Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2124

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
16-100051-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor een poging tot verkrachting en mishandeling van een 35-jarige vrouw in het centrum van Utrecht in de vroege ochtend. Verdachte heeft op een onverhoeds moment het slachtoffer over de straat meegesleurd en met geweld geprobeerd aangeefster te verkrachten. Dat de verdachte van plan was om het slachtoffer te verkrachten blijkt uit het feit dat hij met zijn vingers in de mond van het slachtoffer heeft bewogen en dat hij een aantal dagen eerder al tegen het slachtoffer had gezegd: “I want to fuck”. Door het verzet van het slachtoffer is het bij een poging gebleven.

De rechtbank heeft verdachte hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek van het voorarrest en daarnaast heeft de rechtbank een contactverbod opgelegd in het kader van 38v Wetboek van Strafrecht en de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op grond van 38z Sr. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 2.435-.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-100051-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1986] te [geboorteplaats] (Nigeria),

verblijvende in PI Ter Apel,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 juli 2020, 12 oktober 2020, 4 januari 2021, 15 maart 2021 en de inhoudelijke behandeling van 7 mei 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. E.M. ter Braak en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. T. Cooman, advocaat te Utrecht, namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte op 12 april 2020 te Utrecht:

Feit 1 primair: [slachtoffer] heeft verkracht;

Feit 1 subsidiair: heeft geprobeerd voornoemde [slachtoffer] te verkrachten;

Feit 1 meer subsidiair: heeft geprobeerd om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen;

Feit 1 meest subsidiair: [slachtoffer] door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden;

Feit 2 primair: heeft geprobeerd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2 subsidiair: [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 primair ten laste gelegde (voltooide) verkrachting wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft zijn vingers achter in de mond van aangeefster geduwd en volgens het Openbaar Ministerie is er hierbij sprake geweest van een seksueel component. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat het verdachte is geweest die op de camerabeelden van 9 april 2020 te zien is en op die dag tegen aangeefster heeft gezegd “I want to fuck you, talk to me”. Naast deze geuite tekst heeft verdachte op 12 april 2020 niet alleen zijn vingers diep in de keel van aangeefster geduwd, maar is er ook sprake geweest van het rondroeren met zijn vingers. Daarnaast blijkt uit het aangetroffen DNA van verdachte op de jas van aangeefster dat verdachte haar ter hoogte van haar borsten (gedurende langere tijd) heeft vastgehad. Als laatste heeft de officier van justitie aangevoerd dat de broek van verdachte opzettelijk gescheurd was ter hoogte van zijn kruis.

Met betrekking tot feit 2 acht de officier van justitie de primair ten laste gelegde poging tot toebrengen zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft onderbouwd dat 12 april 2020, de dag waarop verdachte zijn vingers in de mond van aangeefster deed, in een periode viel waarin het coronavirus erg aanwezig was. Het coronavirus kan leiden tot zeer ernstige (zware) lichamelijke problemen en om die reden mag er geen lichamelijk contact zijn en dient er afstand te worden gehouden. Het kan niet anders dan dat verdachte hier ook van op de hoogte was. Gelet op de jurisprudentie over spugen in het gezicht, neemt het Openbaar Ministerie ook hier aan dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast heeft verdachte de keel van aangeefster dichtgeknepen, waardoor zij geen lucht meer kreeg. Het is volgens de officier van justitie een feit van algemene bekendheid dat het dichtknijpen van iemands keel zwaar lichamelijk letsel met zich mee kan brengen. Verdachte moet zich bewust zijn geweest van deze aanmerkelijke kans.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en enkel de onder meest subsidiair ten laste gelegde dwang wettig en overtuigend bewezen te verklaren. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is voor het ten laste gelegde zedenaspect, waardoor de (poging tot) verkrachting en aanranding niet bewezen kunnen worden. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat er in de verklaringen van aangeefster onduidelijkheden, discrepanties en tegenstrijdigheden zitten. Ook heeft aangeefster geen aangifte gedaan van verkrachting, dan wel de poging daartoe. Daar komt bij dat ten aanzien van hetgeen op 9 april 2020 is voorgevallen, niet kan worden vastgesteld dat dit verdachte betreft. Ook is onvoldoende bewezen dat verdachte in de mond van aangeefster is geweest. Verdachte heeft verklaard dat aangeefster hem probeerde te bijten en om die reden is er DNA van aangeefster aangetroffen onder de nagels van verdachte.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de uiterlijke kenmerken de ten laste gelegde (poging tot) verkrachting niet, althans onvoldoende, ondersteunen. In het geval het gedrag van een persoon niet exact of moeilijk kan worden geduid, is dit nog geen reden om – dan maar – aan verkrachting te denken en het dus zelf te gaan invullen wat verdachte van plan is geweest. Verder merkt de raadsman nog op dat het gat in de broek van verdachte irrelevant is en conclusies daaromtrent zijn pure speculatie. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn pleidooi verwezen naar de volgende uitspraken van de Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:859 en ECLI:NL:GHSHE:2019:704.

Ten aanzien van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot toebrengen zwaar lichamelijk letsel heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Er kunnen niet zodanige handelingen bewezen worden verklaard die de conclusie rechtvaardigen dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft genomen en om die reden resteert volgens de raadsman de subsidiair ten laste gelegde eenvoudige mishandeling.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen

Aangeefster heeft op zondag 12 april 2020 bij de politie verklaard dat zij op donderdagochtend (de rechtbank begrijpt op 9 april 2020) rond 05:30 uur/05:45 uur aan het wandelen was in Utrecht, toen er een man naast haar kwam fietsen.2 Het was een donkere man, op een fiets, die Engels sprak. Zij kwam hem tegen ter hoogte van het Lucasbolwerk. Volgens aangeefster hingen er tassen aan het stuur.3 Aangeefster heeft verder verklaard dat hij tegen haar zei: “I want to fuck, talk to me” en verder zei hij dat hij haar de dag ervoor ook al had gezien.4

Aangeefster heeft ook verklaard dat zij hem (de rechtbank begrijpt een man met een donkere huidskleur die Engels spreekt) nu (de rechtbank begrijpt: op zondagochtend 12 april 2020) weer tegen kwam op de plek waar de stoffenmarkt begint (de rechtbank begrijpt: bij de kruising van de Wijde Begijnestraat en de Breedstraat in Utrecht).5 Hij zette zijn fiets weg en hij liep de stoep op. Aangeefster was toen al bijna bij hetzelfde punt als hij en hij kwam naar haar toe lopen. Hij zei weer “Talk to me”. Hij pakte haar vrijwel direct bij haar pols. Hij stond tegenover haar en pakte met één hand haar pols vast. De man heeft aangeefster ook bij haar keel gepakt. Aangeefster heeft het idee dat hij mogelijk met zijn onderarm tegen haar keel heeft gedrukt. Haar adem werd afgekneld. Op een gegeven moment heeft aangeefster zich los weten te krijgen en toen kreeg ze weer wat lucht. Hij deed ook een vinger in haar mond, heel ver, tot achter in haar mond.6 Vervolgens is hij met zijn vinger rond gegaan in haar mond.7 Hij heeft haar ook naar achteren geduwd en toen is aangeefster op de grond terecht gekomen. Toen aangeefster schopte en gilde is hij opgestaan en weggelopen, daardoor kon zij ook weg en zij heeft om 05:41 uur het alarmnummer gebeld.8 Aangeefster heeft verder verklaard dat zij bang was dat hij haar zou verkrachten omdat hij donderdag al had gezegd: “I want to fuck”.

Aangeefster heeft pijn in haar lip, die dik is en aan de binnenkant kapot is. Verder doet haar keel zeer en heeft zij pijn bij het ademen.9

Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 12 april 2020 de camerabeelden van de parkeerplaats aan de Wijde Begijnestraat/Breedstraat te Utrecht van diezelfde dag uitgekeken. Vermoedelijke verdachte komt op 05:37 uur aanfietsen. Hij stapt van zijn fiets af en parkeert zijn fiets. Het slachtoffer komt aanlopen en zij loopt in de richting van verdachte. Vervolgens is op de camerabeelden te zien dat verdachte het slachtoffer meesleept. Verdachte loopt en hangt over het slachtoffer heen. Te zien is dat hij het slachtoffer zo probeert mee te slepen. Het slachtoffer kan niet veel. De voeten van het slachtoffer slepen over de grond. Verdachte heeft slachtoffer vast ter hoogte van het hoofd. Dit is te zien om 05:38:29 uur. Vervolgens verdwijnen verdachte en het slachtoffer uit beeld. Om 05:38:59 uur is te zien dat het slachtoffer weg rent.10

Forensisch onderzoek 11

Verbalisant ziet bij aangeefster verwondingen aan de rechterzijde van de mond, op de rechterzijde van de bovenlip, aan de linkerzijde van de mond, boven de bovenlip, op de linkerzijde onderlip en een blauw/paarse bloeduitstorting aan de binnenzijde van de rechter wang.12

Van (onder andere) verdachte zijn rechterhand zijn bemonsteringen genomen van de nagel van zijn duim en de nagel van zijn wijsvinger. De bemonstering van de rechterduim van verdachte heeft SIN-nummer AALS4248ML toegewezen gekregen en de bemonstering van de rechter wijsvinger SIN-nummer AAMZ5284ML.13 Van zowel het DNA in de bemonstering met SIN-nummer AALS4248ML als het DNA in de bemonstering met SIN-nummer AAMZ5284ML is een DNA-profiel verkregen van een vrouw. Deze DNA-profielen matchen met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer] . Dit betekent dat het celmateriaal in bovengenoemde bemonsteringen afkomstig kunnen zijn van [slachtoffer] . De frequentie van het DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonsteringen is volgens het rapport kleiner dan 1 op de 1 miljard.14

Camerabeelden 9 april 2020 15

Verbalisant [verbalisant 2] kijkt de camerabeelden uit die zijn genomen op 9 april 2020 vanaf:

-05.54.27 uur Janskerkhof / Drift / Nobelstraat, Utrecht

-05.54.38 uur Lucas Bolwerk / Nobel, Utrecht

-05.39.05 uur Lucas Bolwerk, Utrecht

-05.44.41 uur Lucas Bolwerk / Wittevrouwenstraat, Utrecht.

Verbalisant zag op deze beelden een vermoedelijk donker getinte man op een heren fiets met fietsverlichting.16 Deze man droeg donkere schoenen waarvan onder aan de zool de zijkanten als een doorlopende lichte streep rondom de schoen zichtbaar waren.17 De verbalisant zag verder dat er een licht gekleurde tas hing aan de linkerzijde van het stuur van de fiets en zij zag dat er iets blauw kleurigs onder het zadel van deze fiets hing. 18

Uit de camerabeelden die van verdachte zijn opgenomen op 12 april 2020 blijkt dat verdachte

op 12 april op een fiets met fietsverlichting zat met een blauw kettingslot onder het zadel. Verder droeg verdachte op die dag donkere gymschoenen waarvan onder aan de zool de zijkanten als een doorlopende lichte streep rondom de schoen zichtbaar waren.19

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de persoon op de fiets is die op de camerabeelden van 12 april 2020 te zien is.20 Verdachte heeft verder verklaard dat hij aangeefster heeft vastgepakt, haar heeft verplaatst van de ene kant van de weg naar de andere kant21 en dat hij haar heeft horen schreeuwen.22 Ook heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster eerder had gezien.23

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverwegingen

Feit 1

Is verdachte ook de man die aangeefster op 9 april 2012 benaderde?

De rechtbank komt tot het oordeel dat het verdachte is geweest die aangeefster heeft aangesproken op 9 april 2020 door de volgende omstandigheden.

Aangeefster heeft verklaard dat zij zowel op 9 april 2012 als op 12 april 2012 tijdens haar wandeling in de vroege ochtend in het centrum van Utrecht door een donkere man werd benaderd die op een fiets zat. Deze man kwam onverhoeds naar haar toe en sprak in het Engels. In beide gevallen zei de man vrijwel direct: “Talk to me”.

Uit de camerabeelden van 9 april 2020 rond de plek waar aangeefster de man heeft gezien, komt een persoon naar voren die past binnen het signalement dat aangeefster heeft gegeven van de man en zijn fiets. De persoon op de camerabeelden van 9 april 2020 heeft tassen aan het stuur van de fiets hangen, hetgeen aangeefster ook verklaard heeft. Verder komen er verschillende gelijkende kenmerken naar voren met de screenshots van de camerabeelden van 12 april 2012 die van verdachte zijn gemaakt, zoals dat de fiets verlichting had, het lichtblauwe kettingslot om de fiets en de witte streep langs de onderkant van de schoenen van verdachte.

Tot slot heeft verdachte verklaard dat hij degene is geweest die aangeefster op 12 april 2020 heeft vastgepakt, waarbij hij ook heeft verklaard dat hij deze vrouw eerder had gezien.

Gelet op deze omstandigheden in onderling verband bezien, kan het niet anders dan dat verdachte de man is geweest die aangeefster ook op 9 april 2020 aansprak.

Verdachte verklaarde dat hij 9 april 2020 in de ochtend niet in het centrum van Utrecht is geweest omdat zijn chef hem na zijn werk met de auto naar huis had gebracht. Aan deze verklaring hecht de rechtbank geen waarde. De werkgever van verdachte is hierover bevraagd en hij heeft verklaard dat niemand van het bedrijf verdachte ooit naar huis heeft gebracht.

Seksuele component

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte op 12 april 2020 meerdere ten laste gelegde handelingen bij aangeefster heeft gepleegd, waaronder – kort gezegd – het vastpakken van aangeefster, haar keel dicht drukken, het roeren achter in haar keel en het slepen over de grond. De vraag of er bij deze handelingen sprake is geweest van een seksueel component beantwoordt de rechtbank bevestigend. De rechtbank komt daartoe omdat zij van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die op 9 april 2020 tegen aangeefster heeft gezegd: “I want to fuck, talk to me” en, in combinatie met de handeling van het diep in de keel stoppen van zijn vingers en het ‘roeren’ in de mond, is hiermee volgens de rechtbank het seksuele component van zijn handelingen gegeven.

Kwalificatie

De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor vastgestelde gedragingen geen (voltooide) verkrachting opleveren in de zin van artikel 242 Sr, zoals primair ten laste is gelegd. De rechtbank sluit hierbij aan bij het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ2653) waarin is bepaald dat “hoewel een tongzoen op zichzelf wel het binnendringen van het lichaam met een seksuele lading oplevert, deze in redelijkheid niet op één lijn kan worden gesteld met geslachtsgemeenschap of een wat betreft de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit daarmee vergelijkbare gedraging”. Hoewel het rondroeren met vingers diep in de mond van aangeefster een seksuele lading heeft – en voor aangeefster een verschrikkelijke ervaring moet zijn geweest – kan dit niet worden gelijkgesteld met geslachtsgemeenschap of een wat betreft de ernst van de inbreuk op de seksuele integriteit daarmee vergelijkbare gedraging. Om die reden zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank is wel van oordeel dat er sprake is van een poging tot verkrachting, zoals subsidiair ten laste is gelegd. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte op 9 april 2020 zijn intenties richting aangeefster duidelijk had gemaakt met de zin “I want to fuck”. Enkele dagen later heeft hij haar onverhoeds benaderd, haar bij haar polsen en keel gepakt en over straat gesleept, terwijl hij haar hoofd vast had. Hij is ook begonnen met zijn seksuele handelingen door zijn vingers in haar mond te doen en die in haar mond heen en weer te bewegen. Alleen door het verzet van aangeefster, het om hulp schreeuwen en uiteindelijk het wegrennen, is het bij een poging gebleven.

Feit 2

Uit het dossier volgt niet dat verdachte besmet was met het coronavirus en ook kan niet worden vastgesteld hoe lang hij de ademhaling van aangeefster heeft belet. De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de feitelijkheden die blijken uit het dossier, geen sprake is van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en om die reden spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 2 primair ten laste gelegde. De rechtbank acht, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster op 12 april 2020 heeft mishandeld.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1 subsidiair:

op 12 april 2020 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld [slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
- naar die [slachtoffer] is toe gelopen en
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: ‘talk to me’ en
- vervolgens die [slachtoffer] bij haar pols heeft vastgepakt en vastgehouden en
- tegen de keel van die [slachtoffer] heeft gedrukt waardoor die [slachtoffer] de ademhaling werd belet of belemmerd en
- zijn, verdachtes, vinger diep in de mond van die [slachtoffer] heeft gebracht en heen en weer heeft bewogen en
- die [slachtoffer] tegen haar lichaam heeft geduwd waardoor zij op de grond viel en
- terwijl die [slachtoffer] zich verzette die [slachtoffer] heeft vastgehouden en op de grond heeft gehouden en over de grond heeft meegesleurd en
- hij, verdachte, op donderdag 9 april 2020 reeds tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: 'I want to fuck, talk to me’ en dat hij haar de vorige dag ook al gezien had, en

- aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 subsidiair:

op 12 april 2020 te Utrecht [slachtoffer] heeft mishandeld door
- de pols van die [slachtoffer] vast te pakken en die [slachtoffer] bij de pols vast te houden en
- tegen de keel van die [slachtoffer] te drukken waardoor die [slachtoffer] de ademhaling werd belet en
- zijn, verdachtes, vinger diep in de mond van die [slachtoffer] te brengen en vervolgens heen en weer te bewegen en
- die [slachtoffer] tegen haar lichaam te duwen waardoor zij op de grond viel en
- die [slachtoffer] vast te houden en op de grond te houden en over de grond mee te sleuren.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

De eendaadse samenloop van:

feit 1 subsidiair: poging tot verkrachting;

en

feit 2 subsidiair: mishandeling.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd tot oplegging van een contactverbod ingevolge artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van drie jaar, en voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, een week hechtenis per overtreding van de maatregel. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd tot oplegging van artikel 38z Sr, zoals ook geadviseerd is door de reclassering.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van hetgeen hij bewezen acht, het standpunt ingenomen dat er sprake is van eendaadse samenloop en verder bepleit om een gevangenisstraf op te leggen van zeer beperkte duur. Verder heeft de raadsman verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot verkrachting en mishandeling van een 35-jarige vrouw in het centrum van Utrecht in de vroege ochtend. Verdachte heeft op een onverhoeds moment het slachtoffer over de straat meegesleurd en met geweld geprobeerd aangeefster te verkrachten. Door zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster, alleen om zijn eigen lustgevoelens te bevredigen. De wil van aangeefster heeft hij hieraan volstrekt ondergeschikt gemaakt. De enige reden dat het niet tot een voltooide verkrachting is gekomen, is omdat aangeefster zich heeft verzet en hard heeft geschreeuwd. Aangeefster heeft naast (licht) fysiek letsel, ook psychische gevolgen van het bewezenverklaarde ondervonden zoals blijkt uit het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris en haar schriftelijke slachtofferverklaring. Uit de overgelegde stukken van de psycholoog blijkt dat aangeefster door deze feiten klachten heeft die horen bij een posttraumatische stressstoornis en die in sterke mate invloed heeft op haar, toch al kwetsbare, functioneren. Hiervoor is aangeefster wekelijks onder behandeling.

De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte geen blijk heeft gegeven van enig inzicht in de gevolgen voor aangeefster en geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank kennis genomen van een recent uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte uit Nederland, Frankrijk en Italië, waaruit volgt dat verdachte in deze landen niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld. De rechtbank heeft dit echter niet laten meewegen bij het bepalen van de omvang van de straf.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging ook gelet op de Pro Justitia rapportage van het Pieter Baan Centrum van 13 april 2021, opgesteld door P.E. Geurkink, GZ-psycholoog en

J. Vreugdenhil, psychiater. Uit deze rapportage blijkt dat door de deskundigen niet kan worden vastgesteld of uitgesloten dat verdachte het ten laste gelegde onder invloed van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens heeft begaan en om die reden is er ook geen standpunt ingenomen over de toerekenbaarheid. Evenmin kon een inschatting worden gemaakt van het recidiverisico. Gelet op het voorgaande hebben de deskundigen afgezien van een gedragskundige advisering over een eventueel geïndiceerde behandeling of begeleiding in een strafrechtelijk kader.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het rapport van Reclassering Nederland van 22 april 2021, opgesteld door S.L. Chow. Uit het onderzoek van de reclassering blijkt dat verdachte geen verblijfsstatus heeft en hierdoor geen verblijfsrecht in Nederland heeft. Hierdoor is volgens de reclassering, juridisch gezien, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf nagenoeg de enige optie, indien verdachte schuldig bevonden wordt. Daarbij adviseert de reclassering een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Sr) op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de gevangenisstraf.

De rechtbank ziet in de adviezen aanleiding om verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten.

De op te leggen straf

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de aard en ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Voor een voltooide verkrachting geldt als oriëntatiepunt voor de straftoemeting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding om in straf vermeerderende of straf verminderende zin van af te wijken. Omdat het in deze zaak gaat om een poging, en zal de rechtbank de straf met een derde verminderen hetgeen leidt tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden. De bewezenverklaarde mishandeling leidt niet tot een hogere straf omdat er sprake is van eendaadse samenloop.

De straf wijkt af van de door de officier van justitie geëiste straf aangezien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. Gelet op de hoogte van deze straf zal de rechtbank het verzoek van de verdediging tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

De gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (38z Sr)

Het doel van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel is om ernstige gewelds- of zedendelinquenten met zo weinig mogelijk risico terug te laten keren in de maatschappij.

Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in art. 38z, eerste lid, Sr is voldaan. Verdachte heeft zich immers onder andere schuldig gemaakt aan een misdrijf die is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van het slachtoffer, namelijk een poging tot verkrachting. Op dit misdrijf is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld. Aan verdachte wordt ter zake van dit strafbare feit bovendien een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de noodzaak van deze maatregel gelet op de ernst van de feiten, het feit dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden, zijn verklaring over de aanleiding van deze feiten, namelijk dat hij een stem van een engel hoorde die hem waarschuwde voor aangeefster, en het hiervoor genoemde reclasseringsrapport, waarin wordt geadviseerd tot oplegging van deze maatregel. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel eist.

Vrijheidsbeperkende maatregel (contactverbod, 38v Sr)

De deskundigen hebben geen inschatting kunnen geven over het recidiverisico bij verdachte. Echter blijkt uit het dossier wel dat er een concreet risico bestaat dat verdachte in de toekomst (in)direct in contact zal treden met aangeefster. Aangeefster heeft belastend jegens verdachte verklaard en uit het verhoor van verdachte bij de politie op 12 april 2020 blijkt dat verdachte heeft verklaard dat hij de persoon wil zien die hem heeft aangeklaagd voor verkrachting. Ook heeft aangeefster de rechtbank verzocht om een gebiedsverbod en/of een locatieverbod op te leggen om haar gevoel van veiligheid terug te krijgen. Een gebieds- of locatieverbod acht de rechtbank niet aan de orde, maar de rechtbank zal, gelet op deze feiten en omstandigheden voor de beveiliging van de maatschappij en voor het voorkomen van strafbare feiten, bevelen dat verdachte zich onthoudt van contact met aangeefster [slachtoffer] .

De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de maximale duur van 5 jaren. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, zal vervangende hechtenis voor een hierna te bepalen duur worden opgelegd.

9 BENADEELDE PARTIJ

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend.

Zij vordert € 104,99 aan materiële schade, bestaande uit € 49,99 voor de in beslag genomen jas, € 25,- aan reiskosten procedure (het doen van aangifte, het nader verhoor door de politie, het verhoor bij de RC, de bespreking bij de raadsvrouw en het bezoeken van de psycholoog) en € 30,- aan telefoon/porto en kopieerkosten. Verder vordert de benadeelde partij € 2.375,- aan immateriële schade, bestaande uit € 875,- aan lichamelijk letsel en € 1.500,- aan psychisch letsel.

9.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om zowel de gevorderde materiële vergoeding als de immateriële vergoeding toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde materiële kosten bepleit om de gevorderde kosten met betrekking tot de in beslag genomen jas niet toe te wijzen, nu deze jas nog beschikbaar is en uit niets blijkt dat deze is beschadigd. Met betrekking tot de reiskosten heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor het verhoor bij de rechter-commissaris reeds zijn vergoed, dus dat deze deels dienen te worden afgewezen. De kosten die betrekking hebben op telefoon/porto en kopieerkosten zijn volgens de raadsman slechts zeer beperkt toewijsbaar omdat alles tegenwoordig via de advocaat gaat en de in het beleidsoverzicht schadefonds geweldsmisdrijven € 30,- een maximumbedrag betreft.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er door de benadeelde partij ten onrechte een onderscheid is gemaakt tussen lichamelijk en psychisch letsel. Van lichamelijk letsel blijkt verder slechts in zeer beperkte zin volgens de raadsman: alleen krasvormige verwondingen, een lichte bloeduitstorting, last van ribben, niet zodanig dat dat als aparte schadepost kan worden opgevoerd. De raadsman heeft ten aanzien van de immateriële schade aangevoerd dat het onduidelijk is of en wanneer er een officiële diagnose is gesteld door een deskundige. In ieder geval is er geen verband met deze zaak, omdat aangeefster in haar aangifte al heeft aangegeven PTSS te hebben, hetgeen blijkbaar te maken heeft met haar verleden. Volgens de raadsman dient de immateriële schadevergoeding, gelet op vergelijkbare uitspraken, te worden gematigd tot een bedrag van

€ 250,-.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële kosten

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de in beslag genomen jas toe. Weliswaar heeft de benadeelde partij de jas op enig moment teruggekregen, maar uit haar vordering van oktober 2020 blijkt dat zij op dat moment de jas nog niet terug had. Het is dus logisch dat zij een nieuwe jas heeft moeten kopen. De nieuwwaarde van de jas was € 49,99. Nu niet vastgesteld kan worden wanneer zij de jas heeft aangeschaft zal de rechtbank het bedrag matigen tot 70% van de nieuwwaarde, een bedrag van € 35,-.

Ten aanzien van de gevorderde “reiskosten procedure”, oordeelt de rechtbank als volgt. Dergelijke kosten zijn kosten die ingevolge artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek vallen onder de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Deze kosten kunnen als schade door het slachtoffer gevorderd worden en worden door aangeefster begroot op in totaal € 25,-, hetgeen niet onredelijk lijkt, gelet op de vergoeding van € 0,26 per kilometer en de meerdere genoemde ritjes. De rechtbank acht deze gemaakte kosten voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van de gevorderde telefoon/porto en kopieerkosten is niet gebleken dat aangeefster deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en acht de rechtbank het waarschijnlijk dat gebruik is gemaakt van elektronisch berichtenverkeer zoals e-mail. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij in dat gedeelte niet-ontvankelijk verklaren. De vordering ter zake dit deel kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële kosten

De benadeelde partij heeft ingevolge artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Van de in artikel 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavige zaak sprake is van, naast lichamelijk letsel, ook geestelijk letsel. Dit blijkt uit de verklaringen van F. Kwak, klinisch psycholoog-psychotherapeut, van 11 juni 2020 en 9 oktober 2020. Hierin staat dat aangeefster al bij haar onder behandeling was voor de betreffende 12 april 2020, echter dat er sindsdien bovendien sprake is van klachten die horen bij een posttraumatische stressstoornis, die in sterke mate invloed heeft op haar, toch al kwetsbare, functioneren. Hiervoor is een therapie gericht op traumaverwerking geïndiceerd. Vanaf 12 april 2020 tot oktober 2020 is in de (wekelijkse) behandelsessies veel aandacht besteed aan (de gevolgen van) dit incident en ook de nasleep hiervan. Daarnaast is op de nodige momenten sprake geweest van extra steunende interventies. Hieruit blijkt dat – hoewel het slachtoffer al onder behandeling was in verband met psychische klachten – in ieder geval sprake is van een forse toename van haar psychische klachten als gevolg van het strafbare feit, en dat dit andersoortige klachten betroffen dan waar zij eerder voor onder behandeling was.

De rechtbank acht, gelet op de schadevergoedingen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden toegewezen, de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 2.375,- redelijk en billijk. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering, gelet op het voorgaande, toewijzen tot een bedrag van

€ 2.435-, waarvan een bedrag van € 60,- aan materiële schade en een bedrag van € 2.375,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 april 2020 tot de dag van volledige betaling.

Kostenveroordeling

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.435-, bestaande uit € 60- aan materiële schade en € 2.375,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 12 april 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 35 dagen gijzeling.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38v, 38w, 38z, 45, 55, 242, 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 primair en 2 primair laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 16 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Maatregel 38z Sr

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking op grond van 38z Wetboek van Strafrecht;

Maatregel 38v Sr

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 5 jaren;

- beveelt dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangeefster [slachtoffer] ;

- indien niet aan de maatregel wordt voldaan zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van 1 (één) week voor iedere keer dat niet is voldaan aan de maatregel met een maximum van 6 (zes) maanden (180 dagen);

Benadeelde partij van [slachtoffer]

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 2.435-, bestaande uit

€ 60,- aan materiële schade en € 2.375,00 aan immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2020 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat van

€ 2.435,-, bestaande uit € 60,- aan materiële schade en € 2.375,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2020 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.J.B. Corbeij, voorzitter, mrs. P.M. Leijten en R.A. Hebly, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 mei 2021.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:

1
hij op of omstreeks 12 april 2020 te Utrecht
door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met
geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en),
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer
handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
immers heeft verdachte
zijn, verdachtes, vinger (diep) in de mond van die [slachtoffer]
geduwd/gebracht en/of (vervolgens) heen en weer bewogen
en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die
bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit dat
verdachte
- naar die [slachtoffer] is toe gelopen en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: ‘talk to me’ en/of
- (vervolgens) die [slachtoffer] (bij haar polsen) heeft vastgegrepen
en/of vastgepakt en/of vastgehouden en/of
- de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of tegen de keel van
die [slachtoffer] heeft gedrukt (waardoor die [slachtoffer] de
ademhaling werd belet en/of belemmerd) en/of
- met zijn hand in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of
de mond van die [slachtoffer] heeft opengeknepen en/of
- zijn, verdachtes, vinger (diep) in de mond van die [slachtoffer] heeft
geduwd/gebracht en/of (vervolgens) heen en weer heeft bewogen en/of
- die [slachtoffer] op/tegen haar lichaam heeft geduwd (waardoor zij op
de grond viel) en/of
- (terwijl die [slachtoffer] op haar rug op de grond lag) zijn lichaam
boven(op) het lichaam van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of
bovenop die [slachtoffer] is gaan zitten en/of
- (terwijl die [slachtoffer] zich verzette) die [slachtoffer] heeft
vastgehouden en/of op de grond heeft gehouden/geduwd en/of over de
grond en/of de straat heeft meegetrokken/gesleurd en/of
- hij, verdachte, op of omstreeks donderdag 9 april 2020 reeds tegen die
heeft gezegd: 'I want to fuck, talk to me’ en/of dat hij haar
de vorige dag ook al gezien had, althans woorden van gelijke strekking
en/of
- (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende en/of intimiderende
situatie heeft doen ontstaan;
( art 242 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 april 2020 te Utrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door
geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een
andere feitelijkheid
[slachtoffer] te dwingen tot het ondergaan van een of meer
handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
- naar die [slachtoffer] is toe gelopen en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: ‘talk to me’ en/of
- (vervolgens) die [slachtoffer] (bij haar polsen) heeft vastgegrepen
en/of vastgepakt en/of vastgehouden en/of
- de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of tegen de keel van
die [slachtoffer] heeft gedrukt (waardoor die [slachtoffer] de
ademhaling werd belet en/of belemmerd) en/of
- met zijn hand in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of
de mond van die [slachtoffer] heeft opengeknepen en/of
- zijn, verdachtes, vinger (diep) in de mond van die [slachtoffer] heeft
geduwd/gebracht en/of (vervolgens) heen en weer heeft bewogen en/of
- die [slachtoffer] op/tegen haar lichaam heeft geduwd (waardoor zij op
de grond viel) en/of
- (terwijl die [slachtoffer] op haar rug op de grond lag) zijn lichaam
boven(op) het lichaam van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of
bovenop die [slachtoffer] is gaan zitten en/of
- (terwijl die [slachtoffer] zich verzette) die [slachtoffer] heeft
vastgehouden en/of op de grond heeft gehouden/geduwd en/of over de
grond en/of de straat heeft meegetrokken/gesleurd en/of
- hij, verdachte, op of omstreeks donderdag 9 april 2020 reeds tegen die
heeft gezegd: 'I want to fuck, talk to me’ en/of dat hij haar
de vorige dag ook al gezien had, althans woorden van gelijke strekking
en/of
- (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende en/of intimiderende
situatie heeft doen ontstaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 242 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een
veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 april 2020 te Utrecht,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf
om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld
of een andere feitelijkheid,
[slachtoffer] te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of
meer
ontuchtige handelingen,
- naar die [slachtoffer] is toe gelopen en/of
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: ‘talk to me’ en/of
- (vervolgens) die [slachtoffer] (bij haar polsen) heeft vastgegrepen
en/of vastgepakt en/of vastgehouden en/of
- de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of tegen de keel van
die [slachtoffer] heeft gedrukt (waardoor die [slachtoffer] de
ademhaling werd belet en/of belemmerd) en/of
- met zijn hand in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of
de mond van die [slachtoffer] heeft opengeknepen en/of
- zijn, verdachtes, vinger (diep) in de mond van die [slachtoffer] heeft
geduwd/gebracht en/of (vervolgens) heen en weer heeft bewogen en/of
- die [slachtoffer] op/tegen haar lichaam heeft geduwd (waardoor zij op
de grond viel) en/of
- (terwijl die [slachtoffer] op haar rug op de grond lag) zijn lichaam
boven(op) het lichaam van die [slachtoffer] heeft gebracht en/of
bovenop die [slachtoffer] is gaan zitten en/of
- (terwijl die [slachtoffer] zich verzette) die [slachtoffer] heeft
vastgehouden en/of op de grond heeft gehouden/geduwd en/of over de
grond en/of de straat heeft meegetrokken/gesleurd en/of
- hij, verdachte, op of omstreeks donderdag 9 april 2020 reeds tegen die
heeft gezegd: 'I want to fuck, talk to me’ en/of dat hij haar
de vorige dag ook al gezien had, althans woorden van gelijke strekking
en/of
- (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende en/of intimiderende
situatie heeft doen ontstaan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 246 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een
veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 april 2020 te Utrecht,
een ander, te weten [slachtoffer] ,
door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met
geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander
wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te
dulden,
te weten dat zij bij haar polsen werd vastgehouden en/of haar keel werd
vastgepakt en/of tegen haar keel werd gedrukt (waardoor haar de
ademhaling werd belet en/of belemmerd) en/of er een vinger (diep) in
haar mond werd geduwd en/of een vinger in haar mond heen en weer
werd bewogen en/of zij op de grond werd geduwd en/of gehouden
en/of over de grond en/of de straat werd meegetrokken en/of gesleurd
en/of zij belet werd haar weg te vervolgen,
door
- naar die [slachtoffer] toe te lopen en/of
- tegen die [slachtoffer] te zeggen: ‘talk to me’ en/of
- die [slachtoffer] (bij haar polsen) vast te grijpen en/of pakken en/of
vast te houden en/of
- de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en/of tegen de keel van die
te drukken (waardoor die [slachtoffer] de ademhaling werd
belet en/of belemmerd) en/of
- met zijn hand in het gezicht van die [slachtoffer] te knijpen en/of de
mond van die [slachtoffer] open te knijpen en/of
- zijn, verdachtes, vinger (diep) in de mond van die [slachtoffer] te
duwen/brengen en/of (vervolgens) heen en weer te bewegen en/of
- die [slachtoffer] op/tegen haar lichaam te duwen (waardoor zij op de
grond viel) en/of
- (terwijl die [slachtoffer] op haar rug op de grond lag) zijn lichaam
boven(op) het lichaam van die [slachtoffer] te brengen en/of bovenop
die [slachtoffer] te zitten en/of
- (terwijl die [slachtoffer] zich verzette) die [slachtoffer] vast te houden
en/of op de grond te houden/duwen en/of over de grond en/of de straat
mee te trekken en/of te sleuren;
( art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

2
hij op of omstreeks 12 april 2020 te Utrecht
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- de polsen van die [slachtoffer] heeft vastgegrepen en/of vastgepakt
en/of vastgehouden en/of
- de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of tegen de keel van
die [slachtoffer] heeft gedrukt (waardoor die [slachtoffer] de
ademhaling werd belet en/of belemmerd) en/of
- met zijn hand in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of
de mond van die [slachtoffer] heeft opengeknepen en/of
- zijn, verdachtes, vinger (diep) in de mond van die [slachtoffer] heeft
geduwd/gebracht en/of (vervolgens) heen en weer heeft bewogen en/of
- die [slachtoffer] op/tegen haar lichaam heeft geduwd (waardoor zij op
de grond viel) en/of
- die [slachtoffer] heeft vastgehouden en/of op de grond heeft
gehouden/geduwd en/of over de grond en/of de straat heeft
meegetrokken/gesleurd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van
Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 april 2020 te Utrecht
[slachtoffer] heeft mishandeld door
- de polsen van die [slachtoffer] vast te pakken/grijpen en/of die Van
Zitteren bij de polsen vast te houden en/of
- de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en/of tegen de keel van die
te drukken (waardoor die [slachtoffer] de ademhaling werd
belet en/of belemmerd) en/of
- met zijn hand in het gezicht van die [slachtoffer] te knijpen en/of de
mond van die [slachtoffer] open te knijpen en/of
- zijn, verdachtes, vinger (diep) in de mond van die [slachtoffer] te
duwen/brengen en/of (vervolgens) heen en weer te bewegen en/of
- die [slachtoffer] op/tegen haar lichaam te duwen (waardoor zij op de
grond viel) en/of
- die [slachtoffer] vast te houden en/of op de grond te houden/duwen
en/of over de grond en/of de straat mee te trekken en/of te sleuren;
( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal PL0900-2020109242 van 15 april 2020, opgemaakt door de politie Midden Nederland, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Zeden, doorgenummerd 1 tot en met 155. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 53.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 55.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 53.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 53.

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 54.

7 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer] , pag. 65.

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 54.

9 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pag. 55.

10 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] (uitlezen camerabeelden), pag. 88-92.

11 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal PL0900-2020109242 van 29 juni 2020, opgemaakt door de politie Midden Nederland, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Forensische Opsporing, doorgenummerd 1 tot en met 91. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

12 Proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict van Van der Hulst, pag. 9.

13 Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute van 19 juni 2020, pag. 89.

14 Deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek van The Maastricht Forensic Institute van 19 juni 2020, pag. 90.

15 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal PL0900-2020109242 van 15 april 2020, opgemaakt door de politie Midden Nederland, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Zeden, doorgenummerd 1 tot en met 155. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

16 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , pag. 100.

17 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , pag. 101.

18 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , pag. 100.

19 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , pag. 101.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 25.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 37.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 27 en 37.

23 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 25, 28 en 37 en 38.