Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2175

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
16-088983-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zes mannen worden veroordeeld voor het plegen van verschillende oplichtingen, dan wel het plegen van witwassen van geldbedragen die van oplichting afkomstig waren. Hun handelen heeft het vertrouwen van de slachtoffers beschaamd en het vertrouwen dat mensen in het algemeen in elektronisch bankieren hebben geschaad. De rechtbank legt straffen op die variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16-088983-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1997] in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op [adres] in [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De rechtszaak tegen verdachte heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2021. Verdachte was bij de zitting aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak. Het onderzoek is op de zitting van 12 mei 2021 gesloten.

De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van verdachte, de advocaat van verdachte, mr. J.O.A.N. de Vries, en de officier van justitie, mr. T. Tanghe.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt verdachte ervan dat hij betrokken is geweest bij meerdere strafbare feiten. Deze verdenkingen staan beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage is opgenomen in dit vonnis.

Kort gezegd verdenkt de officier van justitie verdachte ervan dat hij:

  1. op 11 december 2017 anderen heeft geholpen bij de oplichting van [slachtoffer 1] in Utrecht of Raalte (primair), dan wel op die datum en plaats samen met anderen € 1.343,86 heeft witgewassen (subsidiair), dan wel op die datum en plaats anderen heeft geholpen bij het witwassen van dat bedrag (meer subsidiair);

  2. op 22 december 2017 anderen heeft geholpen bij de oplichting van [slachtoffer 2] in Utrecht of Alkmaar (primair), dan wel op die datum en plaats samen met anderen € 1.370,- heeft witgewassen (subsidiair), dan wel op die datum en plaats anderen heeft geholpen bij het witwassen van dat bedrag (meer subsidiair);

  3. op 22 december 2017 een pinpas van [slachtoffer 3] in bezit heeft gehad, terwijl hij wist dat die pinpas van een misdrijf afkomstig was;

  4. op 22 december 2017 3,59 gram cocaïne in bezit heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Hij vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de medeplichtigheid aan oplichting. Wat de officier van justitie betreft was in die zaken wel sprake van witwassen.

4.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat vindt dat verdachte van de eerste drie ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken. Volgens de advocaat blijkt niet dat verdachte het opzet op het plegen van de oplichtingen had en ook niet dat verdachte wetenschap of een vermoeden had dat het geld dat op zijn rekening werd gestort en dat hij heeft gepind van een misdrijf afkomstig was. Over het derde feit merkt de advocaat op dat uit het dossier niet blijkt dat de pinpas van [slachtoffer 3] van een misdrijf afkomstig is.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Vrijspraak feit 3

Uit het dossier blijkt niet dat de pinpas van [slachtoffer 3] , die verdachte tijdens zijn aanhouding op 22 december 2017 in bezit had, van een misdrijf afkomstig was. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de heling van de pinpas.

Feit 1

Op 12 december 2017 deed [slachtoffer 1] aangifte bij de politie. Hij verklaarde dat hij op 11 december 2017 een WhatsApp-bericht kreeg van iemand die zich voordeed als zijn schoondochter. Zijn schoondochter vroeg toen of hij een bedrag van € 1.343,86 kon overmaken naar [rekeningnummer] . [slachtoffer 1] heeft dat gedaan. Later kwam [slachtoffer 1] erachter dat hij was opgelicht.2

Het rekeningnummer [rekeningnummer] stond op naam van [verdachte] .3

In de telefoon van verdachte werden onder andere chatberichten gevonden met het contact ‘ [contact] ’. Vanaf de telefoon van verdachte werden op 10 oktober 2017 berichten verstuurd dat er iets te verdienen valt als die ander mensen heeft met ABN, waardoor hij en de ander goed doezoe kunnen verdienen. Daarna wordt gestuurd dat er saaf op die ABN gaat komen, dan wordt het eraf gepind en klaar.4 Volgens het straattaalwoordenboek betekent ‘doezoe’ duizend euro en ‘saaf’ geld.5

Op de zitting heeft verdachte verklaard dat er op verzoek van een ander een bedrag op zijn rekening is overgemaakt, dat verdachte vervolgens heeft gepind. Hij heeft daar € 30,- voor gekregen.6

Interpretatie van de bewijsstukken

Uit de hierboven besproken bewijsstukken blijkt dat verdachte tegen betaling een bedrag op zijn rekening heeft laten overmaken en dat bedrag vervolgens heeft gepind. Dat bedrag was afkomstig van oplichting. Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat er geld van een vriend op zijn bankrekening werd overgemaakt en dat hij dus niet wist dat het geld van een misdrijf afkomstig was. Uit de berichten die op de telefoon van verdachte stonden blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter dat verdachte zich actief bezighield met het laten storten van crimineel geld op bankrekeningen, dat vervolgens gepind werd. Om die reden vindt de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig en gaat de rechtbank ervan uit dat hij wist dat het geld dat op zijn bankrekening werd overgemaakt van een misdrijf afkomstig was. Door het bedrag vervolgens van de rekening te pinnen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en omzetten van crimineel geld en dus aan het subsidiair ten laste gelegde witwassen. Aangezien uit het dossier niet blijkt dat verdachte anderen opzettelijk heeft geholpen bij het oplichten van [slachtoffer 1] , wordt verdachte vrijgesproken van medeplichtigheid aan oplichting.

Feit 2

Op 24 december 2017 deed [slachtoffer 2] aangifte bij de politie. Zij verklaarde dat zij op 21 december 2017 een WhatsApp-bericht kreeg van iemand die zich voordeed als haar dochter. Haar dochter vroeg of ze een bedrag van € 1.400,- wilde overmaken naar rekeningnummer [rekeningnummer] . Dat heeft [slachtoffer 2] gedaan. Later kwam [slachtoffer 2] er achter dat zij was opgelicht.7

Het rekeningnummer [rekeningnummer] stond op naam van [A] . Van dit rekeningnummer werd een bedrag van € 1.370,- overgemaakt naar het rekeningnummer [rekeningnummer] .8

Het rekeningnummer [rekeningnummer] stond op naam van [slachtoffer 3] .9

In de telefoon van verdachte werden chatberichten met het contact ‘ [contact] ’ gevonden. Op 22 december 2017 om 10.11 uur stuurde [verdachte] “ [rekeningnummer] ”. Om 10.12 uur stuurde [medeverdachte] “waar zie ik jou?”, waarop [verdachte] om 10.12 uur antwoordde “Smaragdplein”.10 In de telefoon van verdachte werden ook chatberichten gevonden met het contact ‘ [contact] ’. Vanaf de telefoon van verdachte werden op 10 oktober 2017 berichten verstuurd dat er iets te verdienen valt als die ander mensen heeft met ABN, waardoor hij en de ander goed doezoe kunnen verdienen. Daarna wordt gestuurd dat er saaf op die ABN gaat komen, dan wordt het eraf gepind en klaar.11 Volgens het straattaalwoordenboek betekent ‘doezoe’ duizend euro en ‘saaf’ geld.12

Op 22 december 2017 rond 10.45 uur kreeg de politie een melding dat drie jongens meerdere keren gepind hadden bij verschillende pinautomaten op het Smaragdplein in Utrecht. Op het Smaragdplein werd verdachte daarna aangehouden. Hij was daar samen met twee anderen, waaronder medeverdachte [medeverdachte] . Verdachte had een contant bedrag van € 1.389,50 en een pinpas op naam van [slachtoffer 3] bij zich.13 Aan de pinpas was het rekeningnummer [rekeningnummer] gekoppeld.14

Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij geld heeft gepind met de bankpas van [slachtoffer 3] .15

Interpretatie van de bewijsstukken

Uit de hierboven besproken bewijsstukken blijkt dat verdachte vanaf een rekening van een ander een geldbedrag heeft gepind dat afkomstig was van oplichting. Verdachte heeft verklaard dat hij de pinpas van [slachtoffer 3] had gekregen van een vriend van [slachtoffer 3] . Diegene zou aan verdachte hebben gevraagd om geld van haar rekening te pinnen. Die verklaring vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Uit de hierboven besproken chatberichten blijkt namelijk dat verdachte zich actief bezighield met het laten storten van crimineel geld op bankrekeningen, dat vervolgens gepind werd. Om die reden gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte wist dat het geld dat op de bankrekening van [slachtoffer 3] werd overgemaakt van een misdrijf afkomstig was, zeker aangezien hij een dag na de oplichting in het bijzijn van medeverdachte [medeverdachte] met de pinpas op zak is aangetroffen. Door het bedrag vervolgens van de rekening te pinnen, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en omzetten van crimineel geld en dus aan het subsidiair ten laste gelegde witwassen. Aangezien uit het dossier niet blijkt dat verdachte anderen opzettelijk heeft geholpen bij het oplichten van [slachtoffer 2] , wordt verdachte vrijgesproken van medeplichtigheid aan oplichting.

Feit 4

Verdachte heeft op de zitting toegegeven dat hij dit feit – voor zover bewezen verklaard door de rechtbank – heeft gepleegd. De rechtbank zal daarom niet opschrijven wat er in de bewijsstukken staat, maar alleen opsommen welke bewijsstukken zij voor de bewezenverklaring gebruikt. De rechtbank verwijst met voetnoten naar de plaats waar de bewijsstukken in het dossier te vinden zijn.

De bewijsstukken:

- kennisgeving van inbeslagneming d.d. 22 december 201716;

- een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen17;

- het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut over de identificatie van de drugs18;

- de verklaring van verdachte op de zitting.19

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. (zaak 18)

op 11 december 2017 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een geldbedrag (van in totaal €1.343,86), voorhanden heeft gehad, overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2. ( (zaak 19)

op 22 december 2017 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen een geldbedrag (van in totaal €1.370) voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4. op 22 december 2017 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 6 ponypacks bevattende 3,59 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen. De rechtbank heeft taal- en spelfouten in de tenlastelegging verbeterd. Dat is niet nadelig voor verdachte.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Als een verdachte zich kan beroepen op zo’n rechtvaardigingsgrond is zijn gedrag niet in strijd met het recht. Niet is gebleken dat er zo’n rechtvaardigingsgrond voor de door verdachte gepleegde feiten bestond. De door verdachte gepleegde feiten zijn dus strafbaar.

De wet noemt de door verdachte gepleegde feiten:

  • -

    feit 1, feit 2: telkens: medeplegen van witwassen;

  • -

    feit 4: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Als een verdachte zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond is zijn gedrag niet verwijtbaar. Niet is gebleken dat verdachte een beroep kon doen op zo’n schulduitsluitingsgrond. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie neemt het verdachte kwalijk dat hij schade heeft veroorzaakt voor de slachtoffers. De officier van justitie houdt rekening met het tijdsverloop, maar vindt ook dat er vanuit de straf een generaal preventieve werking moet uitgaan. Hij vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

8.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat verzoekt om verdachte volgens het jeugdstrafrecht te berechten, aangezien de reclassering dat heeft geadviseerd. Daarnaast verzoekt de advocaat om rekening te houden met het feit dat de redelijke termijn ruim is overschreden. Verdachte heeft zijn leven nu op de rit. De advocaat vindt het dan ook niet passend om verdachte naar de gevangenis te sturen. Zij verzoekt de rechtbank om te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of met een taakstraf.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder verdachte die feiten heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij de straf heeft bepaald.

8.3.1

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen. Door aan opbrengsten van misdrijven een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn. Verdachte heeft daarnaast harddrugs in bezit gehad.

De rechtbank neemt verdachte dit handelen kwalijk.

De rechtbank vindt dat bij de ernst van de feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van korte duur of een taakstraf van lange duur past. Dat neemt zij dus ook als uitgangspunt bij het bepalen van de straf.

8.3.2

De persoonlijke omstandigheden van verdachte

Strafblad

Uit het strafblad (de ‘justitiële documentatie’) van verdachte blijkt dat hij eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Omdat dat geen vergelijkbare strafbare feiten zijn als de feiten waar verdachte nu voor wordt veroordeeld, hebben die veroordelingen geen invloed op het bepalen van de straf.

Advies van de reclassering

Verdachte heeft een gesprek gevoerd met de heer M. van der Spek van Reclassering Nederland. Hij heeft een rapport over verdachte geschreven.

Volgens de reclassering moet verdachte volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, omdat verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten zijn gedrag onvoldoende kon organiseren.

Volgens de reclassering leidde verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een heel instabiel leven. Inmiddels heeft verdachte zijn leven echter op de rit. De reclassering vindt het voor verdere stabilisering en een afname van de kans op herhaling van strafbare feiten belangrijk dat verdachte hulp van de reclassering krijgt. Verdachte is daar echter niet voor gemotiveerd en krijgt al hulp van andere instanties. De reclassering ziet daarom onvoldoende reden om hulp in een gedwongen kader te adviseren.

8.3.3

Conclusie

De rechtbank zal verdachte volgens het volwassenstrafrecht berechten. Voor volwassenen vanaf 18 jaar oud geldt het uitgangspunt dat zij volgens het volwassenstrafrecht worden berecht. Alleen in uitzonderingsgevallen kan een jongvolwassene toch volgens de regels van het jeugdstrafrecht worden berecht. In de zaak van verdachte is niet gebleken dat zich zo’n uitzonderingssituatie voordoet.

Zoals gezegd vindt de rechtbank een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf van lange duur in beginsel passend. De strafbare feiten hebben echter al bijna vier jaar geleden plaatsgevonden en het onderzoek naar de betrokkenheid van verdachte bij deze strafbare feiten is ook al bijna vier jaar geleden begonnen. De redelijke termijn is dus overschreden. De rechtbank vindt het daarom niet meer passend als verdachte nu naar de gevangenis moet of een taakstraf van zeer lange duur moet uitvoeren. Verder houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten. Omdat verdachte niet gemotiveerd is om mee te werken met de reclassering, ziet de rechtbank geen reden om een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Alles afwegend, vindt de rechtbank een taakstraf van 80 uren passend en geboden.

9 BESLAG

Onder verdachte is een geldbedrag van € 1.389,50,- in beslag genomen.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht te bepalen dat het geldbedrag wordt teruggegeven aan de rechthebbende.

9.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat verzoekt om te bepalen dat een bedrag van € 1.370,- wordt teruggegeven aan de rechthebbende en een bedrag van € 19,50 wordt teruggegeven aan verdachte, omdat uit het dossier niet blijkt dat dit bedrag niet aan verdachte toebehoort.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het dossier blijkt dat een bedrag € 1.370,- toebehoort aan een ander dan verdachte, namelijk aan [slachtoffer 2] . Zowel de officier van justitie als de verdediging vinden dat dit bedrag moet worden teruggegeven aan aangever [slachtoffer 2] . De rechtbank is het daar mee eens. De rechtbank gelast daarom de teruggave van dat bedrag aan [slachtoffer 2] , ondanks dat daar ook conservatoir beslag op rust. De rechtbank merkt daarbij wel op dat nu er nog conservatoir beslag op het geldbedrag rust, teruggave pas kan plaatsvinden indien dit beslag wordt opgeheven.

De rechtbank neemt geen beslissing over het beslag op het overige geldbedrag van € 19,50, nu daarop conservatoir beslag rust en de officier van justitie en de verdediging daarover een ander standpunt hebben.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat verzoekt om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Aangezien het in beslag genomen bedrag van € 1.370,- kan worden teruggegeven aan de benadeelde partij en uit het dossier blijkt dat het resterende bedrag van € 30,- bij iemand anders terecht is gekomen, is er volgens de advocaat geen schade meer te vergoeden.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

10.3.1

[slachtoffer 2]

heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. In de vordering staat dat zij voor € 1.500,- is opgelicht.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade tot een bedrag van € 1.370,- een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 bewezenverklaarde en dat verdachte aansprakelijk is voor die schade. In de aangifte heeft [slachtoffer 2] weliswaar een bedrag van € 1.400,- genoemd, maar gebleken is dat verdachte enkel betrokken is geweest bij het witwassen van € 1.370,-. De vordering wordt tot dat bedrag toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2017 tot de dag van volledige betaling. De rechtbank verklaart [slachtoffer 2] nietontvankelijk in de vordering voor zover die ziet op het meer gevorderde, aangezien de vordering op dat punt onvoldoende onderbouwd is. [slachtoffer 2] kan de vergoeding van dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter verzoeken.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. Als en voor zover verdachtes mededader betaalt, hoeft verdachte die schade niet meer te betalen. Datzelfde geldt voor het geval het bedrag van € 1.370,- gelet op hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen reeds aan de benadeelde partij is teruggegeven.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer 2] aan verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 1.370,‑, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 december 2017 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 23 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft. Deze verplichting bestaat niet voor zover het bedrag van

€ 1.370,- gelet op hetgeen hiervoor onder 9.3 is overwogen reeds aan de benadeelde partij is teruggegeven.

Als verdachte of zijn mededader aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, vervalt de andere.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, zal de rechtbank verdachte veroordelen tot vergoeding van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op heden begroot op nihil.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22b, 36f, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder feit 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder feit 1, subsidiair, feit 2, subsidiair en feit 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan [slachtoffer 2] van: een bedrag van € 1.370,- (goednummer PL0900-2017384534-2104516);

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 1.370,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2017;

  • -

    veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] , behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald of dit bedrag reeds aan de benadeelde partij is teruggeven;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering is en bepaalt dat dit gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] € 1.370,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2017, aan de Staat te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald of dit bedrag reeds aan de benadeelde partij is teruggegeven, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 23 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.M. Heppe, voorzitter, mrs. E.J.W. Verhaagh en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 mei 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. (zaak 18)

een of meer (onbekend gebleven) personen op of omstreeks 11 december 2017 te Utrecht en/of Raalte, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (van in totaal €1.343,86), door

- informatie omtrent het privéleven en/of de sociale contacten van die [slachtoffer 1] te verzamelen en/of

- die [slachtoffer 1] te benaderen via WhatsApp-berichten, althans door middel van elektronisch berichtenverkeer en/of

- zich voor te doen als de schoondochter van die [slachtoffer 1] en/of (daarbij) aan te geven dat die schoondochter een nieuw telefoonnummer zou hebben en/of

- aan te geven dat die schoondochter een (spoedeisend) financieel probleem had en/of een probleem met/storing bij het tele- of internetbankieren en/of

- die [slachtoffer 1] om (financiële) hulp te vragen en/of te verzoeken om (per ommegaande) een of meer rekeningen te betalen en/of

- (daarbij) aan te geven dat die [slachtoffer 1] dat geld na het voorschieten/betalen zo snel mogelijk (contant) terug zou krijgen en/of

- die [slachtoffer 1] een bankrekeningnummer door te geven waarop het geld gestort moest worden en/of (nadere) instructies gegeven om geld over te maken naar een door verdachte opgegeven bankrekeningnummer, waardoor die [slachtoffer 1] werd bewogen tot afgifte van bovenomschreven goed,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, of omstreeks 11 december 2017 te Utrecht en/of Raalte, althans (elders) in Nederland, een of meermalen (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- die (onbekend gebleven) personen toegang tot zijn bankrekening en/of pinpas en/of pincode te geven en/of

- zijn bankrekeningnummer en/of pinpas en/of pincode aan die (onbekend gebleven) personen ter beschikking te stellen;

( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 december 2017 te Utrecht en/of Raalte, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal €1.343,86), heeft verworven,

voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal €1.343,86) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededaders wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

( art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond b

Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer (onbekend gebleven) personen op of omstreeks 11 december 2017 te Utrecht en/of Raalte, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal €1.343,86), heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal €1.343,86) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl deze (onbekend gebleven) personen wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, of omstreeks 11 december 2017 te Utrecht en/of Raalte, althans (elders) in Nederland, een of meermalen (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of

opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- die (onbekend gebleven) personen toegang tot zijn bankrekening en/of pinpas en/of pincode te geven en/of

- zijn bankrekeningnummer en/of pinpas en/of pincode aan die (onbekend gebleven) personen ter beschikking te stellen;

( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

2. ( (zaak 19)

een of meer (onbekend gebleven) personen op of omstreeks 22 december 2017 te Utrecht en/of Alkmaar, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag (van in totaal €1.400,-), door

- informatie omtrent het privéleven en/of de sociale contacten van die [slachtoffer 2] te verzamelen en/of

- die [slachtoffer 2] te benaderen via WhatsApp-berichten, althans door middel van elektronisch berichtenverkeer en/of

- zich voor te doen als de dochter van die [slachtoffer 2] en/of (daarbij) aan te geven dat die dochter een nieuw telefoonnummer zou hebben en/of

- aan te geven dat die dochter een (spoedeisend) financieel probleem had en/of een probleem met/storing bij het tele- of internetbankieren en/of

- die [slachtoffer 2] om (financiële) hulp te vragen en/of te verzoeken om (per ommegaande) een of meer rekeningen te betalen en/of

- (daarbij) aan te geven dat die [slachtoffer 2] dat geld na het voorschieten/betalen zo snel mogelijk (contant) terug zou krijgen en/of

- die [slachtoffer 2] een bankrekeningnummer door te geven waarop het geld gestort moest worden en/of (nadere) instructies gegeven om geld over te maken naar een door verdachte opgegeven bankrekeningnummer, waardoor die [slachtoffer 2] werd bewogen tot afgifte van bovenomschreven goed,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 22 december 2017 te Utrecht en/of Alkmaar, althans (elders) in Nederland, een of meermalen (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- het bankrekeningnummer van [slachtoffer 3] door te geven aan die (onbekend gebleven) personen en/of

- op verzoek van die (onbekend gebleven) personen met een pinpas (op naam van [slachtoffer 3] ) bovengenoemd geldbedrag (contant) op te nemen bij een of meer pinautomaten en/of winkels;

( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

(zaak 19)

hij op of omstreeks 22 december 2017 te Utrecht en/of Alkmaar, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal €1.370), heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal €1.370) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededaders wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

( art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond b

Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

een of meer (onbekend gebleven) personen op of omstreeks 22 december 2017 te Utrecht en/of Alkmaar, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meermalen (telkens) een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal €1.370), heeft/hebben verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal €1.370) gebruik heeft/hebben gemaakt, terwijl deze (onbekend gebleven) personen wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 22 december 2017 te Utrecht en/of Alkmaar, althans (elders) in Nederland, een of

meermalen (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door

- het bankrekeningnummer van [slachtoffer 3] door te geven aan die (onbekend gebleven) personen en/of

- op verzoek van die (onbekend gebleven) personen met een pinpas (op naam van

[slachtoffer 3] ) bovengenoemd geldbedrag (contant) op te nemen bij een of meer

pinautomaten en/of winkels;

( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a

Wetboek van Strafrecht )

3. ( (zaak 19)

hij op of omstreeks 22 december 2017 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een pinpas op naam van [slachtoffer 3] heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

4. hij op of omstreeks 22 december 2017 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 6 ponypacks bevattende ongeveer 3,59 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. De processen-verbaal in deze zaak zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer PL0900-2020096766 van 20 april 2020, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 1028. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 515-516.

3 Een geschrift, te weten: een e-mailbericht van de ING Bank, p. 518.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 746.

5 www.straatwoordenboek.nl.

6 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting.

7 Proces-verbaal van aangifte, p. 523-524.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 534-535.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 557.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 744-745.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 746.

12 www.straatwoordenboek.nl.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 599-601.

14 Een geschrift, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming, p. 617.

15 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting.

16 Een geschrift, te weten: een kennisgeving van inbeslagneming, p. 624-625.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 626-627.

18 Een geschrift, te weten: een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, p. 128-129.

19 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting.