Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2071

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
9106276 MV EXPL 21-34
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Overlijden procespartij, artikel 225 en 227 Rv. Opzegging van een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 7:232 lid 3 BW (hospitaverhuur). Ontruiming van de woning en toegang erfgenamen in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/11, UDH:S&E HW/50592 met annotatie van Gerard Scholten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Almere

zaaknummer: 9106276 MV EXPL 21-34

Kort geding vonnis van 18 mei 2021

inzake

DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN WIJLEN [A],

woonplaats kiezende te [woonplaats] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.J. Schimmel,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. M.P. Harten.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als erven [erven] en [gedaagde] . Wijlen [A] wordt hierna [erven] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties, van 26 maart 2021;
- de e-mail aan de zijde van [erven] van 1 april 2021, houdende overlegging aanvullende producties;
- de akte aan de zijde van [erven] van 6 april 2021, houdende schorsing van het geding, met een productie;

- de akte aan de zijde van [erven] van 19 april 2021, houdende hervatting van het geding, met producties;
- de dagvaarding, met producties, van 26 april 2021;
- de e-mail aan de zijde van [gedaagde] van 3 mei 2021, met een productie;

- de e-mail aan de zijde van [gedaagde] van 4 mei 2021, met een productie.

1.2.

Bij akte van 6 april heeft mr. Schimmel op grond van artikel 225 Rv de schorsing van de procedure ingeroepen wegens het overlijden van [A] . De op 6 april 2021 geplande mondeling behandeling is niet doorgegaan.

1.3.

Bij akte van 19 april 2021 heeft mr. Schimmel aangekondigd de procedure namens de erven [erven] te willen hervatten. Vervolgens hebben de erven [erven] bij dagvaarding van 26 april 2021 [gedaagde] in kort geding gedagvaard en daarmee de procedure op grond van artikel 227 Rv hervat.

1.4.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 mei 2021. Op deze behandeling zijn namens de erven [erven] verschenen [B] en [C] , zijnde de broers van [A] , bijgestaan door mr. M.J. Schimmel. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. M.P. Harten. Partijen hebben het woord gevoerd, mr. Schimmel en mr. Harten aan de hand van spreekaantekeningen, welke aan het dossier zijn toegevoegd.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] huurt een woning met berging en garage aan de [adres] in [woonplaats] .

2.2.

Met ingang van 20 november 2020 verhuurt [A] aan [gedaagde] voor onbepaalde tijd een in deze woning gelegen kamer van 15 m2. Van de huur maakt onderdeel uit het gebruik door [gedaagde] van de keuken, woonkamer, douche, toilet, balkon, berging en garage.

2.3.

Bij deurwaardersexploot van 22 februari 2021 heeft [A] de huurovereenkomst met [gedaagde] opgezegd tegen 31 mei 2021.

2.4.

Bij brief aan [A] van 25 maart 2021 heeft de hoofdverhuurder medegedeeld dat de onderverhuur aan [gedaagde] strijdig is met de hoofdhuurovereenkomst en is [A] gesommeerd om deze onderhuur te beëindigen. In de brief wordt vanaf de dagtekening aanspraak gemaakt op een contractuele boete van € 45,00 per dag en is een vordering tot winstafdracht aangezegd, mocht het tot een gerechtelijke procedure komen.

2.5.

Op [2021] is [A] overleden.

2.6.

Op 19 april 2021 hebben de erven [erven] de hoofdhuurovereenkomst van de woning opgezegd tegen 1 juni 2021.

3 Het geschil

3.1.

De erven [erven] vorderen bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. veroordeling van [gedaagde] om het gehuurde aan de [adres] in [woonplaats] binnen 48 uur, althans binnen 14 dagen, na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan haar toebehoren en niet aan de erven [erven] , en om het gehuurde met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van de erven [erven] te stellen;

II. althans die beslissing te wijzen, die de kantonrechter in goede justitie juist acht;

III. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten inclusief nakosten.

3.2.

Ter onderbouwing van die vordering stellen de erven [erven] – samengevat – het volgende. Tussen [A] en [gedaagde] is sprake van een hospitahuurovereenkomst welke is opgezegd tegen 31 mei 2021. [gedaagde] heeft aangegeven niet in te stemmen met de opzegging en niet te willen vertrekken. Daarnaast heeft [gedaagde] ernstige overlast bij [A] en omwonenden veroorzaakt, onder meer door regelmatig tegen [A] te schreeuwen, haar uit te schelden, een buurvrouw aan te vallen en te blowen. Ook heeft [gedaagde] een huurachterstand laten ontstaan en heeft zij de erven [erven] de toegang tot de woning ontzegt, waardoor zij de nalatenschap van [A] niet kunnen afwikkelen en de eigendommen van [A] niet kunnen veiligstellen. Voorts loopt de contractuele boete wegens schending van de hoofdhuurovereenkomst op. [gedaagde] gedraagt zich hierdoor niet als een goed huurder, waardoor voldoende aannemelijk is dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure toegewezen zal worden.

3.3.

[gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering en heeft daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Zij betwist dat [B] en [C] de gezamenlijke erfgenamen van [A] zijn. Ook betwist [gedaagde] overlast te hebben veroorzaakt. [gedaagde] stelt dat er pas onenigheid is ontstaan vanaf het moment dat [A] heeft aangegeven de huur te willen beëindigen en [A] haar voorstel om [gedaagde] bij een verhuizing financieel tegemoet te komen, niet wilde nakomen. Ten slotte betwist [gedaagde] dat de erven [erven] een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening hebben, ten eerste omdat [A] is overleden en ten tweede omdat [gedaagde] haar huurdersrechten ten minste tot 31 mei 2021 kan doen gelden, zodat een ontruimingsvordering voor die datum geen grondslag heeft en prematuur is.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[gedaagde] heeft allereerst het erfgenaamschap van [B] en [C] bij gebrek aan wetenschap betwist, zodat volgens haar niet vaststaat dat zij de rechtsopvolgers van [A] zijn. Om die reden dienen de erven [erven] niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus [gedaagde] .

4.2.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [B] verklaard dat hij en [C] de enige twee broers van [A] zijn, dat [A] geen zusters heeft, dat [A] geen kinderen heeft, dat [A] niet (meer) is getrouwd, dat de ouders van [A] zijn overleden en dat zij een notaris onderzoek hebben laten doen in het Centraal Testamentenregister, waaruit is gebleken dat [A] geen testament heeft opgemaakt. [gedaagde] heeft daarop enkel aangegeven deze kwestie aan het oordeel van de kantonrechter over te laten. Onder deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat in dit kort geding voldoende aannemelijk is dat [B] en [C] krachtens versterferfrecht de gezamenlijke erfgenamen van [A] zijn, zodat het geding op hun naam kon worden hervat en worden voortgezet.

4.3.

In het kader van dit kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen van de erven [erven] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals is gevorderd. Het navolgende is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.4.

In artikel 7:232 lid 3 BW is bepaald dat de in dat artikellid genoemde wetsartikelen (die onder andere op de bescherming van de positie van de huurder zien) gedurende negen maanden na het ingaan van de huurovereenkomst (de proefperiode) niet van toepassing zijn op de huur van woonruimte die niet een zelfstandig woning vormt en deel uitmaakt van een woning waarin de verhuurder zijn hoofdverblijf heeft en waarin niet eerder aan dezelfde huurder deze of andere woonruimte is verhuurd (ook wel hospitaverhuur genoemd). Indien aan deze voorwaarden is voldaan, hetgeen [gedaagde] niet heeft betwist, dan kan de verhuurder binnen de gestelde periode de huurovereenkomst opzeggen zonder vermelding van gronden en zonder dat er een rechterlijke toets plaatsvindt. In dit geval heeft [A] de huurovereenkomst op 22 februari 2021 opgezegd tegen 31 mei 2021. Deze opzegging is, blijkens het voorgaande, rechtsgeldig.

4.5.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat de huurovereenkomst op 31 mei 2021 eindigt en [gedaagde] vanaf die datum geen recht of titel meer heeft om in de woning te verblijven. Omdat onder meer uit geluidsopnames blijkt dat [gedaagde] meerdere malen heeft aangegeven de woning niet (vrijwillig) te zullen verlaten en zij ook tijdens de mondelinge behandeling hier niet uitdrukkelijk afstand van heeft genomen, ziet de kantonrechter voldoende aanleiding om de gevorderde ontruiming van de woning toe te wijzen tegen 31 mei 2021. Dit geldt te meer nu de erven [erven] er belang bij hebben om de nalatenschap van [A] af te wikkelen en verder oplopende (door de hoofdverhuurder aangezegde) contractuele boetes te voorkomen. In het voorgaande is dan ook het spoedeisend belang van de erven [erven] bij de ontruiming tegen deze datum gelegen.

4.6.

Verder moet beoordeeld worden of er aanleiding bestaat om de ontruiming al vóór 31 mei 2021 toe te wijzen. De kantonrechter ziet hier onvoldoende aanleiding toe, omdat het spoedeisend belang van de erven [erven] daarvoor ontbreekt. Het gaat dan immers slechts over een periode van nog geen twee weken. Bovendien is [A] tijdens de procedure overleden, zodat de gestelde onhoudbare situatie waarin Koster verkeerde in verband met het schreeuwen en schelden van [gedaagde] , wat daar verder ook van zij, geen spoedeisend belang (meer) kan opleveren. Ook het vermeende blowen van [gedaagde] en de gestelde huurachterstand, volgens de erven [erven] op het moment van overlijden anderhalve maand, leveren geen spoedeisend belang op om eerder dan 31 mei 2021 tot ontruiming over te gaan. Dit betekent dat de gestelde tekortkomingen van [gedaagde] verder niet besproken hoeven te worden.

4.7.

De erven [erven] hebben ten slotte gevorderd dat de kantonrechter die beslissing wijst die zij in goede justitie juist acht. Tijdens de mondelinge behandeling hebben de erven [erven] aangevoerd dat zij toegang tot de woning moeten hebben om de nalatenschap van [A] af te wikkelen, om de in de nalatenschap vallende goederen elders onder te brengen en om een voor- en eindinspectie uit te kunnen laten voeren in het kader van de oplevering van de woning aan de hoofdverhuurder op 1 juni 2021. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] hieraan medewerking moet verlenen. Nu [gedaagde] niet heeft niet betwist dat zij de erven [erven] op dit moment de toegang tot de woning ontzegt, zal de kantonrechter haar veroordelen om de erven [erven] per direct toegang te verlenen, voor zover dit voor de uitvoering van het bovenstaande noodzakelijk is.

4.8.

Nu partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zal de kantonrechter de proceskosten geheel compenseren op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres] te [woonplaats] , waaronder begrepen de berging en garage, per 31 mei 2021 te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan haar toebehoren en niet aan de erven [erven] , en om deze woning met afgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van de erven [erven] te stellen;

5.2.

beveelt [gedaagde] om de erven [erven] per direct toegang te verlenen tot de woning aan de [adres] in [woonplaats] , waaronder begrepen de berging en garage, voor zover dit voor de erven [erven] noodzakelijk is om de nalatenschap van [A] af te wikkelen, de in de nalatenschap van [A] vallende goederen elders onder te brengen en de woning leeg en ontruimd op te leveren aan de hoofdverhuurder, waaronder begrepen het verlenen van medewerking aan een voor- en eindinspectie van de woning;

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M van Wegen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2021.