Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2093

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
C/16/492403 / HA ZA 19-195 en C/16/493793 / HA ZA 19-258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid financieel adviseur, geen gebrekkige advisering belastingaangifte 2014, onderscheid bevriezen of stopzetten pensioen in eigen beheer, klachtplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 1-6-2021
FutD 2021-1765 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 26 mei 2021

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/16/492403 / HA ZA 19-195 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[procesdeelnemer I] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. S. van Solkema te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[procesdeelnemer II] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

gedaagde sub 1,

advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem,

2. [procesdeelnemer III],

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagde sub 2,

advocaat mr. M. Deckers te Amsterdam,

en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/16/493793 / HA ZA 19-258 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[procesdeelnemer II] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

eiseres,

advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem,

tegen

[procesdeelnemer IV] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. H. Hieltjes te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [procesdeelnemer I] , [procesdeelnemer II] , [procesdeelnemer III] en [procesdeelnemer IV] genoemd worden.

1 De procedures

in de hoofdzaak

1.1.

De procedure in de hoofdzaak blijkt uit:

- het oproepingsbericht met de procesinleiding en producties van 18 juni 2019;

- het verweerschrift met producties van [procesdeelnemer III] van 24 september 2019;

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [procesdeelnemer II] van 23 september 2019;

- het verweerschrift in het incident van [procesdeelnemer I] van 2 oktober 2019;

- het vonnis in incident van 6 november 2019;

- het vonnis tot verwijzing naar de civiele handelsrol van 3 december 2019;

- de conclusie van antwoord met producties van [procesdeelnemer II] van 18 december 2019;

- de brief van mr. Van Solkema van 5 januari 2021 met productie 16;

- de akte van [procesdeelnemer II] van 29 januari 2020.

in de vrijwaring

1.2.

De procedure in de vrijwaring blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van 9 december 2019;

- de conclusie van antwoord van 3 juni 2020;

- de akte met een productie van [procesdeelnemer II] van 4 november 2020.

1.3.

De mondelinge behandeling in zowel de hoofdzaak als de vrijwaring heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021. Namens [procesdeelnemer I] was [A] (DGA van [procesdeelnemer I] ) aanwezig samen met zijn advocaat mr. Van Solkema. Daarnaast was mr. [B] aanwezig, adviseur bij [onderneming 1] . Namens [procesdeelnemer II] is verschenen [C] samen met zijn advocaat mr. Wildenburg. [procesdeelnemer III] is verschenen samen met zijn advocaat mr. Deckers. [procesdeelnemer IV] is verschenen samen met haar advocaat mr. Hieltjes.

1.4.

Partijen hebben hun standpunten toegelicht en antwoord gegeven op de vragen van de rechtbank. [procesdeelnemer I] heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen partijen tijdens de zitting naar voren hebben gebracht.

1.5.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[procesdeelnemer I] is uitvoerder van onder meer twee pensioenregelingen in eigen beheer van haar directeur-grootaandeelhouder [A] .

2.2.

[procesdeelnemer III] was vanuit [onderneming 2] B.V. sinds 1997 managementadviseur van onder meer [procesdeelnemer I] en [A] . [procesdeelnemer III] heeft [procesdeelnemer I] ondersteund bij haar administratieve en fiscale verplichtingen en voorzien van advies. Daarnaast heeft [procesdeelnemer III] namens [procesdeelnemer I] en [A] derden opdrachten gegeven voor administratieve en fiscale activiteiten.

2.3.

Medio 2006 heeft [procesdeelnemer III] [procesdeelnemer II] bij [procesdeelnemer I] geïntroduceerd voor de (salaris)administratie, notulen, publicatieverslagen en jaarrekeningen. Gedurende de periode dat [procesdeelnemer II] diensten verrichtte ten behoeve van [procesdeelnemer I] , zijn door [procesdeelnemer II] de pensioenberekeningen voor [procesdeelnemer I] uitbesteed aan het kantoor [onderneming 3] (hierna: [onderneming 3] ).

2.4.

[procesdeelnemer III] heeft op 23 maart 2013 aan [procesdeelnemer II] (met [A] in cc) gemaild over concept jaarstukken die [procesdeelnemer II] over 2012 zou opstellen. In die e-mail staat onder meer:

(…) De administraties zijn door [D] gedurende het jaar bewerkt en de aanvullingen die nadien door de administratie zijn toegevoegd betreffen in hoofdzaak transitoria en het bevriezen pensioen in eigen beheer.(…) We spraken het volgende af: (….)3. Notulen AVA (graag ook opnemen daarin de bevriezing van het pensioen in eigen beheer.) (…)”

2.5.

In de concept jaarstukken die [procesdeelnemer II] vervolgens opstelde was de pensioenvoorziening gelijk aan die van 2011. In de concept notulen van de aandeelhoudersvergadering 2012 stond niets over bevriezing. [procesdeelnemer II] heeft de concepten aan [A] gestuurd. Die heeft deze voor zover het de pensioenvoorziening betreft ongewijzigd getekend.

2.6.

Nadat [procesdeelnemer II] de jaarstukken over 2012 had aangeleverd is de samenwerking tussen [procesdeelnemer I] en [procesdeelnemer II] geëindigd. Dat was in het voorjaar van 2013.

2.7.

Begin september 2013 is de samenwerking tussen [procesdeelnemer I] en [procesdeelnemer III] geëindigd.

2.8.

Vanaf het boekjaar 2013 worden de administratie, jaarrekeningen en aangiften

vennootschapsbelasting en omzetbelasting verzorgd door [procesdeelnemer IV] .

2.9.

De Belastingdienst heeft op 9 december 2015 een boekenonderzoek aangekondigd

naar de belastingaangiften over het jaar 2014 van [procesdeelnemer I] en haar dochtermaatschappijen [onderneming 4] BV en [onderneming 5] BV..

2.10.

Het onderzoek van de Belastingdienst heeft geleid tot een definitief rapport van 5 maart 2018. In dat rapport heeft de Belastingdienst, voor zover relevant, het volgende geoordeeld:

Met de invoering van de Wet VAP is het fiscale kader voor pensioenregelingen per 1 januari 2014 aangepast.

[…]

Door de pensioenregeling niet aan te passen is deze met ingang van 1 januari 2014 bovenmatig (onzuiver) geworden.

Zowel nieuwe als bestaande pensioenovereenkomsten moeten vanaf 1 januari 2014 voldoen aan het gewijzigde fiscale regime. De pensioenregeling van de heer [A] bij [procesdeelnemer I] B.V. is niet aangepast aan de Wet VAP. Derhalve vindt de pensioenopbouw in 2014 plaats op basis van de laatste VPL pensioenbrief. Deze brief gaat uit van een te hoog opbouwpercentage van 2% en van een pensioenleeftijd van 65 jaar. De VPL pensioenbrief voldoet met ingang van 1 januari 2014 niet meer aan het geldende fiscale kader, waardoor de regeling bovenmatig (onzuiver) is geworden.

Bij een bovenmatige pensioenregeling worden de totale pensioenaanspraken aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking (artikel 19b, eerste lid, onderdeel a Wet op de loonbelasting 1964).

[…]

In verband met de pensioenopbouw in de onzuivere pensioenregeling is er in 2014 te weinig loonbelasting afgedragen door de vennootschap. Op grond van artikel 20 Algemene wet inzake rijksbelastingen moet er een naheffingsaanslag loonbelasting 2014 worden opgelegd, […]

Voor de belastingjaren 2015, 2016 en later moeten er ook nog naheffingsaanslagen loonbelasting worden opgelegd.

[…]

Op 4 januari 2018 is een conceptrapport uitgebracht. Naar aanleiding van dit conceptrapport heeft de heer [E] contact opgenomen met [F] . De heer [E] gaf aan dat de heer [A] hem had verzocht om te reageren op het conceptrapport.

[…]

Naar aanleiding van de brief van de heer [E] hebben we nader onderzoek verricht.

[…]

Om de bewering dat de opbouw reeds met ingang van 2012 zou zijn gestaakt op zijn juistheid te kunnen beoordelen hebben we contact opgenomen met de vorige betrokkenen bij de aangiften vennootschapsbelasting. Tot en met 2012 heeft [C] & [G] de aangifte vennootschapsbelasting verzorgd. Als adviseur trad de heer [procesdeelnemer III] vanuit [onderneming 2] B.V. als adviseur en begeleider op. [onderneming 3] B.V. werd ingeschakeld voor de berekeningen inzake de toegezegde pensioenen.

Onafhankelijk van elkaar hebben deze betrokkenen verklaard dat er geen sprake is geweest van een staking van de pensioenopbouw. […]”

2.11.

Naar aanleiding van de rapportage is op 17 april 2018 een naheffingsaanslag over 2014 opgelegd aan [procesdeelnemer I] van € 381.316,00.

2.12.

[procesdeelnemer I] heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Namens [procesdeelnemer I] heeft mr. [E] van [onderneming 1] op 12 juli 2018 per brief het bezwaar tegen de naheffingsaanslag nader gemotiveerd.

2.13.

Met brieven van 13 juli 2018 heeft [procesdeelnemer I] zowel [procesdeelnemer III] als [procesdeelnemer II] aansprakelijk gesteld voor alle door haar geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de “onjuiste, onzorgvuldige en foutieve advisering betreffende de pensioenvoorziening in

eigen beheer en het formaliseren van de staking van de opbouw daarvan in 2012 als mede ook ten gevolge van uw met de waarheid strijdige verklaringen jegens de belastingdienst.”

2.14.

Op 14 december 2018 heeft de Belastingdienst beslist op het bezwaar. De Belastingdienst concludeert ‘uit hetgeen u naar voren hebt gebracht kan niet met zekerheid worden gezegd dat de opbouw van het pensioen is ‘bevroren.” Naar het schijnt is hiervan echter wel sprake. Op basis hiervan zal ik de opgelegde naheffingsaanslag verminderen tot nihil.”

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

[procesdeelnemer I] vordert samengevat – hoofdelijke veroordeling van [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] tot betaling van:

A. een schadevergoeding van in totaal € 39.623,93;

B. de samengestelde wettelijke vertragingsrente over het totaal van het onder A gevorderde vanaf 18 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

C. de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.417,20 danwel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

D. de kosten van deze procedure alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke vertragingsrente indien deze bedragen niet voldaan zijn binnen vijf dagen na uitspraak van het in deze te wijzen vonnis.

3.2.

Haar vorderingen baseert [procesdeelnemer I] -samengevat- op het volgende.

Gedaagden hebben [procesdeelnemer I] onvoldoende geadviseerd over het fiscale kader voor pensioenregelingen per 1 januari 2014, meer in het bijzonder over het staken en/of bevriezen van de pensioenvoorziening in eigen beheer per 2012. Zij hebben het stoppen van de pensioenopbouw in eigen beheer ook onvoldoende gedocumenteerd; en zij hebben in 2018 de vragen van de Belastingdienst daaromtrent verkeerd beantwoord. Dat heeft geleid tot de naheffingsaanslag van de Belastingdienst aan [procesdeelnemer I] . Daarom zijn [procesdeelnemer III] en [procesdeelnemer II] aansprakelijk jegens [procesdeelnemer I] voor de kosten van het maken en motiveren van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Die kosten bedragen € 39.623,93 inclusief btw.

3.3.

[procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] betwisten dat zij [procesdeelnemer I] moesten adviseren over het pensioen in eigen beheer; dat zij staking van het pensioen moesten documenteren; en dat zij de vragen van de Belastingdienst verkeerd hebben beantwoord. Zij voeren als verweer dat [procesdeelnemer I] i) heeft nagelaten hen in gebreke te stellen; ii) te laat heeft geklaagd; en iii) eigen schuld heeft omdat zij in 2013 nadat de overeenkomsten met gedaagden waren geëindigd nog maanden de tijd heeft gehad voor het treffen van maatregelen voor de fiscale wijzigingen die per 2014 zouden ingaan.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

3.5.

[procesdeelnemer II] vordert - samengevat - dat [procesdeelnemer IV] wordt veroordeeld om aan [procesdeelnemer II] te betalen al hetgeen waartoe [procesdeelnemer II] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [procesdeelnemer IV] in de kosten van de vrijwaring.

3.6.

[procesdeelnemer IV] voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in de hoofdzaak

4.1.

[procesdeelnemer I] verwijt [procesdeelnemer III] en [procesdeelnemer II] beroepsfout(en). Voor toewijzing van een vordering op grond van een beroepsfout is nodig dat a) de beroepsbeoefenaar niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwame vakgenoot in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht; en b) daardoor schade is veroorzaakt. De vraag is dus of [procesdeelnemer III] en/of [procesdeelnemer II] hebben gehandeld zoals van redelijk handelend en redelijk bekwame financieel en administratieve dienstverleners als [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht; en b) [procesdeelnemer I] daardoor schade heeft geleden. [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] zijn pas aansprakelijk als aan al deze elementen is voldaan.

Niet adviseren over fiscaal regime vanaf 1 januari 2014 was geen fout

4.2.

De fiscale wetgeving waar [procesdeelnemer I] achteraf gezien advies over had willen krijgen ging pas in per 1 januari 2014. Ruim voor die tijd waren partijen al uit elkaar. Dat [procesdeelnemer I] concrete vragen over de fiscale wetgeving per 1 januari 2014 heeft gesteld aan [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] is niet gebleken. Van dienstverleners als [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] wordt niet verwacht dat zij bij beëindiging ‘over hun graf regeren’ en uit eigen beweging over toekomstige zaken adviseren. Dat geldt temeer voor zaken waarvoor [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] derden inschakelden, zoals fiscaal advies. Dat zij [procesdeelnemer I] weinig of niet hebben geadviseerd over het fiscale regime per 1 januari 2014 valt hen daarom niet te verwijten.

Staken van de pensioenvoorziening is niet afgesproken

4.3.

[procesdeelnemer I] stelt dat zij en [A] de wil hadden om de pensioenvoorziening per 2012 te staken; dat die wil aan [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] duidelijk had moeten zijn; en dat [procesdeelnemer II] daarom in de notulen van de AVA en de jaarstukken van 2012 de staking had moeten vermelden en verwerken. [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] betwisten dat het [procesdeelnemer I] om staking ging. Staking was volgens hen niet besproken. Volgens hen ging het slechts om bevriezing van de pensioenvoorziening om tegemoet te komen aan [procesdeelnemer I] ’s wens om de kosten te drukken en zwarte cijfers te schrijven in verband met de financiering van de onderneming.

4.4.

Omdat [procesdeelnemer I] zich beroept op het rechtsgevolg dat uit een afgesproken staking zou voortvloeien, rust op [procesdeelnemer I] daarvan de bewijslast. Daarin slaagt [procesdeelnemer I] niet. Ter onderbouwing van haar stelling verwijst [procesdeelnemer I] naar de e-mail van 23 maart 2013 van [procesdeelnemer III] . Maar daarin staat niet meer dan de instructie van [procesdeelnemer I] om voor 2012 de pensioenvoorziening te bevriezen en die bevriezing in concept notulen op te schrijven. Dat is iets anders dan algeheel staken van de pensioenvoorziening. [procesdeelnemer I] heeft geen andere documenten of bronnen aangedragen waaruit een afspraak over staking van de pensioenvoorziening blijkt.

4.5.

[procesdeelnemer I] heeft bij de mondelinge behandeling duidelijk gemaakt dat er inderdaad over bevriezing was gesproken, maar dat staken daaruit had moeten worden begrepen. Zonder nadere omstandigheden die zijn gesteld noch gebleken, valt niet in te zien waarom dat zo zou zijn. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat partijen niet méér hebben besproken dan bevriezing van de pensioenvoorziening in 2012.

De bevriezing niet notuleren was geen fout die tot schade kon leiden

4.6.

Dat [procesdeelnemer II] de instructie van [procesdeelnemer I] slechts heeft opgevolgd in de jaarrekening van 2012, maar niet in de concept notulen, is geen fout die tot schade kon leiden. Immers, voor de geldigheid van de bevriezing van de pensioenvoorziening voor het jaar 2012 was niet nodig dat het besluit was genotuleerd. Dat de beslissing om de pensioenvoorziening per 1 januari 2012 te bevriezen niet was genotuleerd kon op zichzelf dus niet tot (fiscale) schade leiden. Als de bevriezing van de pensioenvoorziening over 2012 wel zou zijn genotuleerd dan zou dat niet vanzelf ook gelden voor 2014 en daarna. Notuleren van bevriezing van de pensioenvoorziening in 2012 is voor de naheffingsaanslag over 2014 en later dus irrelevant. Dat in de AVA notulen bij de jaarstukken van 2012 niets staat over de bevriezing van de pensioenvoorziening rechtvaardigt daarom evenmin een vordering op grond van wanprestatie van [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] jegens [procesdeelnemer I] .

Verklaringen aan de Belastingdienst waren niet fout

4.7.

Dat [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] onjuist hebben verklaard bij de Belastingdienst blijkt niet uit de stukken. Daaruit blijkt eerder het tegendeel. [procesdeelnemer III] en [procesdeelnemer II] stelden bij de Belastingdienst desgevraagd vast dat er in de stukken niets stond over staking van de pensioenvoorziening. Dat klopt (zie 4.3 - 4.5).

Er was geen plicht om uit eigen beweging iets te zeggen over bevriezing

4.8.

Volgens [procesdeelnemer I] hadden [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] bij de bevraging door de Belastingdienst moeten melden dat de pensioenvoorziening over 2012 was bevroren. Dat is niet zo.

4.9.

De Belastingdienst bevroeg [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] vijf jaar nadat zij hun werk voor [procesdeelnemer I] hadden beëindigd. Onder die omstandigheden mocht van [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] verwacht worden dat zij de vragen zouden beantwoorden op basis van de stukken die zij voor zich kregen. Zij hoefden niet uit eigen beweging uit te wijden. Dat geldt temeer omdat het dan zou gaan om eventuele herinneringen aan een periode van vijf jaar voor de bevraging.

4.10.

[procesdeelnemer I] stelt niet dat de Belastingdienst vragen heeft gesteld over bevriezing van de pensioenvoorziening. [procesdeelnemer I] heeft ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] hadden moeten beseffen dat bevriezing van de pensioenvoorziening over 2012 relevant was voor de vragen die de Belastingdienst stelde aan [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] , met het oog op een onderzoek over de jaren 2014 en later. Dat [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] de Belastingdienst niets hebben gezegd over de bevriezing over 2012 is daarom ook niet fout.

4.11.

De conclusie is dat [procesdeelnemer II] noch [procesdeelnemer III] een fout heeft gemaakt die tot schade voor [procesdeelnemer I] heeft geleid. [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] zijn daarom niet aansprakelijk jegens [procesdeelnemer I] . De rechtbank wijst de vorderingen van [procesdeelnemer I] daarom af.

Verzuim van de klachtplicht staat hoe dan ook aan de vordering in de weg

4.12.

Ten overvloede wijst de rechtbank erop, dat ook als [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] wel hadden kunnen weten dat de bevriezing van 2012 relevant was, en van hen verwacht had kunnen worden dat zij daar iets over hadden gezegd tegen de Belastingdienst, dat niet maakt dat zij [procesdeelnemer I] de kosten van de bezwaarprocedure moeten vergoeden. Die kosten heeft [procesdeelnemer I] immers niet gemaakt omdat [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] zwegen, maar omdat er een naheffingsaanslag was waartegen [procesdeelnemer I] bezwaar maakte.

4.13.

Als [procesdeelnemer I] vond dat de naheffingsaanslag was veroorzaakt doordat [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] hadden gezwegen, dan had zij meteen moeten klagen bij [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] , en hen de keus moeten geven om het probleem op te lossen – de Belastingdienst alsnog vertellen van de bevriezing - of later de rekening te krijgen voor de oplossing. Daar was ruimschoots tijd voor. Door dat na te laten, en eerst zelf de kosten te maken en daarna pas gedaagden aansprakelijk te stellen, heeft [procesdeelnemer I] haar recht om vergoeding van de kosten van [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] te vorderen verspeeld (vgl art. 6:89 BW). Dat geldt ook voor zover [procesdeelnemer I] zich baseert op onrechtmatige daad. Het verwijt aan [procesdeelnemer II] en [procesdeelnemer III] is immers gegrond op een gebrekkige uitvoering van een verplichting die voor hen voortvloeide uit (de vroegere) overeenkomst met [procesdeelnemer I] .

In de vrijwaringszaak

4.14.

Nu de vordering in de hoofdzaak wordt afgewezen, is er aan [procesdeelnemer II] niets toe te wijzen. De vordering mist dus belang. Daarom wijst de rechtbank die vordering af.

5 Proceskosten

In de hoofdzaak

5.1.

[procesdeelnemer I] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5.2.

De kosten aan de zijde van [procesdeelnemer II] worden begroot op:

- griffierecht € 1.992,00

- salaris advocaat € 2.228,00 (2 punten x tarief € 1.114,00)

Totaal: € 4.220,00

5.3.

De nakosten aan de zijde van [procesdeelnemer II] zullen worden toegewezen tot het bedrag zoals door [procesdeelnemer II] gevorderd.

5.4.

De kosten aan de zijde van [procesdeelnemer III] worden begroot op:

- griffierecht € 914,00

- salaris advocaat € 2.228,00 (2,0 punt × tarief € 1.114,00)

Totaal € 3.142,00

In de vrijwaringszaak

5.5.

[procesdeelnemer II] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Bij het vaststellen van de kosten in de vrijwaring zal de rechtbank uitgaande van de onderlinge samenhang tussen de hoofdzaak en de vrijwaringszaak, de kosten voor salaris van de advocaat vermenigvuldigen met de factor 0,5.

De kosten aan de zijde van [procesdeelnemer IV] worden begroot op:

- griffierecht € 914,00

- salaris advocaat € 1.114,00 (2,0 punt x 0,5 x × tarief € 1.114,00)

Totaal € 2.028,00

5.6.

De nakosten aan de zijde van [procesdeelnemer IV] zullen worden toegewezen.

6 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [procesdeelnemer I] in de kosten van de hoofdzaak, aan de zijde van [procesdeelnemer II] tot op heden begroot op € 4.220,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling; en aan de zijde van [procesdeelnemer III] tot op heden begroot op € 3.142,00;

6.3.

veroordeelt [procesdeelnemer I] in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van [procesdeelnemer II] begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [procesdeelnemer I] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

6.4.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de vrijwaringszaak

6.5.

wijst de vorderingen af;

6.6.

veroordeelt [procesdeelnemer II] in de proceskosten, aan de zijde van [procesdeelnemer IV] tot op heden begroot op € 2.028,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.7.

veroordeelt [procesdeelnemer II] in de na dit vonnis ontstane kosten, aan de zijde van [procesdeelnemer IV] begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [procesdeelnemer I] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak

6.8.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021.1

1 type: OB/48196 coll: IP/