Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2142

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
C/16/508400 / HA ZA 20-555
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WAMCA. Ontvankelijkheid collectieve actie.

BREIN komt een beroep toe op de uitzondering van artikel 3:305a lid 6 BW, zodat zij niet hoeft te voldoen aan alle ontvankelijkheidseisen van deze bepaling.

Als het gaat om het vereiste van een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer kan ernstig betwijfeld worden of het stellen van deze eis in overeenstemming is met beginselen van EU-recht (Unietrouw en de doctrine van het nuttig effect van het Unierecht) en het in artikel 18 VWEU neergelegde verbod op discriminatie. Die kwestie kan echter in het midden blijven, omdat in deze zaak een voldoende nauwe band met Nederland aanwezig is. Aan de overige ontvankelijkheidseisen wordt ook voldaan, zodat de behandeling van de collectieve actie kan worden voortgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/399
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/508400 / HA ZA 20-555

Vonnis in incident van 2 juni 2021

in de zaak van

de stichting

STICHTING BREIN,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

YISP B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. W.F. Dammers te Tilburg,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WORLDSTREAM B.V.,

gevestigd te Naaldwijk,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. L. Keukens te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SERVERIUS B.V.,

gevestigd te Dronten,

gedaagde in de hoofdzaak,

de procedure ten aanzien van deze gedaagde is doorgehaald.

Partijen zullen hierna BREIN, Yisp, Worldstream en Serverius genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

BREIN heeft de gedaagden op 1 september 2020 gedagvaard tegen de roldatum van 9 september 2020. Het betreft een vordering op grond van de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie. Op die roldatum heeft BREIN tevens een akte overlegging producties genomen.

1.2.

De rolrechter heeft op dezelfde datum geconstateerd dat BREIN heeft voldaan aan de vereisten uit artikel 1018c lid 2 Rv, te weten het binnen twee dagen na dagvaarding indienen van de dagvaarding ter griffie van de rechtbank en het doen aantekenen van de vordering in het centraal register voor collectieve acties. Vervolgens is de zaak voor 3 maanden aangehouden overeenkomstig artikel 1018c lid 3 Rv.

1.3.

Op 13 januari 2021 hebben Yisp en Worldstream afzonderlijke conclusies van antwoord genomen, tevens houdende incidentele conclusies tot niet-ontvankelijkheid. Worldstream heeft daarbij een vordering in reconventie ingesteld.

1.4.

Op 10 februari 2021 is de zaak tegen Serverius op verzoek van BREIN doorgehaald.

1.5.

BREIN heeft op dezelfde datum een conclusie van antwoord in het incident genomen waarbij productie 23 is overgelegd.

1.6.

Bij aktes van 10 maart 2021 hebben Yisp en Worldstream gereageerd op de door BREIN overgelegde productie.

1.7.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Yisp en Worldstream vorderen dat BREIN op grond van artikel 1018c lid 5 Rv niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vorderingen. BREIN voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Toetsingskader

2.2.

De onderhavige collectieve actie is ingesteld na 1 januari 2020 en heeft betrekking op gebeurtenissen die (mede) hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Dit betekent dat daarop de artikelen 3:305a BW en 1018b Rv e.v. van toepassing zijn, zoals respectievelijk gewijzigd en ingevoerd door de Wet Afwikkeling Massaschade in Collectieve Actie (hierna: WAMCA).

2.3.

Op grond van artikel 1018c lid 5 Rv vindt inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering slechts plaats indien en nadat de rechter heeft beslist:
a. dat eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a lid 1 tot en met 3 BW of dat niet aan deze eisen behoeft te worden voldaan op grond van het zesde lid van dit artikel,
b. dat de eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van een individuele vordering doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben, en

c. dat niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.

2.4.

De rechter moet zo nodig ambtshalve toetsen of aan deze eisen is voldaan (zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2016-2017, 34608, nr. 3, p. 39, Memorie van Toelichting, hierna: de MvT). Dat zal de rechtbank hierna dan ook doen.

Grond a: ontvankelijkheidseisen artikel 3:305a BW

2.5.

Uit artikel 3:305a BW, zoals dit luidt na inwerkingtreding van de WAMCA, volgt dat een stichting ontvankelijk is in een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (collectieve vordering), indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. zij behartigt deze belangen ingevolge haar statuten (lid 1),

  2. deze belangen zijn voldoende gewaarborgd (lid 1, uitgewerkt in lid 2),

  3. de bestuurders betrokken bij de oprichting van de stichting, en hun opvolgers, hebben geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk, dat via de stichting wordt gerealiseerd (lid 3 sub a)

  4. de rechtsvordering heeft een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer (lid 3 sub b)

  5. de stichting heeft in de gegeven omstandigheden voldoende getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken (lid 3 sub c),

  6. de stichting stelt bestuursverslagen en jaarrekeningen op (lid 5); dat dit een ontvankelijkheidseis is, volgt uit het hierna te bespreken lid 6.

2.6.

Yisp en Worldstream stellen zich op het standpunt dat BREIN niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, omdat de collectieve vorderingen een onvoldoende nauwe band hebben met de Nederlandse rechtssfeer (zie hiervoor sub 4) en BREIN onvoldoende overleg heeft gevoerd (sub 5).

2.7.

BREIN beroept zich onder meer op de uitzondering van artikel 3:305a lid 6 BW. Op grond van die bepaling hoeft niet te worden voldaan aan de vereisten van leden 2 en 5, wanneer de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel en een zeer beperkt financieel belang of wanneer de aard van de vordering van de rechtspersoon als bedoeld in lid 1 of van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, daartoe aanleiding geeft.

2.8.

De rechtbank constateert allereerst dat artikel 3:305a lid 6 BW en artikel 1018c lid 5 sub a Rv niet volledig op elkaar aansluiten. Artikel 1018c lid 5 sub a Rv suggereert dat artikel 3:305a lid 6 BW de vereisten van artikel 3:305a leden 1 tot en met 3 BW terzijde stelt. Artikel 3:305a lid 6 BW verwijst echter naar de vereisten van artikel 3:305a leden 2 en 5 BW.

2.9.

De rechtbank legt artikel 1018c lid 5 sub a Rv zo uit dat er twee mogelijke situaties zijn: de ‘gewone’ situatie dat moet worden getoetst of eiser voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a leden 1, 2, 3 en 5 BW en de uitzonderingssituatie zoals geregeld in artikel 3:305a lid 6 BW. In dat laatste geval volgt uit lid 6 dat alleen de ontvankelijkheidsvereisten van leden 1 en 3 gelden. De rechtbank volgt in zoverre de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 oktober 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:5271, r.o. 5.4), met dien verstande dat tot de ontvankelijkheidsgronden zoals geldend in de ‘gewone’ situatie ook de in lid 5 genoemde grond behoort.

2.10.

Bij de beoordeling of sprake is van een bijzondere situatie die een uitzondering op de aangescherpte ontvankelijkheidseisen rechtvaardigt, is volgens de parlementaire geschiedenis het volgende van belang.

  • -

    Het is niet de bedoeling van de stringentere eisen om het organisaties die al een belangrijke rol spelen in het handhaven van collectieve belangen in collectieve acties en die per definitie niet zijn gericht op het verkrijgen van schadevergoeding, onnodig moeilijk te maken hun werk voort te zetten (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 34608, nr. 6, p. 11, Nota naar aanleiding van het Verslag (NnavV)).

  • -

    De reden voor het opnemen van stringentere ontvankelijkheidseisen is een reactie op kritiek vooral op de kwaliteit van ad hoc ingestelde organisaties, die ten behoeve van één specifieke rechtsvordering zijn opgericht of op commerciële organisaties die van het instellen van collectieve vorderingen hun verdienmodel hebben gemaakt, en niet zozeer op bestaande belangenbehartigers die reeds een lange staat van dienst hebben (MvT, p. 18).

  • -

    Het feit dat de vordering niet strekt tot schadevergoeding is niet doorslaggevend; in beginsel gelden de aangescherpte eisen ook voor vorderingen tot verklaring voor recht (MvT p. 15 en 29). Wel kan een uitzondering gepast zijn, wanneer een representatieve belangenorganisatie een andere vordering instelt dan een schadevergoeding en er een maatschappelijk belang mee is gemoeid, tenzij de verklaring voor recht wordt gevraagd als opmaat naar een collectieve schadevergoedingsactie (NnavV p. 21).

  • -

    De wetgever noemt als voorbeeld van een procedure die vanwege het ideële doel en zeer beperkte financiële belang van de gedupeerden onder de uitzondering zou kunnen vallen, een vordering waarin van de aangesproken partij een bepaalde handeling wordt gevorderd en niet een bedrag als schadevergoeding. Expliciet wordt aangegeven dat denkbaar is dat de uitzondering van toepassing is op een organisatie die opkomt voor de handhaving van intellectuele eigendomsrechten en daarom voor de gedupeerden die zij vertegenwoordigt uitsluitend een verbod vordert tot inbreuk op een auteursrecht (NnavV p. 17).

2.11.

De rechtbank constateert het volgende.

  • -

    BREIN is een stichting die al lange tijd en kennelijk naar tevredenheid van de bij haar aangesloten rechthebbenden op intellectuele eigendomsrechten, de belangen van deze rechthebbenden behartigt.

  • -

    De vorderingen die BREIN in deze procedure heeft ingesteld, strekken niet tot schadevergoeding, en vormen ook geen opmaat tot een schadevergoeding jegens Yisp en Worldstream. De vorderingen strekken mede tot het staken van inbreuken op intellectuele eigendomsrechten, één van de voorbeelden genoemd in de parlementaire geschiedenis voor het maken van een uitzondering.

  • -

    Hoewel BREIN met de vorderingen zeker ook de commerciële belangen van haar rechthebbenden behartigt (om te voorkomen dat de opbrengst van verkoop of verhuur van films en tv-series uit legale bron vermindert), dienen die vorderingen in bredere zin het maatschappelijke belang dat wordt voorkomen dat Nederland een vrijhaven wordt voor piraten die illegale kopieën van films en tv-series via Nederlandse servers aanbieden. Daarmee hangt samen het belang van de ondernemingen die servers ter beschikking stellen, om te weten welke juridische verplichtingen zij precies hebben jegens de rechthebbenden.

2.12.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanleiding is om BREIN een uitzondering als bedoeld in artikel 3:305 lid 6 BW toe te kennen op de stringentere ontvankelijkheidseisen van leden 2 en 5 van dit artikel. Dit betekent dat in dit geval alleen moet worden getoetst of BREIN voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van leden 1 en 3 (de hiervoor benoemde ontvankelijkheidsgronden 1, 3, 4 en 5).

Ad 1 Belangenbehartiging in de statuten (lid 1)

2.13.

Uit productie 4 bij dagvaarding blijkt dat BREIN tot doel heeft de belangen van rechthebbenden op intellectuele eigendomsrechten, en de rechtmatige exploitanten daarvan, met name de belangen van de bij haar aangesloten partijen, te behartigen (artikel 3.1).

Er is verder geen aanleiding om te veronderstellen dat de belangen van de rechthebbenden in algemene zin onvoldoende gewaarborgd zijn in de zin van lid 1. Aan deze ontvankelijkheidseis is dus voldaan.

Ad 3 Geen winstoogmerk (lid 3 sub a)

2.14.

Stichtingen hebben naar hun aard geen winstoogmerk. Dit voorkomt echter niet dat eventuele gelden die een stichting ontvangt, bij de bestuurders of oprichters terecht komen. Nu de onderhavige vorderingen echter niet strekken tot schadevergoeding, is er onvoldoende aanleiding om op dit punt nadere informatie in te winnen bij BREIN.

Ad 4 Voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer (lid 3 sub b)

2.15.

De rechtbank stelt voorop dat zij kan, en in sommige gevallen ambtshalve moet, toetsen of Nederlandse wetgeving in overeenstemming is met regelgeving die voorrang heeft, zoals het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).

2.16.

Als het gaat om het vereiste van een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer kan ernstig betwijfeld worden of dit in overeenstemming is met beginselen van EU-recht (het beginsel van Unietrouw - artikel 4 VWEU - en de door het Hof van Justitie EU in aanvulling daarop ontwikkelde doctrine van het nuttig effect van het Unierecht) en het in artikel 18 VWEU neergelegde verbod op discriminatie. De wetgever heeft de eventuele strijd met de ‘nuttig effect’-doctrine laten onderzoeken en uiteindelijk geconcludeerd dat er van strijd geen sprake is, maar dat het laatste woord daarover aan het Hof van Justitie EU is (MvT p. 22 tot en met 26 en NnavV p. 13).

2.17.

Op dit punt blijft echter gerede twijfel aanwezig (vgl. “De collectieve actie 2.0 in grensoverschrijdende zaken: het territoriaal ontvankelijkheidsvereiste onder de loep” , C.G. van der Plas, https://www.nipr-online.eu/pdf/2019-406.pdf). Om daarover voldoende zekerheid te verkrijgen zouden prejudiciële vragen moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie. Echter, omdat in de onderhavige zaak aan dit ontvankelijkheidsvereiste voldaan wordt, is daar onvoldoende aanleiding voor.

2.18.

De vereiste nauwe band bestaat er in dit geval uit dat de vordering is gericht tegen twee ondernemingen die in Nederland gevestigd zijn (artikel 3:305a lid 3 sub b onder 2 BW). Er zijn ook voldoende bijkomende omstandigheden die wijzen op verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer. Yisp en Worldstream zijn niet bij de procedure betrokken als brievenbusfirma’s of dochtermaatschappijen die verder geen activiteiten in Nederland ontplooien. De angst daarvoor was de reden voor de wetgever om de eis van bijkomende omstandigheden te stellen (zie Amendement nr. 12 van het lid Van Gent c.s. over aanscherping van de vereiste nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer, aangenomen op 29 januari 2019). Yisp en Worldstream beheren servers in of vanuit Nederland. Dat de beweerdelijke inbreukmakers in Oekraïne of Rusland woonachtig zouden zijn, is niet van belang. Yisp en Worldstream worden aangesproken op hun eigen beweerdelijke handelen als tussenpersoon.

Ad 5 Voldoende overleg (lid 3 sub c)?

2.19.

Het laatste ontvankelijkheidsvereiste dat getoetst moet worden, is of BREIN in de gegeven omstandigheden voldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met Yisp en Worldstream te bereiken. Een termijn van twee weken na de ontvangst door de verweerder van een verzoek tot overleg onder vermelding van het gevorderde, is daarvoor in elk geval voldoende, aldus artikel 3:305a lid 3 sub c BW.

2.20.

Yisp en Worldstream vinden dat er onvoldoende is overlegd. Zij gaan er bovendien vanuit dat over elke individuele in te stellen vordering overleg moet zijn gepleegd. De rechtbank volgt hen daarin niet. De overlegverplichting is niet absoluut, maar afhankelijk van “ de gegeven omstandigheden” en dient “ voldoende” te zijn.

2.21.

Worldstream heeft niet betwist dat zij met BREIN minnelijk overleg heeft gevoerd, waar ook meerdere onderdelen van de latere vorderingen aan de orde zijn gekomen. In zoverre moet dan ook geoordeeld worden dat het overleg voldoende is geweest.

Dat dit overleg pas heeft plaatsgevonden op 22 april 2020, na het uitbrengen (op 9 april 2020) van de dagvaarding in de eerste collectieve procedure tussen partijen - die geëindigd is in een ontslag van instantie (vonnis van 5 augustus 2020, C/16/501053/HA ZA 20-247) - doet daar niet aan af, omdat BREIN genoodzaakt was tijdig de hoofdzaak aanhangig te maken om te voorkomen dat de gelegde beslagen zouden vervallen.

2.22.

Als het gaat om het overleg met Yisp, heeft BREIN niet meer gesteld dan dat zij een sommatiebrief aan Yisp heeft gestuurd, en dat Yisp daarop afwijzend heeft gereageerd. Een sommatiebrief kan echter niet worden aangemerkt als een verzoek om tot overleg over te gaan. De sommatiebrief zag bovendien slechts op de inzage in de beslagen gegevens, niet op de nadere maatregelen die BREIN wil dat tussenpersonen als Yisp en Worldstream treffen. Anderzijds heeft Yisp – hoewel daartoe niet verplicht (artikel 1018c lid 5 laatste zin Rv) – wel al van antwoord gediend en in ruim 100 pagina’s uitgelegd waarom alle vorderingen van BREIN moeten worden afgewezen. Gelet hierop zou overleg niet zinvol zijn geweest, zodat BREIN op deze grond niet niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Grond b: voeren van een collectieve procedure efficiënter en effectiever

2.23.

Indien de individuele rechthebbenden zouden worden genoodzaakt om individuele rechtszaken te voeren over de wijze waarop Yisp en Worldstream het beweerdelijke inbreukmaken op hun intellectuele eigendomsrechten zouden hebben gefaciliteerd, zou dit niet efficiënt zijn. Er zouden allerlei vragen moeten worden beantwoord over op welk moment welke film van welke rechthebbende toegankelijk was via de servers van Yisp en Worldstream. Dit, terwijl de uiteindelijk te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in grote mate gemeenschappelijk zijn en het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt, ook voldoende groot is om behandeling in een collectieve procedure te rechtvaardigen.

Grond c: summierlijke ondeugdelijkheid van de collectieve vordering

2.24.

Doel van artikel 1018c lid 5 sub c Rv is om in uitzonderlijke gevallen een collectieve vordering al vóór de inhoudelijke behandeling ervan van tafel te krijgen omdat deze niet deugt (MvT p. 39). Voor een dergelijk vergaand oordeel is op grond van de tot nu toe gewisselde processtukken geen plaats.

Conclusie

2.25.

BREIN is derhalve ontvankelijk in haar vorderingen tegen beide gedaagden.

Publicatie in het centraal register en voortgang van de procedure

2.26.

De rechtbank draagt de griffier op van dit vonnis aantekening te maken in het centraal register voor collectieve vorderingen. Anders dan voor andere beslissingen schrijft de WAMCA aantekening van beslissingen op de voet van artikel 1018c lid 5 Rv weliswaar niet voor, maar gelet op de aard en het doel van het centraal register mogen deze beslissingen daarin niet ontbreken.

2.27.

Gelet op de grote omvang van de conclusies van antwoord (beide meer dan 100 pagina’s) en de complexiteit van de zaak is het voor een goede instructie van de zaak noodzakelijk dat er nog een nadere schriftelijke ronde plaatsvindt. De zaak zal daarom worden verwezen naar de rol voor conclusie van repliek in de hoofdzaak, tevens van antwoord in reconventie.

Proceskosten

2.28.

Yisp en Worldstream zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

verklaart BREIN ontvankelijk in haar vorderingen,

3.2.

veroordeelt Yisp en Worldstream in de kosten van het incident, aan de zijde van BREIN tot op heden begroot op € 1.219,00,

in de hoofdzaak

3.3.

draagt de griffier op van dit vonnis aantekening te maken in het centraal register voor collectieve vorderingen,

3.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 juni 2021 voor conclusie van repliek in de hoofdzaak, tevens van antwoord in reconventie,

3.5.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2021.1

1 type: WV (4208)