijn gedachten en gevoelens en meer zicht te krijgen hoe hij met spanningen omgaat. De rechtbank constateert dat bij [veroordeelde] nog maar in zeer beperkte mate sprake is van probleembesef en een gevoel van noodzakelijkheid om te veranderen. Toch heeft [veroordeelde] wel ingezien dat hij baat heeft bij de behandelingen die zijn gestart, en dat hij nog veel te leren heeft.

Nu de behandeling zich nog in een beginstadium bevindt, en uit het voorgaande is gebleken dat voor [veroordeelde] langdurige behandeling noodzakelijk zal zijn, acht de rechtbank verlenging voor de duur van twee jaar passend en geboden.

6 De beslissing

De rechtbank:

- verlengt de termijn van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [veroordeelde] voor de duur van twee jaar.

Deze beslissing is genomen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. E.J. van Rijssen, kinderrechter en R.A. Hebly, rechter, bijgestaan door mr. R.H. Lagerweij als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van deze rechtbank van 18 mei 2021.