Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2110

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
1626199819
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige veroordeeld voor meerdere misdrijven. Geringe overschrijding redelijke termijn in jeugdzaken. Geen sprake van buitenproportioneel politiegeweld. Rechtbank legt deels voorwaardelijke jeugddetentie op met bijzondere voorwaarden (DUT). TUL toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/261998-19 (P); 16-100560-19 (TUL); 16-042488-19 (TUL)

Vonnis van de meervoudige kamer van 18 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2002] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] , [postcode 1] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 4 mei 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. L.H. van der Veldt en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.C. Sassen, advocaat te Utrecht, waarnemend voor mr. [.] , naar voren hebben gebracht.

Tevens waren ter terechtzitting aanwezig:

  • -

    de ouders van verdachte;

  • -

    mw. [A] , reclasseringsmedewerker.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 19 oktober 2019 in Maarssen samen met anderen [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn Airpods;

feit 2: op 19 oktober 2019 in Maarssen samen met anderen [slachtoffer 1] heeft beroofd van zijn telefoon en portemonnee;

feit 3: op 1 november 2019 in Maarssen een politieambtenaar heeft bedreigd;

feit 4: op 1 november 2019 in Maarssen een politieambtenaar heeft beledigd;

feit 5: op 1 november 2019 in Maarssen een mes voorhanden heeft gehad, terwijl hij nog geen 18 jaar was;

feit 6: op 1 juni 2019 in Maarssen samen met anderen [slachtoffer 2] heeft gedwongen om een filmpje en/of foto’s van een smartphone te verwijderen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1 tot en met 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 voert de officier van justitie verder aan dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd en aangever vanaf het begin consequent heeft verklaard. De officier van justitie volgt om die reden de verklaring die aangever daarover heeft afgelegd. Verdachte heeft de straatroof en de afpersing samen met anderen gepleegd en het was verdachte van wie de meeste dreiging uitging.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4 voert de officier van justitie aan dat het door de politie gebruikte geweld een proportionele reactie was op het verzet van verdachte. De officier van justitie gaat hierbij uit van de (aanvullende) processen-verbaal zoals opgesteld door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] .

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 stelt de raadsvrouw dat verdachte geen bedreigende woorden heeft geuit en dat niet kan worden bewezen dat er geweld is toegepast. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om verdachte daarvan partieel vrij te spreken. De raadsvrouw bepleit verder vrijspraak ten aanzien van de feiten 3 en 4. De bedreiging was niet gericht op verbalisant [verbalisant 1] en gezien de omstandigheden kon er bij de verbalisant geen redelijke vrees voor de uitvoering van de bedreiging worden opgewekt, temeer omdat verdachte op dat moment geboeid was. Ook de beledigende woorden waren niet specifiek gericht op verbalisant [verbalisant 1] . Ten aanzien van feit 6 voert de raadsvrouw aan dat verdachte het feit alleen heeft gepleegd en hij aangeefster slechts heeft gedwongen het filmpje en/of de foto’s te verwijderen, maar hij hierbij geen geweld heeft gebruikt of hiermee heeft gedreigd. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om verdachte ten aanzien van deze bestanddelen vrij te spreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Feiten 1 en 2:

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan, waarin onder meer het volgende staat:

‘Op 19 oktober 2019 fietste ik in [plaatsnaam 1] . Ik zag op een bankje drie jongens zitten. De Marokkaanse jongen herkende ik als zijnde [verdachte] . 2 Hij zei “Je komt hier alleen weg zonder klappen of steken als je mij je Airpods geeft.” Ik gaf vervolgens mijn Airpods aan hem. Vervolgens zei [verdachte (voornaam)] tegen mij: “Geef ook je telefoon anders ga je de politie bellen.” Daarop pakte [verdachte (voornaam)] mij vast bij mijn linker arm en voelde in mijn linker jaszak. Op dat moment stond [verdachte (voornaam)] links van mij, de Surinaamse jongen rechts van mij en achter mij stond een derde jongen. Daarna pakt hij uit mijn linker broekzak mijn Iphone X. Vervolgens voelde de Surinaamse jongen in mijn rechter zak. Daarna pakte [verdachte (voornaam)] uit mijn rechter zak mijn portemonnee. Hierin zaten mijn identiteitskaart, mijn kentekenbewijs, één twintig euro biljet en vier tien euro biljetten en ongeveer 10 euro aan kleingeld. [verdachte (voornaam)] riep: “Wegwezen nu.” Daarna zijn ze alle drie door de bosjes weggerend. 3

Op 26 oktober 2019 heeft [slachtoffer 1] een aanvullende verklaring afgelegd, waarin onder meer het volgende staat:

‘Die Surinaamse jongen pakte mijn telefoon uit mijn broekzak, dit was mijn rechter

broekzak, in plaats van mijn linker broekzak, zoals in de aangifte staat. Mijn

Airpoddoosje en portemonnee had ik in mijn linker broekzak. Mijn oortjes had ik in.

Ik moest mijn Airpods en het doosje aan [verdachte (voornaam)] afgeven. Toen zij me vasthielden

pakte [verdachte (voornaam)] mijn portemonnee en mijn telefoon werd gepakt door die Surinaamse

jongen, uit mijn rechter broekzak gepakt.4

Op 1 november 2019 worden tijdens de insluitingsfouillering van verdachte Airpods, waarvan het serienummer overeenkomt met de bij aangever weggenomen Airpods, aangetroffen in de linker broekzak van verdachte.5

Bij de politie heeft verdachte onder meer het volgende verklaard:

‘Ik heb tegen hem gezegd: “Geef je Airpods.” Ik heb de Airpods afgenomen.’ 6

Feiten 3 en 4:

In het proces-verbaal van bevindingen verklaart verbalisant [verbalisant 1] onder meer het volgende:

‘Op 1 november 2019 nam ik de verdachte over op het station [plaatsnaam 1] . Met collega [verbalisant 2] en de verdachte ben ik de lift in gestapt (…)Ik hoorde dat de verdachte aan een stuk door de volgende beledigende teksten schreeuwde: “Kankerlijer, tyfeslijer, Kankermongool!” Ik hoorde dat de verdachte dit schreeuwde richting mij. Ik hoorde dat hij een aantal keren specifiek erbij schreeuwde: “Jij bent een kankerlijer, tyfeslijer, kankermongool.” Ik zag dat de verdachte mij hierbij strak aan keek en vervolgens riep: “Ik maak je dood!” De verdachte bleef de beledigende teksten uiten op het moment dat wij uit de lift waren. Ik zag dat er veel burgers om heen stonden, dit door dat het spitstijd betrof. Ik zag dat deze mensen in onze richting keken en de beledigingen gehoord moeten hebben. Door bovenstaande beledigende teksten van verdachte, voelde ik mij in mijn goede naam en eer aangetast. Tevens voelde ik mij bedreigd door de tekst: "Ik maak je dood." De verdachte keek hierbij mij recht in de ogen en hierdoor kon het niet anders dan dat de bedreiging naar mij gericht was. 7

Feit 5:

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het tenlastegelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 mei 2021;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2019, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 130;

  • -

    een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een conclusie categorisering wapen, doorgenummerde pagina’s 147 -148.

Feit 6:

Uit de aangifte van [slachtoffer 2] blijkt onder het volgende:

‘Plaats delict: […] [plaatsnaam 1] . […]

Op 1 juni [2020, rechtbank] was ik thuis. Ik liep naar buiten met mijn telefoon en begon te filmen. De bestuurder stapte uit en kwam naar ons toe om te zeggen dat ik niet mocht filmen. Direct hierna kwamen er vanaf de andere kant andere jongens aanlopen, waaronder een jongen die mij dwong om de camerabeelden te verwijderen. Toen die jonge naar mij toe kwam, dacht ik dat hij mijn telefoon wilde pakken. Ik werd zenuwachtig omdat hij dichtbij kwam. Hij zei tegen mij dat ik het filmpje moest verwijderen. Hij schold veel met kanker en zei ook kankertrut.8 Ik had het idee dat hij mij, als ik de beelden niet zou verwijderen, wat aan zou doen. Ik dacht dat, omdat hij zo heftig gebarend op mij af kwam en omdat hij zo dichtbij kwam, maar ook omdat hij zo agressief tegen mij schreeuwde. Hij gaf constanten opdrachten en bevelen. Het leek steeds alsof hij mijn telefoon wilde pakken. Hij was heel dwingend en ik voelde mij hierdoor echt geïntimideerd. Ik verwijderde de beelden omdat ik niet wilde dat er iets mij gebeurde.9

Verbalisant [verbalisant 4] heeft de camerabeelden bekeken. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt onder meer het volgende:

‘Ik zag op de camerabeelden dat [slachtoffer 2] met haar mobiele telefoon foto’s nam. Ik zag vervolgens dat er een man, die ik herkende als [B] , naar [C] [de rechtbank begrijpt: de man van aangeefster] toe liep. Ik hoorde dat [B] zei: “Verwijderen ja? Je gaat mij niet lopen filmen.” Ik zag vervolgens dat [verdachte] in beeld verscheen. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Pak die kankertelefoon”. Ik zag dat hij richting [slachtoffer 2] liep en naar haar telefoon wees. Ik zag dat hij zich groot maakte en op [slachtoffer 2] af liep. Ik hoorde dat hij zei: “Nu die kankertelefoon, nu!” Ik zag dat [slachtoffer 2] achteruit deinsde. Ik zag dat [verdachte] en [B] in de tuin van [slachtoffer 2] en [C] liepen. Ik hoorde dat [B] zei: “Verwijderen, verwijdere, verwijderen!” Ik zag dat [slachtoffer 2] zo ver achteruit moest lopen, dat zij tussen haar auto en [verdachte] kwam te staan. Ik hoorde dat [verdachte] zei: “Verwijder die kankervideo he, kankertrut”. Ik hoorde dat [B] nogmaals zei: “Verwijder het dan.” Ik zag en hoorde dat [verdachte] haar constant onderbrak en niet luisterde naar wat [slachtoffer 2] te zeggen had. Ik hoorde dat [slachtoffer 2] uiteindelijk zei: “Ja, ik zal het verwijderen”. Ik hoorde dat [verdachte] haar wederom onderbrak en zei: “nu, nu, nu, ik wil het zien ik wil het zien!” Ik zag dat [slachtoffer 2] aan [verdachte] en [B] liet zien dat de beelden verwijderd waren.10

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

Bewijsoverwegingen

Feiten 1 en 2:

De rechtbank acht de verklaring van de aangever betrouwbaar. Zijn verklaringen zijn gedetailleerd en consequent en vinden bovendien steun in het feit dat de Airpods bij verdachte zijn aangetroffen. Voorts kennen aangever en verdachte elkaar en heeft verdachte bij de politie een deels bekennende verklaring afgelegd. De verklaringen van verdachte zijn daarentegen wisselend. Hij verklaart onder meer wisselend over hoe hij in het bezit is gekomen van de Airpods en of hij daarbij wel of niet iets tegen aangever heeft gezegd. De rechtbank hecht daarom meer waarde aan de verklaring van aangever dan aan de verklaring van verdachte en acht ook het uiten van de bedreigende woorden en het vastpakken van aangever door verdachte wettig en overtuigend bewezen. Door het vastpakken van aangever heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet slechts gedreigd met geweld, maar ook daadwerkelijk fysiek geweld gebruikt. Ten aanzien van het tweede feit komt de rechtbank dus tot een bewezenverklaring van het onderdeel geweld. Dit is anders bij het eerste feit, aangezien de tenlastelegging van dat feit het geweld niet verder verfeitelijkt.

Feiten 3 en 4:

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde een redelijke vrees kon ontstaan dat de hij het leven zou kunnen verliezen dan wel slachtoffer zou kunnen worden van zware mishandeling. De bedreiging moet van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn geuit dat deze in het algemeen dergelijke vrees kan opwekken.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verbalisant [verbalisant 1] met twee collega’s en verdachte in de lift stond. Verdachte werkte op dusdanige wijze tegen dat verbalisant [verbalisant 1] zich genoodzaakt voelde om verdachte te fixeren tegen de wand van de lift waarin zij stonden. Het betrof een situatie die zich specifiek tussen verbalisant [verbalisant 1] en verdachte afspeelde in een kleine ruimte. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat de verdachte hem strak aankeek toen hij ‘Ik maak je dood’ en ‘Jij bent een kankerlijer, tyfeslijer, kankermongool’ riep. Verbalisant [verbalisant 1] voelde zich hierdoor bedreigd en beledigd. Uit deze omstandigheden blijkt dat de bedreiging en de beledigingen specifiek gericht waren op verbalisant [verbalisant 1] en de rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw dat de bedreiging en de beledigingen ongericht zouden zijn. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden waaronder de bedreiging is geuit en de letterlijke bewoording hiervan van dusdanige aard zijn dat dat er redelijke vrees is ontstaan bij verbalisant [verbalisant 1] . Dat verdachte op dat moment geboeid was doet daaraan niet af, omdat niet vereist is dat verdachte de geuite bedreiging op dat moment ten uitvoering brengt.

Feit 6:

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met [B] aangeefster door een feitelijkheid heeft gedwongen tot het verwijderen van een filmpje, door al schreeuwend en scheldend dreigend op [slachtoffer 2] af te lopen en te dwingen een filmpje te verwijderen.

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen, nu hij het feit alleen gepleegd zou hebben. De rechtbank verwerpt dit verweer. Gelet op de gebezigde bewijsmiddelen zijn zowel verdachte als [B] bij het incident aanwezig, roepen zij beiden dat aangeefster de video moet verwijderen en lopen zij samen op aangeefster af. Aangeefster toont vervolgens aan beide jongens dat zij de video verwijderd heeft. Hieruit blijkt voldoende dat er sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank acht het tenlastegelegde medeplegen dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte aangeefster slechts heeft gedwongen om het filmpje en/of de foto’s te verwijderen, maar hij hierbij geen gebruikt heeft gemaakt van geweld of hiermee heeft gedreigd. Nu het procesdossier geen melding maakt van enig toegepast geweld of bedreiging hiermee, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde bestanddelen ‘geweld’ en ‘bedreiging met geweld’.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

t.a.v. feit 1:

op 19 oktober 2019 te [plaatsnaam 1] , gemeente Stichtse Vecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar airpods, toebehorende aan die [slachtoffer 1] , door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "Je komt hier alleen weg zonder klappen of steken als je mij je airpods geeft";

t.a.v. feit 2:

op 19 oktober 2019 te [plaatsnaam 1] , gemeente Stichtse Vecht, tezamen en in vereniging met anderen, een mobiele telefoon (Apple Iphone X) en een portemonnee (inhoudende onder meer een identiteitskaart, kentekenbewijs en ongeveer 70 euro aan geld), toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "Geef ook je telefoon anders ga je de politie bellen" en met 3 personen om die [slachtoffer 1] te staan en hem bij zijn arm te pakken en voornoemde telefoon en portemonnee uit de kleding van die [slachtoffer 1] te pakken;

t.a.v. feit 3:

op 1 november 2019 te [plaatsnaam 1] , gemeente Stichtse Vecht, politieambtenaar [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [verbalisant 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood";

t.a.v. feit 4:

op 1 november 2019 te [plaatsnaam 1] , gemeente Stichtse Vecht, opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , [..] van politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: Kankerlijer, tyfuslijer en kankermongool;

t.a.v. feit 5:

op 1 november 2019 te [plaatsnaam 1] , gemeente Stichtse Vecht, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes, voorhanden heeft gehad;

t.a.v. feit 6:

op 1 juni 2020 te [plaatsnaam 1] , gemeente Stichtse Vecht, tezamen en vereniging met een ander, een ander, te weten [slachtoffer 2] , door een feitelijkheid gericht tegen [slachtoffer 2] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten het verwijderen van een filmpje van een smartphone, welke feitelijkheid hierin bestond dat hij verdachte en zijn mededader heftig gebarend naar die [slachtoffer 2] zijn gegaan en intimiderend dichtbij haar zijn gaan staan en die [slachtoffer 2] op een agressieve manier hebben gezegd en bevolen het filmpje te verwijderen en haar daarbij meerdere malen hebben toegeschreeuwd “kankertrut”.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

eendaadse samenloop van

feit 1: afpersing, terwijl dit feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

feit 2: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl dit feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 4: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 5: handelen in strijd met artikel 26, vijfde lid, van de Wet wapens en munitie;

feit 6: een ander door een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een jeugddetentie voor de duur van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 74 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden het meewerken aan reclasseringstoezicht, het meewerken aan het vormgeven van dagbesteding en zich houden aan de afspraken hieromtrent, het meewerken aan behandeling bij [organisatie 2] en het meewerken aan begeleiding vanuit [organisatie 3] , waarbij toezicht wordt gehouden op de naleving van deze voorwaarden door Reclassering Nederland.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is overschreden en alleen het Openbaar Ministerie aanspreekbaar is voor de vertraging die de zaak heeft opgelopen. Verdachte heeft als gevolg daarvan lang in een schorsing moeten lopen en draagt tot op de dag van vandaag een enkelband. Dit dient volgens de raadsvrouw meegewogen te worden in de motivering van de gekozen straf(modaliteit).

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat er sprake was van buitenproportioneel politiegeweld. Verdachte is, terwijl hij was geboeid, in zijn gezicht geslagen. Daarmee is er sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor heeft verdachte nadeel ondervonden, te weten pijn, en strafvermindering is geschikt als compensatie van dit nadeel.

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank ook om ten aanzien van de strafmaat rekening te houden met de herstelbemiddeling die op verzoek van verdachte heeft plaatsgevonden ten aanzien van feit 6.

De raadsvrouw verzoekt de rechtbank, alles overziend, om geen onvoorwaardelijk strafdeel op te leggen dat de duur van het voorarrest overschrijdt. Indien de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel nodig acht, verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om dit op te leggen in de vorm van een voorwaardelijke taakstraf in plaats van een voorwaardelijke jeugddetentie.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in een paar maanden tijd schuldig gemaakt aan zes ernstige strafbare feiten. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij, in afwachting van het vonnis ter zake van verdenking van straatroven, opnieuw een straatroof pleegt. De eerdere strafzaak heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen waarbij geweld en het dreigen met geweld niet zijn geschuwd. Afpersing en straatroven zijn ernstige feiten die grote impact hebben op het leven van slachtoffers en hun gevoel van veiligheid. Dit blijkt onder meer uit de aanvullende verklaring van aangever waarin zijn moeder aangeeft dat hij erg ontdaan is.

Daarnaast heeft verdachte een politieambtenaar bedreigd en diezelfde politieambtenaar beledigd. Hoewel politiefunctionarissen zijn getraind in het omgaan met fysiek dan wel verbaal agressieve verdachten en over enig incasseringsvermogen moeten beschikken, wil dat niet zeggen dat zij elk gedrag moeten dan wel kunnen tolereren. Het is van belang dat politieambtenaren hun werk veilig en ongehinderd kunnen uitvoeren. Verdachte heeft hier de grenzen van het toelaatbare overschreden.

Ook heeft verdachte een mes bij zich gedragen, terwijl hij daar op grond van zijn minderjarigheid niet over mocht beschikken. Het messenbezit onder minderjarigen is een groeiend maatschappelijk probleem en zorgt voor veel onrust. Het feit dat verdachte een mes bij zich droeg is volstrekt ontoelaatbaar en draagt bij aan een onveilige straatcultuur.

Tot slot heeft verdachte op hardzinnige wijze [slachtoffer 2] , terwijl zij zich op haar eigen oprit bevond, gedwongen om een video te verwijderen van haar telefoon. Ook dit is een ernstig feit met grote impact op het slachtoffer. Dit blijkt onder meer uit de aangifte van [slachtoffer 2] waarin zij omschrijft dat zij zich erg bang en geïntimideerd voelde. Het voorval heeft nog meerdere malen door haar hoofd gespeeld en het heeft haar teleurgesteld in haar medemensen.

Overschrijding redelijke termijn

De rechtbank constateert, evenals de raadsvrouw van verdachte, dat het twee maanden langer heeft geduurd om in deze zaak tot een oordeel te komen dan de door de Hoge Raad genoemde termijn in jeugdzaken van 16 maanden. De rechtbank volstaat echter met de enkele vaststelling dat met deze overschrijding van de redelijke termijn een inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank komt tot dit oordeel omdat het slechts een geringe overtreding van de redelijke termijn betreft en het in deze zaak gaat om een groot aantal feiten waarbij het nodig was aanvullend onderzoek uit te zetten om tot een gedegen oordeel te kunnen komen.

Toegepaste politiegeweld

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er buitenproportioneel politiegeweld is toegepast op de verdachte, waardoor er sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank ziet in het politiedossier geen aanknopingspunten voor het door de raadsvrouw geschetste scenario en verwerpt het verweer van de raadvrouw. De rechtbank gaat hierbij uit van de gebeurtenissen zoals beschreven in de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en de later opgemaakte aanvullende processen-verbaal van voornoemde verbalisanten met betrekking tot hetgeen zich in de lift heeft afgespeeld. Geen van de verbalisanten spreekt over het slaan van verdachte en zij verklaren zelfs uitdrukkelijk dat hij níet is geslagen. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan hun verklaringen, die alle op ambtseed zijn ondertekend. De ter terechtzitting door de rechtbank bekeken beelden werpen geen ander licht op dit oordeel. Op grond van de processen-verbaal van de drie verbalisanten staat het naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte zich in de lift heeft verzet. Hiermee bleef verdachte, ook na meerdere bevelen mee te werken, doorgaan. Daarop heeft verbalisant [verbalisant 1] verdachte proberen te fixeren door hem met zijn lichaam tegen de wand te drukken. Hierbij is het hoofd van de verdachte tegen de wand gestoten. De rechtbank is van oordeel dat het toegepaste geweld in zo’n kleine ruimte noodzakelijk en proportioneel is geweest en er dus geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 22 december 2020, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer straatroven en bedreiging en belediging van een ambtenaar. Verdachte heeft hiervoor forse deels voorwaardelijke werkstraffen en een voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd gekregen. De rechtbank houdt ook rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met:

  • -

    een evaluatie rapportage van [organisatie 1] (hierna: [organisatie 1] ) van 6 juli 2020, opgemaakt door dhr. [D] , [organisatie 1] -medewerker;

  • -

    een advies van de Raad van de Kinderbescherming (hierna: RvdK), van 16 april 2021, opgemaakt door mw. [E] , raadsonderzoeker.

Uit de evaluatierapportage van [organisatie 1] blijkt dat er nog veel zorgen zijn over de ontwikkeling van verdachte. Hij heeft veel contacten gehad met politie en justitie. De [organisatie 1] -medewerker schat de kans op recidive in als gemiddeld. Het is positief dat de MDFT-therapeut zijn begeleiding heeft kunnen afsluiten en verdachte is gestart met behandeling bij [organisatie 2] . De [organisatie 1] -medewerker kaart aan dat verdachte door het plegen van delicten op het pad van een beginnende criminele carrière staat en het voor hem en zijn ouders van groot belang is dat daar een einde aan gaat komen. De grootste problemen ziet de [organisatie 1] -medewerker in de relaties van verdachte en zijn agressie. Naar aanleiding van de evaluatie heeft [organisatie 1] de begeleiding afgesloten en overgedragen naar de volwassenenreclassering, zoals ook al is beslist in de schorsingsvoorwaarden van 29 juni 2020.

De RvdK adviseert om de begeleiding door Reclassering Nederland voort te zetten. De RvdK acht een voorwaardelijke detentie het meest passend als flinke stok achter de deur, met daarnaast een onvoorwaardelijk strafdeel in de vorm van een werkstraf. Anderzijds ziet de RvdK dat verdachte het afgelopen jaar al direct de consequentie van zijn gedrag heeft ondervonden, waardoor een onvoorwaardelijk strafdeel voor dit doel niet nodig lijkt. De RvdK acht het van belang om het voorwaardelijk strafdeel zo groot mogelijk te houden, ook als dit ten koste gaat van het onvoorwaardelijke deel, om verdachte intrinsiek te motiveren om zich langere tijd aan de voorwaarden te houden. De RvdK adviseert om als (bijzondere) voorwaarden op te leggen dat verdachte:

  • -

    meewerkt aan het reclasseringstoezicht door Reclassering Nederland;

  • -

    meewerkt aan het vormgeven van een dagbesteding en zich houdt aan de afspraken hieromtrent;

  • -

    zich onder behandeling stelt van [organisatie 2] ;

  • -

    meewerkt aan begeleiding vanuit [organisatie 3] .

Verdachte wordt begeleid door mw. [A] . Ter terechtzitting heeft mw. [A] het advies verder toegelicht en verklaard dat de begeleiding heel strak is begonnen. Verdachte gaat naar school, maar niet altijd voldoende. Verdachte geeft wel de noodzakelijke openheid van zaken. Bij [organisatie 2] komt verdachte soms te laat en mist hij af en toe afspraken. De behandelaar heeft aangegeven dat er wel stappen worden gemaakt. De begeleiding is nog niet klaar. Er is veel overleg geweest met de RvdK en de Reclassering zit qua advies op één lijn met de RvdK. Bij verdachte speelt ook ADHD-problematiek en hij kan impulsief reageren en snel boos worden. De Reclassering ziet hier wel groei in en adviseert het schrappen van de elektronische controle.

Toepassing van ASR

Verdachte heeft de feiten 1 tot en met 5 gepleegd toen hij nog minderjarig was. Feit 6 heeft hij gepleegd toen hij net meerderjarig was. De rechtbank acht het, met de officier van justitie, in het belang van verdachte dat alle feiten tezamen kunnen worden afgedaan met één straf en zal ten aanzien van feit 6 dan ook het adolescentenstrafrecht toepassen.

Strafoplegging

Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank houdt rekening met de LOVS-richtlijnen en de strafverzwarende omstandigheden dat verdachte – opnieuw - in korte tijd een veelvoud aan strafbare feiten pleegt, maar ook met het feit dat verdachte al lange tijd in een schorsing loopt. De rechtbank acht het van groot belang dat er een flinke voorwaardelijke stok achter de deur is en acht het, gelet op de ernst van de feiten, niet passend dat dit in de vorm van een voorwaardelijke werkstraf wordt opgelegd.

De rechtbank acht, alles in overweging nemende, een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De rechtbank zal hierbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de RvdK opleggen.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam en goederen van een of meer personen, te weten een afpersing, een straatroof, een bedreiging en het een ander te dwingen iets te doen.

Uit de rapportage van [organisatie 1] volgt dat er sprake is van een gemiddeld recidiverisico en dat intensief toezicht en behandeling van verdachte nodig zijn om de ingezette positieve ontwikkeling vast te houden en daarmee de kans op recidive te verkleinen. Ook de RvdK onderschrijft dat begeleiding en behandeling nog steeds noodzakelijk is. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder het toezicht en begeleiding van de reclassering opnieuw een vergelijkbaar misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de bijzondere voorwaarden die aan verdachte zullen worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9 VORDERING TENUITVOERLEGGING

9.1

Parketnummer 16-100560-19

Bij vonnis van de meervoudige kamer te rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 29 oktober 2019 is verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand opgelegd, waarbij als voorwaarde is gesteld dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft een vordering tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf ingediend en op de terechtzitting gevorderd om deze ten uitvoer te leggen, met dien verstande dat de jeugddetentie dient te worden omgezet in een werkstraf voor de duur van 60 uren.

De raadsvrouw heeft primair verzocht om afwijzing van de vordering, nu de vordering, gezien de datum van het vonnis, ziet op feiten waarvoor de raadsvrouw vrijspraak heeft bepleit en feit 6, wat beperkt van ernst is. Toewijzing is daarom volgens de raadsvrouw niet gerechtvaardigd.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om omzetting van de jeugddetentie in een werkstraf.

De RvdK heeft geadviseerd om de vordering toe te wijzen en om te zetten in een werkstraf.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het plegen van nieuwe strafbare feiten, zoals bewezen verklaard in dit vonnis. De rechtbank zal de vordering ten uitvoerlegging van de voorwaardelijke jeugddetentie dan ook toewijzen met dien verstande dat deze wordt omgezet naar een taakstraf voor de duur van 60 uur, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie indien verdachte deze niet (naar behoren) verricht.

9.2

Parketnummer 16-042488-19

Bij vonnis van de kinderrechter te rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 11 juni 2019 is verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 140 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk opgelegd, waarbij als voorwaarde is gesteld dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De officier van justitie heeft een vordering tot tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf ingediend en op de terechtzitting gevorderd om deze ten uitvoer te leggen.

De verdediging heeft zich niet over de vordering uitgelaten.

De RvdK heeft geadviseerd om de vordering, gelet op het tijdsverloop, gedeeltelijk ten uitvoer te leggen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het plegen van nieuw strafbare feiten, zoals bewezen verklaard in dit vonnis. De rechtbank zal de vordering ten uitvoerlegging van de voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf dan ook toewijzen, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie indien verdachte deze niet (naar behoren) verricht.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 47, 55, 63, 77a, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 266, 267, 284, 285, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 26 en 54 van de Wet wapens en munitie, zoals die artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder feit 1 tot en met 6 tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart hetgeen meer of anders ten laste is gelegd niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder feit 1 tot en met 6 bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte van 73 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, juncto artikel 14c zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

o zich gedurende de proeftijd zal melden bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] , [postcode 2] te [plaatsnaam 2] , zo lang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht om het reclasseringstoezicht uit te oefenen, en zich zal houden aan de aanwijzingen die de Reclassering geeft;

o medewerking verleent aan het vormgeven van een dagbesteding en zich houdt aan de regels omtrent zijn dagbesteding, te bepalen door de Reclassering;

o meewerkt aan een behandeling van [organisatie 2] , of een soortgelijke instantie, zulks te bepalen door de Reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

o medewerking verleent aan begeleiding vanuit [organisatie 3] , indien en voor zolang de Reclassering dat noodzakelijk acht;

- geeft aan Reclassering Nederland de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Dadelijke uitvoerbaarheid

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/100560-19

- wijst de vordering toe;

- gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 29 oktober 2019 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf in de vorm van een werkstraf niet naar behoren verricht, een vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 30 dagen;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/042488-19

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 11 juni 2019 opgelegde voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf in de vorm van een werkstraf niet naar behoren verricht, een vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen;

Voorlopige hechtenis

- heft op het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.B. Snijders Blok, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. E.J. van Rijssen, kinderrechter, en A. Maas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L. Steijns, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 mei 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 19 oktober 2019 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een paar airpods, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] toebehoorde, door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "Je komt hier alleen weg zonder klappen of steken als je mij je airpods geeft";

(Artikel art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht)

2 hij op of omstreeks 19 oktober 2019 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een mobiele telefoon (Apple Iphone X) en een portemonnee (inhoudende onder meer een identiteitskaart, kentekenbewijs en ongeveer 70 euro aan geld), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of

gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers

aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, door tegen die [slachtoffer 1] te zeggen: "Geef ook je telefoon anders ga je de politie bellen" en met 3 personen om die [slachtoffer 1] te staan en hem bij zijn arm te pakken en voornoemde telefoon en portemonnee uit de kleding van die [slachtoffer 1] te pakken;

(Artikel art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

3 hij op of omstreeks 1 november 2019 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht politieambtenaar [verbalisant 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [verbalisant 1] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

(Artikel art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

4 hij op of omstreeks 1 november 2019 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht opzettelijk een ambtenaar, te weten [verbalisant 1] , [..] van politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: Kankerlijer, tyfuslijer, en kankermongool, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

(Artikel art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

5 hij op of omstreeks 1 november 2019 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, terwijl hij de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes, voorhanden heeft gehad;

(Artikel art 26 lid 5 Wet wapens en munitie)

6 hij op of omstreeks 1 juni 2020 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, tezamen en vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, te weten [slachtoffer 2] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen [slachtoffer 2] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het verwijderen van een filmpje en/of foto’s van een smartphone, welk geweld, welk geweld en/of andere feitelijk en/of welke bedreiging met geweld en/of andere feitelijkheid hierin bestond(en) dat hij verdachte en/of zijn mededader(s) (heftig gebarend) naar die [slachtoffer 2] zijn/is gegaan en/of (intimiderend) dichtbij haar gaat/gaan staan en/of die [slachtoffer 2] (op een agressieve manier) heeft/hebben gezegd en/of bevolen het filmpje en/of foto's te verwijderen en/of haar daarbij (meerdere malen) heeft/hebben toegeschreeuwd en/of toegesproken met “kankertrut” en/of soortgelijke woorden;

(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 284 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van

Strafrecht)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 3 november 2019, genummerd PL0900- 2019327385, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 204. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 21.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 22.

4 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 32.

5 Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 5] , p. 78.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 201.

7 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 127.

8 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , met proces-verbaal nummer PL0900-2020177231-1, p. 9.

9 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , met proces-verbaal nummer PL0900-2020177231-1, p. 10.

10 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , met proces-verbaal nummer PL0900-2020177231-2, p. 15.