Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2074

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
UTR 20/4383
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ontslaguitkering tot 65 jaar, AOW-leeftijd opgehoogd, geen onderscheid naar leeftijd, geen strijd met motiveringsbeginsel of gelijkheidsbeginsel, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/4383


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: drs. S.H. Springer),

en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. van Keeken).

Inleiding en procesverloop

Eiser is geboren op [1960] . Hij is tot [2015] werkzaam geweest bij de politie in de functie van vlieger. Verweerder heeft aan eiser bij besluit van 30 maart 2015 met ingang van [2015] functioneel leeftijdsontslag (FLO) verleend.1

Bij besluit van 9 juli 2015 is aan eiser met ingang van [2015] een ontslaguitkering toegekend op grond van de Regeling ontslaguitkering vliegers Landelijke eenheid (de Regeling). Op grond van deze Regeling, zoals die gold tot 26 juli 2016 (de Regeling (oud)), eindigde de ontslaguitkering met ingang van de eerste dag van de maand die volgde op de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikte. Met ingang van 26 juli 2016 is de Regeling gewijzigd, in die zin dat de ontslaguitkering sindsdien eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene de AOW2-gerechtigde leeftijd heeft bereikt (de Regeling (nieuw)).

Op 30 januari 2020 heeft eiser verweerder verzocht om zijn ontslaguitkering te laten aansluiten op zijn AOW-leeftijd. Eiser heeft recht op AOW vanaf [2027] , nadat hij op [datum] 67 jaar zal worden.

In het besluit van 4 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder eisers verzoek afgewezen. In het besluit van 9 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2021 via Skype for Business. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn voormalig leidinggevende [voormalig leidinggevende] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [A] .

Overwegingen

Bestaat er een wettelijke grondslag voor het verzoek van eiser?

1. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met de wet- en regelgeving.

2. Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c van de Regeling (oud) eindigt het recht op de uitkering met ingang van de dag waarop eiser de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Gelet op de datum van toekenning van de ontslaguitkering, is deze bepaling van toepassing op de situatie van eiser.

3. De rechtbank stelt vast dat eiser met zijn verzoek van 30 januari 2020 heeft beoogd dat verweerder de uitkering tot aan zijn AOW-gerechtigde leeftijd van 67 jaar toekent. Niet gesteld of gebleken is dat er een wettelijke grondslag is om van het bepaalde in voornoemd artikellid af te wijken. De Regeling (oud) voorziet daar niet in. De rechtbank ziet in de afwijzing van het verzoek door verweerder dan geen strijd met de wet- en regelgeving ontstaan. De beroepsgrond slaagt niet.

Is er sprake van strijd met het rechtszekerheids- en/of het zorgvuldigheidsbeginsel?

4. Eiser voert ook aan dat sprake is van strijd met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. De ontslagleeftijd van 55 jaar is altijd gehandhaafd als ingangsdatum. Nooit is overeengekomen dat de uitkeringsduur gemaximeerd was op 10 jaar. Altijd is aangegeven dat de uitkering aansloot op de aanvraag van het ouderdomspensioen van (toentertijd) 65 jaar. Verweerder moet de Regeling volgens eiser dan ook uitleggen zoals hij is gecommuniceerd met eiser en bedoeld is. Het is niet redelijk om later de spelregels te veranderen. Verweerder gedraagt zich dan ook niet zoals het een goed werkgever betaamt.

5. De beroepsgrond slaagt niet. De Regeling (oud) voorziet in de uitkering van eiser tot de leeftijd van 65 jaar. Dat de leeftijd van 65 jaar samenhangt met de AOW-gerechtigde leeftijd zoals die toentertijd gold, is onvoldoende voor het oordeel dat het uitdrukkelijk de bedoeling is geweest om bij eventuele toekomstige veranderingen in de AOW-gerechtigde leeftijd de einddatum van de Regeling (oud) op te schuiven. De Regeling (oud) biedt daar ook geen mogelijkheden toe. Dat dit anders is gecommuniceerd met eiser, is niet onderbouwd of gebleken. Dat verweerder zich niet als een goed werkgever gedraagt, ziet de rechtbank dan ook niet. Juist voor situaties als die van eiser voorziet de Regeling (nieuw) namelijk in een compensatie en/of tegemoetkoming3 tot eisers pensioengerechtigde leeftijd. Dat de ontslaguitkering van eiser in plaats daarvan verlengd moet worden tot aan zijn 67ste, ziet de rechtbank dan ook niet.

Is er sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel?

6. Eiser stelt dat hij er, gelet op de totstandkoming en achterliggende gedachte van de Regeling (oud), op mocht vertrouwen dat zijn ontslaguitkering zou doorlopen tot het moment waarop hij recht krijgt op een AOW-uitkering.

7. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De rechtbank verwijst hierbij naar rechtsoverweging 15 van de uitspraak van deze rechtbank van 1 september 20204, waarin in een vergelijkbare zaak is geoordeeld dat niet aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel wordt voldaan. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen aanknopingspunt om in deze zaak tot een ander oordeel te komen.

Is er sprake van een (verboden) onderscheid naar leeftijd?

8. Eiser voert aan dat verweerder handelt in strijd met de Wet Gelijke Behandeling op grond van Leeftijd bij arbeid (WGBL), omdat sprake is van een verboden onderscheid naar leeftijd. Volgens eiser wordt hij ongelijk behandeld ten opzichte van politievliegers met FLO die jonger dan eiser zijn. Zij krijgen namelijk wel een uitkering op grond van de Regeling tot aan hun AOW-gerechtigde leeftijd. Ook wordt eiser ongelijk behandeld ten opzichte van oudere politievliegers met FLO. Zij hebben namelijk een minder groot AOW-gat en ervaren dus een minder groot financieel nadeel. Volgens eiser moeten bij hem de bestaande afspraken en arbeidsvoorwaarden worden gerespecteerd, wat inhoudt dat het einde van de uitkering naadloos aansluit op de aanvang van het ouderdomspensioen. Omdat de AOW-leeftijd van eiser is verhoogd, moet verweerder de Regeling daarop aanpassen.

Voorts ontbreekt een legitiem doel voor het verboden onderscheid en is de AOW-compensatie geen juist middel voor het onderscheid.

9. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst naar voormelde uitspraak van deze rechtbank van 1 september 2020, waarin in rechtsoverweging 17 is geoordeeld dat de uitvoering van de Regeling (oud of nieuw) niet leidt tot een onderscheid naar leeftijd, omdat – kort gezegd – de duur van de ontslaguitkering ongeacht de leeftijd maximaal 10 jaar blijft. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Nu geen sprake is van een (verboden) onderscheid naar leeftijd, komt de rechtbank aan de vervolgvragen met betrekking tot het legitieme doel en middel niet toe.

Is er sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?

10. Eiser voert aan dat de bestaande afspraken en arbeidsvoorwaarden voor de top van de Nationale Politie wel worden gerespecteerd. Deze functionarissen behoorden net als eiser tot de executieve politieambtenaren. Er is dus sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld, aldus eiser.

11. De beroepsgrond slaagt niet. Niet onderbouwd of gebleken is dat de situatie van de door eiser genoemde functionarissen qua rechtspositie en uitkeringsaanspraken vergelijkbaar is met die van eiser.

Is er sprake van strijd met het motiveringsbeginsel?

12. Eiser stelt ook dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Aan eiser is namelijk geen inkomensoverzicht verstrekt. Onduidelijk is dan, wat de financiële gevolgen zijn voor eiser bij toepassing van de compensatieregel/tegemoetkoming.

12. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit ziet op afwijzing van het verzoek tot wijziging van de einddatum van de uitkering. Het bestreden besluit ziet niet op de (toekenning van de) compensatieregel of tegemoetkoming uit artikel 13a en 13b van de Regeling (nieuw). Dat verweerder ter onderbouwing van het bestreden besluit een inkomensoverzicht met betrekking tot de compensatieregel had moeten overleggen, ziet de rechtbank dan ook niet. De rechtbank acht hierbij mede van belang dat eiser heeft op grond van de Regeling (nieuw) aanspraak op de compensatieregeling op grond waarvan hij aanspraak heeft op ten minste 90% van de gerechtvaardigde aanspraak. Ter zitting is verklaard dat geen onduidelijkheid bestaat over die aanspraak. Het beroep van eiser op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 december 20185 gaat daarom niet op.

Conclusie

14. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd. onder meer over het ABP, het advies van de Raad van State van 10 juli 2013 en de Richtlijn 2000/78/EG, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu dit niet de kern van het geschil raakt.

15. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

de rechter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Op grond van artikel 88a, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) in samenhang met de Aanvullende Flexibele Uittredingsregeling politie (AFUP).

2 Algemene Ouderdomswet.

3 Artikel 13b, eerste lid, van de Regeling (nieuw)

4 ECLI:NL:RBMNE:2020:4223

5 ECLI:NL:CRVB:2018:4031