Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2072

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
UTR 20/1627
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouw twee-onder-een-kapwoningen. Deels op elkaars bestemmingsvlak. Dat is in strijd met bp. Dat er een uitzondering is op de regels voor afstand tot de erfgrens doet daar niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1627


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2021 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. W.J. Vonk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum, verweerder

(gemachtigde: mr. F. van Lent).

Als derde-partijen nemen aan het geding deel: [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2], te [woonplaats] , vergunninghouders

(gemachtigde: mr. J.J.W. Lamme).

Inleiding

1. Vergunninghouders hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van twee twee-onder-één-kapwoningen, de kap van bomen en de aanleg van twee uitritten aan de [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in [woonplaats] . Eiser woont op [adres] [huisnummer 3] , naast nummer [huisnummer 2] .

2. Het college heeft in een besluit van 29 juli 2019 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De vergunning is verleend voor de activiteiten bouwen en gebruik in strijd met het bestemmingsplan, met gebruik van een binnenplanse afwijking voor de kapvorm. In een beslissing op bezwaar van 6 maart 2020 heeft het college de motivering aangevuld en besloten gebruik te maken van een binnenplanse afwijking voor de afstand van nummer [huisnummer 2] tot de zijdelingse erfgrens. Eiser is in beroep gegaan tegen de beslissing op bezwaar.

3. Het beroep is behandeld op de zitting van 11 maart 2021. Eiser was daarbij aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het college is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghouders waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigde.

Beoordeling

4. Eiser heeft beroepsgronden aangevoerd over de zorgvuldigheid, het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de Welstandsnota, de belangenafweging, de bomenkap en de uitritten. De rechtbank beoordeelt eerst de beroepsgronden hierna en bespreekt vervolgens wat de consequenties van die beoordeling zijn. Eiser heeft ook beroepsgronden aangevoerd over de activiteit monument en over de kapvorm, maar die heeft hij op de zitting ingetrokken.

De zorgvuldigheid

5. Eiser voert aan dat de besluitvorming niet zorgvuldig is gegaan. De publicatie van de vergunning bevatte niet alle informatie. Volgens eiser is het dossier niet compleet en reageert het college steeds erg laat. Eiser voert ook aan dat volgens hem de beslissing op bezwaar onbevoegd is genomen, want die is door een ambtenaar ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in de beslissing op bezwaar terecht overwogen dat eiser door de ontbrekende informatie in de publicatie niet in zijn belangen is geschaad. Dat er stukken ontbreken in het dossier is niet gebleken, met uitzondering van een archeologisch rapport waar de rechtbank nog op terugkomt. De beslissing op bezwaar is door een ambtenaar ondertekend. Het Mandaatbesluit verzet zich daar niet tegen. Daarin is de afdoening van beslissingen op bezwaar uitgezonderd, maar de ondertekening niet. De gemachtigde van het college heeft op de zitting bevestigd dat het besluit door het college is genomen. De rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Het bestemmingsplan

6. [adres] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] hebben binnen het bestemmingsplan Villagebieden de bestemming Wonen, en de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 1. In de beslissing op bezwaar heeft het college twee binnenplanse afwijkingen toegepast: een afwijking voor de kapvorm en een afwijking voor de afstand van nummer [huisnummer 2] tot de zijdelings erfgrens.

7. Eiser voert aan dat het college in het kader van de dubbelbestemming voorwaarden op had moeten nemen over booronderzoek. Er is wel bureauonderzoek gedaan, maar eiser vindt de conclusies daarvan niet logisch en tegenstrijdig. Het college noemt ook nog een later verkennend booronderzoek, maar het rapport daarvan zit niet in het dossier. De rechtbank heeft op de zitting beslist dat het rapport niet meer aan het dossier toegevoegd hoeft te worden. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze beroepsgrond van eiser in verband met het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht niet slagen. De regels voor de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 1 zijn namelijk niet bedoeld ter bescherming van de belangen van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

8. In artikel 18.2.1 onder f van de planregels is de bouw van twee-onder-één-kapwoningen toegestaan. Eiser voert aan dat die bepaling niet voor dit gebied geldt, omdat in de toelichting bij de planregels wordt aangegeven dat in dit gebied verdichting wordt tegengegaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van de planregel duidelijk, en daarom komt de rechtbank niet toe aan interpretatie vanuit de toelichting. Het bouwplan is niet in strijd met dit artikel. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Op grond van artikel 18.2.6 onder b van de planregels mag de afstand tot de zijdelingse perceelgrens niet minder dan 7 meter zijn. In sub f staat een uitzondering voor smalle percelen, daar mag de afstand niet minder dan 5 meter zijn. Omdat de afstand in het bouwplan minder dan 5 meter is, heeft het college de binnenplanse afwijking uit artikel 18.4.1 toegepast. Daarin staat dat afgeweken mag worden van artikel 18.2.6 onder b. De afstand moet dan minimaal 3 meter zijn en mag niet minder worden dan de bestaande afstand. Eiser voert aan dat deze binnenplanse afwijking hier niet gebruikt mag worden, want in dit geval is niet artikel 18.2.6 sub b maar sub f aan de orde. Ook is volgens hem niet voldaan aan de voorwaarde dat de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit niet onevenredig mag worden aangetast. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de binnenplanse afwijking wel gebruikt worden. De hoofdregel is artikel 18.2.6 onder b. Daar bestaan twee uitzonderingen op, artikel 18.2.6 onder f en artikel 18.4.1. Die uitzonderingen sluiten elkaar niet uit en mogen afzonderlijk van elkaar toegepast worden. Dat de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit onevenredig worden aangetast is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

10. Op grond van artikel 18.2.6 onder g van de planregels mag het gebouw niet breder zijn dan de helft van het bouwperceel. Die breedte wordt in het bouwplan overschreden. In sub h van artikel 18.2.6 is bepaald dat sub g niet van toepassing is als de bestaande breedte al meer is dan de helft van het perceel. Eiser voert aan dat sub h in dit geval niet van toepassing is, omdat er sprake is van nieuwbouw. Dan is volgens eiser geen sprake meer van een bestaande breedte. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet. In sub h is nieuwbouw niet uitgezonderd. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Op grond van artikel 18.2.1 onder b van de planregels is per bestemmingsvlak ten hoogste één woning toegestaan. Eiser voert aan dat woning nummer [huisnummer 2] voor een deel het bestemmingsvlak van nummer [huisnummer 1] overschrijdt. Het college stelt zich op het standpunt dat deze planregel voor twee-onder-één-kapwoningen niet geldt, omdat in artikel 18.2.6 onder e van de planregels staat dat de afstand tot de perceelsgrens niet van toepassing is op bouwen langs de gemeenschappelijke perceelsgrens van hoofdgebouwen die aaneen worden gebouwd. Naar het oordeel van de rechtbank verandert een uitzondering op de regels over de afstand tot de gemeenschappelijke perceelsgrens niets aan de regels over het aantal woningen per bestemmingsvlak. In artikel 18.2.1 onder b staat duidelijk dat er ten hoogste één woning per bestemmingsvlak is toegestaan. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt daaruit dat het niet is toegestaan om naast één woning ook nog een deel van een andere woning op het bestemmingsvlak te bouwen. De overschrijding is niet gering. Dat alle essentiële onderdelen zoals de keuken en badkamer op het eigen bestemmingsvlak van nummer [huisnummer 2] liggen, zoals de vergunninghouders stellen, maakt geen verschil. Het bouwplan is in strijd met artikel 18.2.1 onder b van de planregels. De verlening van de vergunning is daarom in strijd met artikel 2.10, eerste lid onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De beroepsgrond slaagt.

Het Bouwbesluit

12. Eiser voert aan dat de vergunninghouders niet aannemelijk hebben gemaakt dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit, omdat onvoldoende gegevens over de fundering zijn ingediend. Eiser is bang dat bij een verzakking de beeldkwaliteit van de omgeving achteruit gaat en de beuk die bij de woningen staat gevaar loopt. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze beroepsgrond in verband met het relativiteitsvereiste niet slagen, omdat de regels in het Bouwbesluit over funderingen niet bedoeld zijn ter bescherming van de belangen van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

De Welstandsnota

13. De commissie voor ruimtelijke kwaliteit heeft op 22 mei 2019 een principeadvies uitgebracht, waarin gesteld wordt dat bij zorgvuldige afwerking sprake zal zijn van een aantrekkelijk vormgegeven bebouwingsbeeld dat zich op een welstandshalve aanvaardbare wijze zal voegen in het omgevingsbeeld. Op 8 juli 2019 heeft de commissie een positief stempeladvies afgegeven over het definitieve bouwplan. Eiser is het niet eens met dit positieve advies. Hij vindt een bouwwerk van dit formaat op deze plek buitenproportioneel en niet passend. Volgens hem wordt de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit erdoor aangetast. De bebouwing wordt gedicht, de groene tussenruimte wordt opgeheven. Eiser vraagt zich af of de commissie wel een goed beeld heeft van de omgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college afgaan op het welstandsadvies. De grootte van het bouwwerk en het aaneenbouwen van de woningen is conform het bestemmingsplan. In dat bestemmingsplan zijn al stedenbouwkundige afwegingen gemaakt. Wat eiser aanvoert is onvoldoende concreet voor twijfel aan het advies, en hij heeft geen tegenadvies ingediend. De beroepsgrond slaagt niet.

De belangenafweging

14. Eiser voert aan dat het college geen goede belangenafweging heeft gemaakt. Hij is bang voor parkeeroverlast als er twee huishoudens komen wonen. De rechtbank stelt voorop dat op grond van het bestemmingsplan al twee woningen op de percelen zijn toegestaan. Bij de belangenafweging in het kader van de goede ruimtelijke ordening moet het college de belangen afwegen die betrekking hebben op de afwijking van het bestemmingsplan (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2487). De belangen die eiser aanvoert hebben geen betrekking op de dakvorm of de afstand tot de erfgrens. Die wegen dus niet mee in de belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.

De bomenkap

15. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 6 bomen. Een groendeskundige van de gemeente heeft een quickscan uitgevoerd en geconstateerd dat er geen sprake is van weigeringsgronden. Volgens de deskundige biedt de kap van de bomen juist meer ruimte voor een oude beuk. Eiser is het niet eens met de bomenkap. Hij stelt dat sprake is van een kaalslag en vindt de onderbouwing door de deskundige onvoldoende. De nieuwbouw staat namelijk dichter bij de oude beuk dan de bomen die gekapt worden. Die oude beuk komt door de nieuwbouw volgens eiser in gevaar. Volgens eiser staat één van de bomen ook deels op het perceel van een buurman, en kan die daarom niet gekapt worden. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college afgaan op de beoordeling door de groendeskundige. Eiser heeft daar onvoldoende tegen ingebracht om aan dat advies te twijfelen. De oude beuk valt buiten de kapvergunning. Dat één van de bomen mandelig is heeft eiser onvoldoende onderbouwd. Het college heeft op de zitting luchtfoto’s laten zien, waarop te zien is dat de stam van de boom op het perceel van vergunninghouders staat. De beroepsgrond slaagt niet.

16. De groendeskundige heeft geadviseerd dat er twee bomen herplant moeten worden. Eiser voert aan dat het college wel als voorschrift bij de vergunning heeft opgenomen dat er herplant moet plaatsvinden, maar dat daar niet bij staat dat het om twee bomen moet gaan. De rechtbank stelt vast dat dit inderdaad niet in de voorschriften is opgenomen. Het college had dit naar het oordeel van de rechtbank wel moeten doen, want het voorschrift is nu niet specifiek genoeg. De beroepsgrond slaagt.

17. In de kapvergunning is niet bepaald dat met het kappen van de bomen gewacht moet worden totdat de bouwvergunning onherroepelijk is geworden. Eiser voert aan dat het college dat wel had moeten bepalen. De rechtbank stelt vast dat dit inderdaad niet in de kapvergunning is bepaald. Eiser heeft dit in bezwaar ook aangevoerd, maar het college heeft in de beslissing op bezwaar niet op dit bezwaar beslist. Dat is in strijd met de motiveringsplicht uit artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond slaagt.

De uitritten

18. Het college heeft een vergunning verleend voor de aanleg van twee uitritten. Op 12 februari 2020 heeft een verkeersdeskundige van de gemeente geadviseerd dat er geen sprake is van weigeringsgronden. Er is geen sprake van gevaar voor het verkeer op de weg, want de uitritten komen niet op een onverwachte of onveilige locatie. De uitritten sluiten aan bij de naastgelegen uitritten van de buurwoningen. De verkeersdeskundige heeft geadviseerd voorwaarden op te nemen in de vergunning, en die zijn ook als voorschrift in de vergunning opgenomen.

Eiser voert aan dat de uitritten onveilig zijn. De uitritten liggen vlak na een gevaarlijke bocht. Volgens hem wordt op deze uitritten logischerwijs achteruit uitgereden, in plaats van vooruit zoals bij de buren. De vergunninghouders moeten volgens de voorschriften zorgen voor voldoende uitrijzicht, maar ze hebben geen invloed op de begroeiing die de buren plaatsen.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college afgaan op het advies van de verkeersdeskundige. Eiser stelt dat de verkeerssituatie niet veilig is, maar hij heeft dat niet met een tegenadvies onderbouwd. Wat eiser aanvoert is onvoldoende om aan het advies te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

19. De rechtbank heeft beoordeeld dat er sprake is van de volgende gebreken in de beslissing op bezwaar: in strijd met artikel 18.2.1 onder b van de planregels wordt de woning op nummer [huisnummer 2] deels op het bestemmingsvlak van nummer [huisnummer 1] gebouwd, het college had in de voorschriften moeten opnemen dat er twee bomen herplant moeten worden en het college had moeten beslissen of met het kappen van de bomen gewacht moest worden totdat de bouwvergunning onherroepelijk is geworden.

20. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook past de rechtbank niet een bestuurlijke lus toe, omdat dat volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen en daarbij rekening houden met deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend: De bijstand door een gemachtigde levert 4 punten op (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 534,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.136,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.136,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. van der Knijff, griffier. De beslissing is uitgesproken op 22 april 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.