Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2179

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
16-089023-20 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming. Whatsapp-fraude. Witwassen. De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 6.210,28.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-089023-20 (ontneming)

Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van 26 mei 2021

in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [1999] in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] in [woonplaats ] ,

hierna te noemen: veroordeelde.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 april 2021. Veroordeelde was bij deze zitting aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak. Het onderzoek is op de zitting van 12 mei 2021 gesloten.

De rechtbank heeft op de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van veroordeelde, zijn advocaat mr. W.B.O. van Soest en de officier van justitie mr. T. Tanghe.

De volgende stukken maken deel uit van de ontnemingsprocedure:

  • -

    de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

  • -

    het strafdossier onder parketnummer 16-089023-20,waaronder het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL09002020096766 van 20 april 2020, opgemaakt door politie Eenheid MiddenNederland, pagina’s 1 tot en met 1028, waaronder ook een overzicht wederrechtelijk verkregen voordeel (pagina 1028);

  • -

    het vonnis van 26 mei 2021 waaruit blijkt dat veroordeelde door de rechtbank Midden-Nederland onder meer is veroordeeld voor meerdere oplichtingen, tot de in die uitspraak vermelde straf;

  • -

    de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 7 april 2021;

  • -

    de overige stukken.

2 VORDERING

2.1

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie blijkt uit het dossier dat veroordeelde betrokken was bij alle 24 oplichtingszaken die op de ontnemingsvordering staan. De officier van justitie vindt dat de ontnemingsvordering moet worden toegewezen tot een bedrag van € 26.422,80. Dat bedrag is lager dan vermeld in de vordering, omdat uit het dossier blijkt dat € 500,- door een ander dan veroordeelde is toegeëigend. De vorderingen van de benadeelde partijen die in de hoofdzaak zijn toegewezen, kunnen volgens de officier van justitie op het ontnemingsbedrag in mindering worden gebracht.

2.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt primair om de ontnemingsvordering af te wijzen. Subsidiair verzoekt de verdediging om de vordering aanzienlijk te matigen en slechts toe te wijzen voor zover die ziet op de feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld in de hoofdzaak.

3 BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1

De grondslag van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van 26 mei 2021 van deze rechtbank, onder andere, veroordeeld voor zeven oplichtingen.1 In het dossier bevindt zich een berekening van het wederrechtelijk verkregen die opgemaakt is door de politie.2

De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor strafbare feiten. Voor de ontnemingsvordering betekent dit dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door veroordeelde zijn begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).

3.2

Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de vordering uit van de in het vonnis bewezen verklaarde feiten, namelijk zeven oplichtingen in de periode van 7 december 2017 tot en met 22 december 2017. Anders dan de officier van justitie vindt de rechtbank dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan de overige 17 oplichtingen waarvan in de vordering uit is gegaan. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal de rechtbank dus alleen uitgaan van de opbrengsten van de zeven oplichtingen waarvoor veroordeelde is veroordeeld.

Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – tenzij anders vermeld – de aangiftes van de oplichtingen tot uitgangspunt.

3.3.1.

Aangiftes

Op 12 december 2017 deed [aangever 1] aangifte bij de politie. Hij verklaarde dat hij op 11 december 2017 is opgelicht voor een bedrag van € 1.343,86.3

Op 24 december 2017 deed [aangeefster 1] aangifte bij de politie. Zij verklaarde dat zij op 21 december 2017 werd opgelicht voor een bedrag van € 1.400,-.4 Aangezien uit het dossier blijkt dat dit bedrag – dat na overschrijving is gepind en vervolgens door de politie onder mededader [mededader] in beslag is genomen – niet bij veroordeelde terecht is gekomen, zal de rechtbank dit bedrag niet meenemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op 21 december 2017 deed [aangever 2] aangifte bij de politie. Hij verklaarde dat hij op 19 december 2017 is opgelicht voor een bedrag van € 300,-.5 Uit het dossier blijkt dat vervolgens geprobeerd is om dit geldbedrag te pinnen, maar dat dat niet is gelukt omdat de rekening geblokkeerd was. De rechtbank zal dit bedrag dan ook niet meenemen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op 8 januari 2018 deed [aangeefster 2] aangifte bij de politie. Zij verklaarde dat zij op 7 december 2017 is opgelicht voor een bedrag van € 1.575,23.6 Uit het dossier blijkt dat een gedeelte van € 500,- van dit bedrag niet bij veroordeelde maar bij een ander terecht is gekomen. De rechtbank zal dat gedeelte van het bedrag dan ook niet meenemen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Op 20 december 2017 deed [aangeefster 3] aangifte bij de politie. Zij verklaarde dat zij op 14 december 2017 is opgelicht voor een bedrag van € 2.180,10.7

Op 21 december 2017 deed [aangever 3] aangifte bij de politie. Hij verklaarde dat hij op 18 december 2017 is opgelicht voor een bedrag van € 1.611,09.8

Op 21 december 2017 deed [aangever 4] aangifte bij de politie. Hij verklaarde dat hij op 19 december 2017 is opgelicht voor een bedrag van € 1.661,09.9 Aangezien [aangever 4] in zijn schadevergoedingsverzoek heeft aangegeven dat hij dat bedrag terug heeft gekregen, gaat de rechtbank ervan uit dat veroordeelde geen voordeel heeft verkregen uit deze oplichting. De rechtbank zal dit bedrag dan ook niet meenemen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

3.3.2.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op (€ 1.343,86 + € 1.075,23 + € 2.180,10 + € 1.611,09) € 6.210,28. De rechtbank is niet gebleken dat veroordeelde kosten heeft gemaakt die op dit bedrag in mindering moeten worden gebracht.

3.3.3.

Betalingsverplichting

De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 6.210,28. De vorderingen van de benadeelde partijen die in de hoofdzaak zijn toegewezen worden niet bij voorbaat op de betalingsverplichting in mindering gebracht gelet op het bepaalde in artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht. |Als die vorderingen uiteindelijk daadwerkelijk worden voldaan, kan dit worden verrekend met de betalingsverplichting aan de staat.

4 TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 6.210,28;

- wijst af het meer of anders gevorderde;

- legt veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 6.210,28 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- stelt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd vast op 67 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.W. Verhaagh, voorzitter, mrs. C. van de Lustgraaf en L.M.M. Heppe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 april 2021.

1 Het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Midden-Nederland van 26 mei 2021.

2 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, p. 1028.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 515.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 523-524.

5 Proces-verbaal van aangifte, p. 641.

6 Proces-verbaal van aangifte, p. 940.

7 Proces-verbaal van aangifte, p. 982-984.

8 Proces-verbaal van aangifte, p. 987-989.

9 Proces-verbaal van aangifte, p. 1018.