Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2115

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
UTR 20/831
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VOG taxichauffeur. Zedendelict in het verleden - de weigering van de VOG is niet evident disproportioneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/831

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.D. van Elst),

en

De Minister voor Rechtsbescherming, verweerder

(gemachtigde: mr. P.Trijsburg).

Procesverloop

In het besluit van 15 oktober 2019 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen.

In het besluit van 21 februari 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2021 via Skype for Business. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht

1. Eiser heeft verzocht om te worden vrijgesteld van het betalen van griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat niet is gebleken dat eiser aan de eisen voldoet om voor vrijstelling in aanmerking te komen.

De aanvraag

2. Eiser heeft verweerder verzocht om afgifte van een VOG voor het verkrijgen van een chauffeurskaart BCT bij het KIWA Register B.V. Eiser heeft de VOG nodig om te kunnen werken als taxichauffeur.

De afwijzing

3. Verweerder heeft de VOG afgewezen omdat eiser binnen de terugkijktermijn van vijf jaar een vrijheidsstraf heeft ondergaan van in totaal 11 maanden en 28 dagen. Daarom is de terugkijktermijn vermeerderd met 11 maanden en 28 dagen. Binnen deze terugkijktermijn zijn relevante justitiële gegevens geregistreerd in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS). Het gaat om de volgende gegevens:

  • -

    Eiser is op 30 november 2015 in eerste aanleg en op 3 maart 2016 in hoger beroep wegens medeplichtigheid aan diefstal in vereniging met braak veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden en de tenuitvoerlegging van twee eerdere voorwaardelijke veroordelingen tot gevangenisstraffen van twee weken en twee maanden.

  • -

    Eiser is op 17 februari 2015 veroordeeld wegens diefstal met geweldpleging en bedreiging met geweldpleging in vereniging en afpersing, medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving en medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid tot een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 8 voorwaardelijk, een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een maatregel van schadevergoeding van € 1.279,97, subsidiair 22 dagen hechtenis.

Omdat eiser binnen de terugkijktermijn voorkomst in de justitiële documentatie, heeft verweerder zonder tijdsbeperking gekeken naar de gegevens. Daaruit blijkt dat eiser in de periode van 2008 tot 2013 met justitie in aanraking is gekomen vanwege geweldsdelicten en belediging van een ambtenaar in functie. Deze feiten heeft verweerder betrokken bij het subjectieve criterium.

4. De feiten binnen de terugkijktermijn vormen volgens verweerder, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie van taxichauffeur. Daarmee is voldaan aan het objectieve criterium en in beginsel is daarmee de grondslag voor de weigering van de VOG gegeven. Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt vervolgens gekeken of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om toch een VOG te verstrekken. In het geval van eiser ziet verweerder daar geen aanleiding toe. Bij misdrijven tegen de zeden bestaat slechts zeer beperkt de ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie waarvoor een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie wordt aangenomen.

Beroepsgronden

5. Eiser voert aan dat verweerder op grond van het subjectieve criterium aanleiding had moeten zien om een VOG af te geven. Verweerder heeft onvoldoende gekeken naar de omstandigheden waaronder het zedendelict is begaan. Eiser had geen actieve rol bij dit delict. Andere jongens hebben het slachtoffer meegenomen, zonder dat eiser wist was zij gingen doen. Eiser was er alleen maar bij. Uit het vonnis van de strafrechter blijkt ook dat het zedenfeit eiser licht is aangerekend. Verder was eiser ten tijde van het delict net meerderjarig en is uit persoonlijkheidsonderzoeken gebleken dat hij een licht verstandelijke beperking heeft. Eiser doet daarom een beroep op artikel 3,4 en 40 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Eiser voert verder aan dat hij zich in de periode na de voortgangsrapportage van de reclassering van 28 januari 2015 heeft ontwikkeld. Verweerder had om tot een goede oordeelvorming te komen inlichtingen kunnen inwinnen over deze ontwikkeling bij het Openbaar Ministerie of de Reclassering. Dat verweerder dat niet heeft gedaan is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en kan niet in het nadeel van eiser worden meegewogen.

Oordeel rechtbank

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het belang van eiser bij het verstrekken van de VOG niet zo zwaar weegt dat de VOG, ondanks de risico’s voor de samenleving, moet worden verleend. Volgens paragraaf 3.3.2. van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018 bestaat bij een veroordeling tot een gevangenisstraf voor misdrijven tegen de zeden in de afgelopen twintig jaar slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot afgifte van een VOG wanneer sprake is van een functie met een afhankelijkheidsrelatie en een belemmering voor een behoorlijke uitoefening van de functie wordt aangenomen. De VOG kan dan alleen worden afgegeven als de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt en dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel is. Verweerder heeft bij zijn beoordeling van het subjectieve criterium mogen laten meewegen dat een taxichauffeur is belast met de zorg voor en het welzijn en de veiligheid van passagiers en hun eigendommen. Hierbij kunnen één op één relaties voorkomen, waarbij sprake is van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Gelet daarop heeft verweerder mogen overwegen dat herhaling van de genoemde strafbare feiten in de hoedanigheid van taxichauffeur ertoe kan leiden dat passagiers slachtoffer worden van een zedendelict. Verder heeft verweerder mogen laten meewegen dat uit het gegeven dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de maximale werkstraf zijn opgelegd, blijkt dat de strafrechter eiser het zedendelict niet licht heeft aangerekend. Over het tijdsverloop sinds het zedendelict heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat dat niet in het voordeel van eiser meeweegt, omdat kenmerkend voor het plegen van een zedendelict is dat de onrust in de maatschappij ingrijpender is en langer aanhoudt, zodat het gerechtvaardigd wordt geacht een niet in duur beperkte terugkijktermijn te hanteren.

8. Verweerder heeft in de informatie van de reclassering, waaruit blijkt dat eiser zich in positieve zin heeft ontwikkeld geen reden hoeven zien om de belangenafweging in het voordeel van eiser te laten uitvallen. Verweerder is niet gehouden om zelf informatie op te vragen bij de reclassering of het Openbaar Ministerie. Gelet op wat hiervoor is overwogen zou deze informatie overigens niet kunnen leiden tot het oordeel dat weigering van de VOG evident disproportioneel is.

9. Het beroep op het IVRK slaagt tot slot niet, omdat eiser ten tijde van het plegen van het zedendelict al meerderjarig was.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 april 2021.

De rechter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.