Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2181

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-05-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
UTR 19/5200
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van omwonenden tegen de bouw van 6 mestsilo’s en een weegbrug in Bant. Een deel van de omwonenden is door het college in bezwaar niet-ontvankelijk geacht omdat zij geen gevolgen van enige betekenis ondervinden van de mestsilo’s en de weegbrug. De rechtbank volgt het college daarin en betrekt daarbij de afstand van de woningen van deze omwonenden tot de mestsilo’s en het feit dat niet aannemelijk is dat deze omwonenden overlast zullen ondervinden van de mestsilo’s en het gebruik daarvan. Een van de eisers is wel ontvankelijk in bezwaar. Zijn beroep wordt door de rechtbank ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bedrijfsactiviteiten van vergunninghouder niet in strijd met het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Amersfoort

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5200

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2021 in de zaak tussen

1. [eiser sub 1],

2. [eiser sub 2],

3. [eiser sub 3],

4. [eiser sub 4],

5. [eiser sub 5],

6. [eiser sub 6],

7. [eiser sub 7],

8. [eiser sub 8],

9. [eiser sub 9],

10. [eiser sub 10],

11. [eiser sub 11],

12. [eiseres sub 12],

13. [eiser sub 13],

14. [eiser sub 14],

tezamen eiseres, allen uit [woonplaats] ,

(gemachtigde: R. Scholten),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder

(gemachtigde: mr. L.L. Riddersma).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] B.V., te [vestigingsplaats] , gemachtigde: [gemachtigde] .

Inleiding

Op 15 juni 2019 dient derde-partij (hierna: vergunninghouder) bij het college een aanvraag in om een omgevingsvergunning voor de bouw van zes mestsilo’s en een weegbrug op het perceel [perceel] (hierna: het perceel) in [vestigingsplaats] . De gevraagde omgevingsvergunning wordt door het college op 18 juni 2019 (het primaire besluit) verleend voor de activiteit ‘bouwen’1.

Eisers zijn allen woonachtig in [woonplaats] en zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij vrezen voor overlast op het gebied van geur, geluid, voor verkeersoverlast en voor een waardedaling van hun woning. Eisers hebben daarom bij het college bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning.

Omdat vergunninghouder niet bereid was om te wachten met het gebruik van de verleende omgevingsvergunning totdat de bezwaarschriftprocedure was afgerond, heeft een aantal eisers op 5 en 8 juli 2019 bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Met de uitspraak van 1 augustus 2019 heeft de voorzieningenrechter de verzoeken afgewezen.2

Gelet op deze uitspraak van de voorzieningenrechter heeft vergunninghouder de bouwwerkzaamheden voortgezet. Ten tijde van de behandeling van het beroep op de zitting zijn de mestsilo’s en de weegbrug inmiddels gebouwd en heeft vergunninghouder de mestsilo’s al ongeveer een jaar in gebruik.

Met de beslissing op bezwaar van 29 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van een aantal eisers niet-ontvankelijk verklaard. De ontvankelijke bezwaren zijn door het college ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.

Het beroep van eisers is behandeld op de zitting van 8 april 2021. Het beroep is op de zitting gezamenlijk behandeld met het beroep van [A] . Dit beroep wordt door de rechtbank behandeld onder zaaknummer UTR 19/5230. Namens eisers is [eiser sub 7] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [B] . Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] . Eiser en gemachtigde in de zaak met zaaknummer UTR 19/5230 zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

De ontvankelijkheid van eisers

1. In het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers 1. tot en met 3. en eisers 5. tot en met 14. niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat niet is uitgesloten dat deze eisers rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van de mestsilo’s en de weegbrug, maar dat deze gevolgen niet van enige betekenis zijn gelet op de afstand van de woningen van deze eisers tot het perceel van vergunninghouder en de aanwezigheid van bebouwing of boomsingels waardoor zicht op het perceel wordt ontnomen. Met deze overweging sluit het college aan bij het toetsingskader dat volgt uit de rechtspraak over de beoordeling van de ontvankelijkheid.

2. Bij besluiten over activiteiten in het omgevingsrecht is het uiteindelijk aan de bestuursrechter om te oordelen over de vraag wie belanghebbenden bij een besluit zijn. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit, is in beginsel belanghebbende bij het besluit waarin die activiteit wordt toegestaan. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt.3 Bij de beoordeling of er gevolgen van enige betekenis zijn, wordt onder meer gekeken naar de factoren afstand, zicht, planologische uitstraling en milieugevolgen. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. De betrokken rechtzoekende hoeft niet actief aan te tonen dat hij belanghebbende bij een besluit is. Als tijdens een procedure echter de vraag aan de orde is of ‘gevolgen van enige betekenis’ ontbreken, kan en mag de bestuursrechter aan betrokkene vragen uit te leggen welke feitelijke gevolgen hij van de activiteit ondervindt of vreest te zullen ondervinden.4

3. Eisers voeren aan dat hun bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Zij wonen allen op een afstand van 80 tot 300 meter tot het perceel van vergunninghouder. Gelet op de activiteiten van vergunninghouder op het perceel is het bij deze afstand zeer aannemelijk dat eisers geurhinder zullen ondervinden. Bovendien is er bij deze afstand kans op geluidhinder, overlast door een toename van het aantal verkeersbewegingen en mogelijke gezondheidsklachten.

4. Tijdens de zitting is met partijen uitgebreid gekeken naar de locatie van hun woningen ten opzichte van het perceel van vergunninghouder. Daarnaast is er met partijen gekeken naar de foto’s die door het college zijn ingediend en naar foto’s die door vergunninghouder zijn gemaakt vanaf de mestsilo’s naar de achter gelegen woonwijk. Met partijen is besproken dat de rechtbank zich ambtshalve een oordeel moet vormen over de ontvankelijkheid van eisers in deze procedure.

5. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bezwaren van eisers 1. tot en met 3. en

eisers 5. tot en met 14. door het college terecht niet-ontvankelijk geacht. Van deze groep eisers wonen de eisers aan [straat 1] het dichtst bij de mestsilo’s. De afstand tussen deze woningen en de mestsilo’s is ongeveer 200 meter. De eisers aan de [straat 2] en de [straat 3] wonen op een afstand van ongeveer 250 meter van de mestsilo’s. Uit de foto’s in het dossier en met de toelichting van het college op de zitting is echter vast te stellen dat geen van de eisers in deze groep vanuit zijn woning zicht heeft op de gebouwde mestsilo’s door de tussenliggende bebouwing en de aanwezige groenstroken. Ook is het niet aannemelijk dat deze groep eisers andere vormen van overlast ondervinden van de mestsilo’s en het gebruik daarvan. De verkeersontsluiting van het bedrijventerrein waarop de mestsilo’s liggen vindt plaats via de [straat 4] naar de Oosterringweg. Verkeer van en naar de mestsilo’s rijdt daarmee niet door de woonwijk van eisers. Toegang tot de woonwijk vanaf het bedrijventerrein is bovendien onmogelijk gemaakt door een bussluis. Het is daarmee zo goed als uitgesloten dat eisers overlast zullen ondervinden door een toename van verkeer in hun woonwijk. Ook is het niet aannemelijk dat geuroverlast gevolgen van enige betekenis voor eisers oplevert. Daarbij is van belang dat de mestsilo’s uitsluitend zijn gevuld met kunstmest, dat de mestsilo’s zijn afgesloten en dat zij zich op redelijk grote afstand bevinden van de woningen van eisers. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Het college heeft eiser 4. wel ontvankelijk geacht in bezwaar. De rechtbank vindt dat terecht. Deze eiser woont op ongeveer 108 meter van de mestsilo’s. Alhoewel zich achter de woning van eiser 4. en voor de mestsilo’s groenstroken bevinden is het niet uitgesloten dat eiser 4. enig zicht heeft op de mestsilo’s wanneer de bomen in de groenstroken in de winter kaal zijn. Dit standpunt wordt bevestigd door de foto’s die vergunninghouder heeft gemaakt vanaf de mestsilo’s naar de woningen. Daarop zijn de daken van de woningen aan de [straat 5] te zien. Verder is het voor eiser 4. niet volledig uitgesloten dat er, gelet op de afstand, geurhinder van enige betekenis kan zijn. Omdat er in de mestsilo’s alleen kunstmest wordt opgeslagen is geurhinder ook voor eiser 4. te betwijfelen, maar gelet op de korte afstand van zijn woning tot de mestsilo’s en het zicht op de mestsilo’s, geeft de rechtbank eiser 4. het voordeel van de twijfel.

Conclusie over de ontvankelijkheid

7. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank vindt dat het college het bezwaar van eiser 4. terecht ontvankelijk heeft verklaard en dat de overige bezwaren door het college terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank zal daarom het beroep dat is ingediend namens eisers 1. tot en met 3. en eisers 5. tot en met 14. niet inhoudelijk beoordelen. Het beroep van deze eisers is ongegrond. Dit betekent dat de rechtbank in het vervolg van deze uitspraak alleen de beroepsgronden van eiser 4. inhoudelijk zal beoordelen. In het vervolg van deze uitspraak zal eiser 4. door de rechtbank worden aangeduid als ‘eiser’.

De procedure bij het college

8. Eiser heeft aangevoerd dat de beslissing op bezwaar van het college niet zorgvuldig is omdat daarin geen volledig overzicht wordt gegeven van alle bezwaarmakers. Daarnaast heeft het college met de beslissing op bezwaar ten onrechte een nieuwe omgevingsvergunning afgegeven met dagtekening 29 oktober 2019 in plaats van dat hij in lijn met het advies van de bezwarencommissie zijn motivering in de beslissing op bezwaar heeft aangevuld.

9. De rechtbank is het met eiser eens dat de beslissing op bezwaar van 29 oktober 2019 met zaaknummer 017150825 niet alle namen vermeldt van de eisers die bezwaar hebben gemaakt. Dit komt de leesbaarheid van de beslissing op bezwaar niet ten goede. In de beslissing op bezwaar wordt echter duidelijk verwezen naar het advies van de bezwarencommissie en dat advies wordt in de beslissing op bezwaar ook overgenomen. In dat advies worden wel alle bezwaarmakers genoemd zodat het standpunt van het college over hun bezwaren voor bezwaarmakers duidelijk zou moeten zijn.

10. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college met de beslissing op bezwaar van 29 oktober 2019 een nieuwe omgevingsvergunning heeft verleend. In de beslissing op bezwaar is duidelijk beschreven dat de bezwaren, voor zover ontvankelijk, ongegrond worden verklaard en dat de motivering in lijn met het advies van de bezwarencommissie wordt aangevuld. Deze aanvullende motivering is door het college opgenomen in de verleende omgevingsvergunningsvergunning met dagtekening 29 oktober 2019 die als bijlage bij de beslissing op bezwaar is gevoegd. Het college heeft op de zitting bevestigd dat de bijgevoegd omgevingsvergunning, ondanks de nieuwe datum, niet is bedoeld als nieuwe omgevingsvergunning. De rechtbank kan dit standpunt van het college volgen. Bovendien staat onder de beslissing op bezwaar een beroepsclausule en geen bezwaarclausule opgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Inhoudelijke beoordeling

11. Het perceel heeft op grond van het geldende bestemmingsplan ‘Bant’ voor het grootste deel de bestemming ‘Bedrijventerrein -2’. De rij met mestsilo’s die is gelegen aan de kant van het bedrijventerrein ligt gedeeltelijk op een perceel met de bestemming ‘Bedrijventerrein -3’. Onder de bestemming ‘Bedrijventerrein -2’ zijn op grond van het bestemmingsplan bedrijven toegestaan die volgens Bijlage 2 bij het bestemmingsplan zijn aangemerkt als bedrijven in de categorie 1 en 2. Onder de bestemming ‘Bedrijventerrein -3’ zijn ook bedrijven in de categorie 3.1 en 3.2 toegestaan. De activiteit ‘groothandel in kunstmest’ is in Bijlage 2 bij het bestemmingsplan aangemerkt als een activiteit in de categorie 2. Tussen partijen is niet in geschil welke bedrijfsactiviteiten er feitelijk op het perceel plaatsvinden. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de activiteiten van vergunninghouder op het perceel zijn toegestaan onder categorie 3 van Bijlage 2 bij het bestemmingsplan. Partijen verschillen wel van inzicht over de vraag hoe de bedrijfsactiviteiten moeten worden gekwalificeerd.

12. Volgens eiser zijn de bedrijfsactiviteiten van vergunninghouder op het perceel niet aan te merken als een groothandel in kunstmest. De bedrijfsactiviteiten van vergunninghouder zijn daarom niet toegestaan op het perceel zodat het besluit waarmee de omgevingsvergunning is verleend niet in stand kan blijven. Op het perceel worden de kunstmeststoffen niet alleen opgeslagen, maar ook bewerkt en verwerkt. In de mestsilo’s worden vloeistoffen met een verschillende samenstelling gemengd met als doel deze te homogeniseren en aan een gespecificeerde samenstelling te laten voldoen. Er vindt daarmee een noodzakelijke behandeling, en dus bewerking van meststoffen plaats. In dat geval is niet slechts sprake van een groothandel in meststoffen zodat wordt gehandeld in strijd met het bestemmingsplan, aldus eiser. Eiser heeft zijn standpunt onderbouwd met een rapport van Optimus van 21 november 2019. Gelet op de uitkomsten van het rapport van Optimus had het college volgens eiser meer onderzoek moeten doen naar de bedrijfsactiviteiten van vergunninghouder.

13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de bedrijfsactiviteiten van vergunninghouder op het perceel in strijd zijn met het bestemmingsplan. Op de zitting heeft vergunninghouder een toelichting gegeven op zijn bedrijfsactiviteiten. Vergunninghouder verkoopt kunstmeststoffen aan tussenhandelaren en agrariërs ten behoeve van hun bedrijfsvoering. Voordat de kunstmest wordt verkocht, wordt deze opgeslagen in de mestsilo’s. Daarmee staat vast dat in de mestsilo’s kunstmest wordt opgeslagen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een opslag inherent is aan een groothandel in kunstmest, zoals op grond van het bestemmingsplan op dit perceel is toegestaan. Dat sprake is van een groothandel in kunstmest wordt bovendien ondersteund door het feit dat het bedrijf van vergunninghouder bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd als groothandel in kunstmeststoffen.

14. Dat de verschillende ladingen kunstmest in de mestsilo’s worden gemengd, maakt niet dat geen sprake is van een groothandel in kunstmest. Vergunninghouder heeft op de zitting toegelicht dat hij juist geen ander eindproduct wil maken. In de mestsilo’s wordt kunstmest van dezelfde samenstelling uit verschillende leveringen opgeslagen. Een verschil in de samenstelling kan zorgen voor kristallisatie wat voor het eindproduct niet wenselijk is. Om de samenstelling van de kunstmest zo gelijk mogelijk te houden wordt de kunstmest uit verschillende ladingen gemengd. Door te mengen wordt de concentratie van de kunstmest homogeen, wat een positief effect heeft op het eindproduct. Voordat de kunstmest wordt geleverd wordt hij nog een keer gefilterd. Dit wordt gedaan om kleine vervuiling te verwijderen die de klanten van vergunninghouder niet in het eindproduct willen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de handelingen die vergunninghouder met de kunstmest verricht uitsluitend bedoeld om het product goed verkoopbaar te houden en niet om een ander eindproduct te realiseren en dus kunstmest te bewerken. De rechtbank kan eiser daarom niet volgen in zijn. De rechtbank is het ook niet eens met de stelling van eiser dat het college meer onderzoek had moeten doen naar de bedrijfsactiviteiten van vergunninghouder. Het college mag uitgaan van de gegevens die vergunninghouder bij zijn aanvraag en daarna heeft verstrekt. Er zijn geen aanwijzingen dat de verstrekte gegevens niet kloppen. Het college was dan ook niet gehouden om daar verder onderzoek naar te doen. De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie

15. Uit het voorgaande volgt dat de inhoudelijke beroepsgronden van eiser ook niet slagen. Dit betekent dat de bedrijfsactiviteiten van vergunninghouder op het perceel niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. Het college kon daarom volstaan met het verstrekken van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de mestsilo’s. Deze omgevingsvergunning is niet onrechtmatig.

16. Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 mei 2021 en openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

2 ECLI:NL:RBMNE:2019:3814.

3 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737.

4 Uitspraak van de ABRvS van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271.