Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2123

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
16/028649-02 (vordering verlenging tbs)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De tbs-maatregel met dwangverpleging van de man die in 2002 de Utrechtse student Nadia van de Ven doodschoot is opnieuw met 2 jaar verlengd. Dat heeft de rechtbank Midden-Nederland beslist. De verlenging is noodzakelijk voor de algemene veiligheid, de man is nog niet uitbehandeld.

In 2005 is de 47-jarige man veroordeeld voor de moord op Nadia van de Ven tot een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging. Om de twee jaar wordt getoetst of de maatregel verlengd moet worden. Net als in 2015, 2017 en 2019 is de rechtbank van oordeel dat alleen de maximale verlenging van 2 jaar aan de orde is.

Het ministerie van Justitie en Veiligheid had eerder bepaald dat de man op zogenoemd ‘transmuraal verlof’ mag. Dat houdt in dat de man buiten de kliniek mag wonen, maar nog wel onder toezicht en met begeleiding door de tbs kliniek. Na de laatste tbs-verlenging in 2019 stagneerde de positieve ontwikkeling die de man doormaakte. Zo zijn afspraken niet nagekomen en was er sprake van agressie naar een medewerker. Ook was er bij de man geen ‘commitment’ meer om mee te werken aan diverse behandelingen en gesprekken.

De behandeling van de man zal nog enige tijd duren. Uit het adviesrapport van de kliniek blijkt dat er nog steeds sprake is van een stoornis en dat er een recidiverisico is. Het uitgangspunt van de rechtbank is dat als de behandeling nog langer dan een jaar duurt de tbs-maatregel met 2 jaar verlengd moet worden. De rechtbank oordeelt dat het niet te verwachten is dat er binnen een jaar redenen kunnen zijn om de tbs-maatregel met dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/028649-02 (vordering verlenging tbs)

Beslissing op grond van artikel 6:6:10 van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 21 mei 2021

in de zaak van de officier van justitie tegen de ter beschikking gestelde:

[betrokkene] ,

geboren op [1973] te [geboorteplaats] ,

thans verblijvende in FPC [kliniek] te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: betrokkene.

1 De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:

  • -

    het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 mei 2005 waarbij betrokkene ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege omdat hij zich onder meer schuldig heeft gemaakt aan moord;

  • -

    stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling is ingegaan op 26 mei 2011;

  • -

    de beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 oktober 2019, waarbij de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 20 mei 2019, houdende de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar alsmede de afwijzing van het verzoek tot het door de reclassering laten onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege, is bevestigd;

  • -

    de vordering van de officier van justitie van 6 april 2021, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar;

  • -

    het verlengingsadvies van [kliniek] van 30 maart 2021, opgemaakt en ondertekend door drs. [A] , hoofd behandeling, drs. [B] , psychiater en drs. [C] (adjunct directeur Behandeling en Zorg en plv. hoofd van de inrichting), inhoudend het advies om de terbeschikkingstelling met verpleging te verlengen met twee jaar;

  • -

    het Pro Justitia-rapport van 28 februari 2021, opgemaakt door J.L.M. Dinjens, psychiater;

  • -

    het Pro Justitia-rapport van 17 februari 2021, opgemaakt door drs. J.P.M. van der Leeuw, GZ-psycholoog/psychotherapeut;

  • -

    de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene, over de periode 13 februari 2019 tot 9 maart 2021.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De behandeling van de zaak heeft op 10 mei 2021 ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord:

- de officier van justitie, mr. E. ter Braak;

- de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.R. Ytsma, advocaat te Haarlem;

- de aan de inrichting verbonden deskundige, drs. [A] ;

- J.L.M. Dinjens, psychiater.

3 Het standpunt van de inrichting

Het standpunt van de inrichting blijkt uit het onder 1 genoemde rapport. De deskundige voornoemd heeft ter zitting het advies van de inrichting toegelicht.

Het standpunt luidt – zakelijk weergegeven – dat er bij de betrokkene nog steeds sprake is van een stoornis. Ook is het recidiverisico nog aanwezig. Dit risico wordt bij beëindiging van de maatregel ingeschat als matig tot hoog.

Het advies luidt de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen voor de duur van twee jaar.

4 Het standpunt van de niet aan de inrichting verbonden deskundigen

De deskundigen concluderen dat er bij betrokkene nog steeds sprake is van een stoornis. Het recidiverisico wordt bij beëindiging van de tbs-maatregel ingeschat als matig tot hoog. De psychiater, de heer Dinjens, heeft ter zitting zijn standpunten en advies toegelicht.

Het advies luidt de terbeschikkingstelling met dwangverpleging te verlengen voor de duur van twee jaar.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting haar vordering strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met twee jaar gehandhaafd.

6 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een verlenging van de maatregel voor de duur van een jaar. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er sprake is van omstandigheden die maken dat dient te worden afgeweken van het uitgangspunt dat de maatregel met twee jaar wordt verlengd, indien de verwachting is dat de behandeling langer dan één jaar gaat duren. De raadsman heeft daarbij gerefereerd aan een beslissing van de Penitentiaire Kamer (ECLI:NL:GHARL:2021:592) en noemt als omstandigheden: de op handen zijnde mogelijkheid van herstelbemiddeling, het aankomend spreekrecht voor de nabestaanden, maar met name het verschil van inzicht tussen de inrichting en de externe deskundigen over het resocialisatietraject en de diagnostiek. Om ervoor te zorgen dat het resocialisatietraject van de grond komt dient de rechtbank vinger aan de pols te houden. De verdediging heeft zich, tot slot, op het standpunt gesteld niet achter de door de inrichting gestelde diagnose van een autismespectrumstoornis te staan. Er is bovendien wel degelijk sprake van samenwerking tussen betrokkene en de inrichting.

7 Het oordeel van de rechtbank

Maximering

De rechtbank heeft in haar beslissing van 20 mei 2019, die is bevestigd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, overwogen dat de opgelegde terbeschikkingstelling niet is gemaximeerd.

Stoornis en recidivegevaar

Uit de Pro Justitia-rapportages volgt dat er nog steeds sprake is van een stoornis bij betrokkene, te weten een gemengde persoonlijkheidsstoornis met schizoïde en narcistische trekken. De externe deskundigen herkennen kenmerken van een autismespectrumstoornis. De inrichting gaat uit van een autismespectrumstoornis met aanwezige persoonlijkheidsproblematiek (narcistische en schizoïde trekken). Op de zitting is gebleken dat het verschil in inzicht tussen de externe deskundigen en de inrichting voornamelijk een academische discussie betreft. De rechtbank neemt de door de externe deskundigen gestelde diagnose over, waarbij de rechtbank opmerkt dat deze diagnose een autismespectrumstoornis (differentiaal diagnostisch) niet uitsluit. De rechtbank gaat daarnaast uit van een matig tot hoog recidivegevaar bij beëindiging van de maatregel.

Verlenging

Gelet op het advies van de inrichting en de niet aan de inrichting verbonden deskundigen en hetgeen overigens ter zitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen verlenging van de terbeschikkingstelling eist. Zij is van oordeel dat wordt voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Uit het verlengingsadvies blijkt dat betrokkene, na uitbreiding van het transmuraal verlof in mei 2019 is verhuisd naar een verlofwoning bij [naam] en sindsdien meerdere malen is teruggehaald naar de inrichting, vanwege het niet nakomen van de afspraken en voorwaarden in het kader van dagbesteding en verbale agressie naar een medewerker. In oktober 2020 is hernieuwd diagnostisch onderzoek vanuit de inrichting afgerond, waaruit blijkt dat bij betrokkene sprake is van complexe problematiek waarmee er sprake is van een handicap. Daarbij werd duidelijk dat er geen zicht verkregen kan worden op de wijze waarop betrokkene omgaat met spanning/stress en de dynamiek die kan leiden tot een zogezegde ‘ontploffing’ als tijdens het indexdelict. Betrokkene zelf geeft aan dat zijn enige probleem in het verleden zou kunnen zijn geweest het gebruik van alcohol ten tijde van het indexdelict. Tevens geeft hij aan dat er geen sprake meer is van persoonlijkheidsproblematiek, aangezien hij hiervoor behandeld is. In oktober 2020 heeft de inrichting geconcludeerd dat er geen sprake is van een sluitend risicomanagement en dat een impasse in de behandeling dreigde, gezien de afwezigheid van commitment van betrokkene aan het traject.

De reclassering, die vanaf januari 2020 in een laag tempo is gaan kennismaken met betrokkene ervoer ook geen commitment van betrokkene aan het traject. Zij bemerkte vooral irritaties bij betrokkene dat er nog geen eigen woning beschikbaar is en dat er nog geen sprake is van een voorwaardelijke beëindiging. De reclassering zag geen mogelijkheden om een voorwaardenrapport te schrijven inzake het aangevraagde proefverlof. Eind november 2020 is daarom het onderzoek naar het proefverlof gestopt.

Op basis van al deze bevindingen en feiten is betrokkene definitief teruggehaald naar de inrichting op 1 december 2020. Hij verblijft sindsdien in de inrichtingsappartementen in het kader van transmuraal verlof. Tevens is vanuit de inrichting besloten betrokkene geen netwerkverloven meer toe te kennen nu er totaal geen zicht meer is op zijn netwerk en het netwerk alle contacten met de inrichting afhoudt. Daarnaast is betrokkene aangemeld voor psychotherapie (individueel) met als uitgangspunt zijn handicap zoals verwoord binnen het diagnostisch onderzoek, waarbij ook de delictanalyse indien nodig heroverwogen zal worden. Tevens werd in de afgelopen periode door de inrichting een autismespectrumstoornis als hoofddiagnose gesteld op basis van procesdiagnostiek en haar zienswijze. Gezien de stagnatie in de behandeling (vanwege het ontbreken van commitment aan de zijde van betrokkene) en er vooralsnog geen mogelijkheden worden gezien voor het verblijf in een eigen zelfstandige woning conform zijn wens, zal de behandeling/het resocialisatietraject van betrokkene meer tijd in beslag nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar. Het advies luidt daarom de huidige maatregel met twee jaar te verlengen.

De externe deskundigen komen tot eenzelfde advies. Hoewel zij een iets ander beloop van het resocialisatietraject voor ogen hebben dan de inrichting, zijn zij van mening dat gelet op de duur van dit traject verlenging van de huidige maatregel voor de duur van twee jaar noodzakelijk is. Tevens is ter zitting gebleken dat zowel de inrichting als de externe deskundigen het erover eens zijn dat een benadering vanuit het handicapmodel de aangewezen methode is om betrokkene uit te kunnen laten stromen. Dit houdt in dat betrokkene zal moeten leren omgaan met zijn beperkingen en dat extern risicomanagement ingebouwd dient te worden. De rechtbank onderschrijft de bevindingen van de heer Dinjens, waarin hij stelt dat betrokkene nu eenmaal deze handicap heeft en dat dit niet meer zal veranderen. Dinjens verwacht niet dat psychotherapie in de vorm van inhoudelijke behandeling effect zal hebben, maar dat psycho-educatie, waarbij betrokkene leert omgaan met zijn beperkingen, van nut kan zijn. Een spoedig uitstroomtraject wordt door Dinjens passend geacht, nu betrokkene zijn behandelplafond binnen de inrichting heeft bereikt. In de visie van de rechtbank is het dan ook te adviseren om betrokkene toe te leiden naar een woonvoorziening buiten de inrichting en om, waar mogelijk, de reclassering te betrekken bij het traject en toe te werken naar proefverlof.

Duur van de verlenging

De rechtbank gaat voorbij aan het verzoek van betrokkene om de termijn van terbeschikkingstelling vooralsnog met een jaar te verlengen. Het uitgangspunt van de rechtbank is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan een jaar, de terbeschikkingstelling - behoudens bijzondere omstandigheden - verlengd dient te worden met een termijn van twee jaar. De rechtbank stelt op basis van het verlengingsadvies, de rapportages en de door de deskundigen ter zitting gegeven toelichting vast dat niet te verwachten is dat binnen een jaar gronden aanwezig kunnen zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling rechtvaardigen en een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar zou bij betrokkene de verwachting kunnen wekken dat dit wel het geval zou zijn. De rechtbank zal daarom de maatregel met twee jaar verlengen.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van [betrokkene] met twee jaar.

Deze beslissing is genomen door mr. J.G. van Ommeren, voorzitter, mrs. L.C. Michon en L.M.M. Heppe, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H. Lagerweij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2021.