Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2160

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
UTR 20/4454
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Illegale kamerverhuur. Invordering dwangsom. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat eiseres de geconstateerde overtreding niet heeft beëindigd binnen de begunstigingstermijn. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/4454


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2021 in de zaak tussen


[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder,

(gemachtigde: A.M.B. Lagarde).

Inleiding

1.1

Op 11 oktober 2018 hebben drie toezichthouders van verweerder een controlebezoek gebracht aan het adres [adres] in [woonplaats] (de woning) vanwege het vermoeden dat de woning was gesplitst of voor kamerverhuur werd gebruikt.

1.2

Bij brief van 10 januari 2019 heeft verweerder aan eiseres een vooraanschrijving gezonden, omdat op 11 oktober 2018 zou zijn geconstateerd dat er zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning en in strijd met het Bouwbesluit 2012 in de woning sprake was van kamerverhuur.

1.3

Op 24 januari 2019 en 31 januari 2019 heeft eiseres in gesprekken met verweerder haar zienswijzen naar voren gebracht. Eiseres heeft aangegeven dat het haar intentie was om zelf in de woning te gaan wonen, maar was daar als gevolg van haar financiële situatie nog niet toe in staat geweest en had de woning aan derden verhuurd. Eiseres zou uiterlijk 30 juni 2019 haar intrek nemen in de woning en de kamerverhuur staken.

1.4

Op 13 augustus 2019 heeft een toezichthouder van verweerder een controlebezoek gebracht aan de woning. Hij heeft tijdens dat bezoek geconstateerd dat eiseres delen van de woning heeft verhuurd.

1.5

Bij besluit van 19 augustus 2019 heeft verweerder aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. Deze last houdt in dat eiseres binnen vier weken na de verzenddatum van de last (20 augustus 2019) de illegale situatie moet staken en conform de gemaakte afspraak haar intrek neemt in de woning onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-. Tegen dit besluit heeft eiseres geen bezwaar gemaakt.

1.6

Op 26 augustus 2019 is er telefonisch contact geweest tussen [A] (namens eiseres) en verweerder waarbij is afgesproken dat eiseres niet haar intrek zou nemen in de woning, maar dat zij de gehele woning aan mevrouw [B] (hierna: [B] ) zou verhuren, zodat er geen sprake meer zou zijn van kamerverhuur.

1.7

Op 18 september 2019 heeft een toezichthouder van verweerder opnieuw een controlebezoek gebracht. Bij dit controlebezoek zijn [B] en haar logee [C] in de woonkamer op de begane grond aangetroffen. De toezichthouder heeft verder geconstateerd dat op de eerste verdieping een ruimte was afgesloten en de deur was voorzien van een dag- en nachtslot met cilinder. Ook op de tweede verdieping waren twee slaapkamers voorzien van een dag- en nachtslot met cilinder. Na openen van de deuren van de slaapkamers op de tweede verdieping, is in elke slaapkamer een slapend persoon aangetroffen. [B] heeft over die twee personen verklaard dat zij familie van eiseres waren en ook werkten in het restaurant van eiseres (“ [restaurant] ” aan de [adres] in [vestigingsplaats] ).

1.8

Bij brief van 23 september 2019 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de dwangsom is verbeurd en zij daarom binnen zes weken het verschuldigde bedrag van
€ 10.000,- moet betalen.

1.9

Bij brief van 10 december 2019 heeft verweerder een voornemen tot invorderen naar eiseres gestuurd, omdat eiseres de verbeurde dwangsom niet uit eigen beweging heeft betaald. Eiseres heeft een termijn van twee weken gekregen om haar zienswijzen in te dienen.

1.10

In haar zienswijze heeft eiseres te kennen gegeven dat de sloten op de kamers van de eerste en tweede verdieping nog niet verwijderd waren, omdat dat lelijke gaten in de deuren zou achterlaten. Volgens eiseres waren de twee slapende personen niet haar werknemers, maar haar familieleden die van 28 augustus 2019 tot 20 september 2019 in Nederland verbleven voor een bruiloft. Uit het feit dat de kamers behalve bedden niet gemeubileerd waren, blijkt volgens eisers dat het niet ging om vaste huurders van de kamers, maar om logees.

1.11

Op 15 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een besluit tot invordering van de dwangsom genomen.

1.12

In het besluit van 2 november 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Samengevat weergegeven stelt verweerder zich – anders dan de Adviescommissie bezwaarschriften – op het standpunt dat uit het controlebezoek is gebleken dat eiseres niet binnen de begunstigingstermijn aan de opgelegde last heeft voldaan. Volgens verweerder wordt dat versterkt door een controlebezoek van november 2019.

1.13

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

1.14

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.15

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het geschil

2. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij is van mening dat zij de in de last onder dwangsom geconstateerde overtreding tijdig heeft beëindigd door het gehele pand aan [B] te verhuren. Ook heeft eiseres de indruk dat er in de gemeente een andere Chinese vrouw is die aan kamerverhuur doet en eiseres ten onrechte door verweerder met deze vrouw wordt geassocieerd.

Beoordeling door de rechtbank

3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 is verbeuring van de dwangsom niet afhankelijk van het controlemoment van verweerder, maar verbeurt eiseres een dwangsom van rechtswege indien zij na afloop van de begunstigingstermijn niet (geheel) aan de last heeft voldaan.

4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2 dient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundige persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen. Een schriftelijke rapportage dient voorts in beginsel te zijn voorzien van een ondertekening door de opsteller en een dagtekening. Aan het ontbreken van een ondertekening en een dagtekening kan worden voorbijgegaan, indien op andere wijze kan worden vastgesteld dat de opsteller van de rapportage degene is die de daarin vermelde feiten en omstandigheden heeft vastgesteld of waargenomen en wanneer die vaststelling of waarneming heeft plaatsgevonden.

5. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiseres in de woning voorheen kamers verhuurde. Naar aanleiding van (het voortraject van) de last onder dwangsom heeft eiseres echter – samengevat weergegeven – te kennen gegeven dat de woning niet meer zal worden gebruikt voor kamerverhuur, maar in zijn geheel aan [B] zal worden verhuurd. Verweerder heeft het invorderingsbesluit gebaseerd op de verbeuringsbrief van 23 september 2019 en het ‘Constatering Rapport 2’ van het controlebezoek op 18 september 2019 (zie rechtsoverweging 1.7). Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het rapport van het controlebezoek aan de rechtsoverweging 4 geschetste vereisten. Uit dit rapport blijkt dat op de eerste verdieping van de woning een ruimte was afgesloten en voorzien van een dag- en nachtslot met cilinder. [B] had dus niet de beschikking over deze ruimte, ondanks haar verklaring dat zij de gehele woning huurde. Op de tweede verdieping waren twee slaapkamers die beide voorzien waren van een dag- en nachtslot met cilinder. In elk van deze kamers lag een persoon te slapen die niet behoorde tot het huishouden van [B] . [B] heeft ook niet kunnen vertellen wie deze personen waren, behalve dat het werknemers/familie van eiseres waren. Gelet op deze geconstateerde omstandigheden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres de geconstateerde kamerverhuur niet binnen de begunstigingstermijn heeft beëindigd en de dwangsom van € 10.000,- is verbeurd.

6. Eiseres heeft in beroep verklaard dat de twee personen die op de tweede verdieping zijn aangetroffen, werknemers waren die normaal gesproken bij haar wonen. Omdat eiseres in haar eigen woning familiebezoek ontving in verband met een bruiloft, hebben de twee werknemers voor ongeveer anderhalve maand bij [B] geslapen. In bezwaar heeft eiseres verklaard dat zij [B] hiervoor heeft gecompenseerd door € 150,- per maand te terug te betalen. In beroep is eiseres hierop teruggekomen. Volgens het huurcontract zou eiseres € 1.200,- per maand betalen, maar omdat zij financieel in een moeilijke situatie zat heeft zij lange tijd € 1.050,- per maand betaald. Pas nadat de broer en vriend van [B] ook de woning hebben betrokken, is [B] ook voor het gas, water en licht gaan betalen.

De rechtbank vindt deze verklaring onvoldoende. Nog afgezien van de vraag of eiseres [B] financieel gecompenseerd heeft of niet, kunnen de personen die slapend zijn aangetroffen op de tweede verdieping naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet aangemerkt worden als logees van [B] . [B] kon tijdens het bezoek immers niet vertellen wie deze personen waren. Verder heeft eiseres geen verklaring gegeven voor de afgesloten kamer op de eerste verdieping, waar [B] als hoofdhuurster kennelijk niet de beschikking over had.

7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State3 moet bij invordering van een verbeurde dwangsom, aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Dit blijkt ook uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin staat dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

De rechtbank is in deze zaak van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van invordering.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is uitgesproken op 19 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1035.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:515.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:769