Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2070

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
20-05-2021
Zaaknummer
8882571 UC EXPL 20-9563 LH/1040
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Incident tot opheffing van conservatoire beslagen die de gewezen werkgever heeft gelegd ten laste van de ex-werkneemster. Overtreding van geheimhoudingsbeding in de arbeidsovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0635
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8882571 UC EXPL 20-9563 LH/1040

Vonnis in incident van 12 mei 2021

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[partij I] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [partij I] ,

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

gemachtigde: mr. S.D. Worotikan,

tegen:

[partij II] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [partij II] ,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

gemachtigde: mr. L.V. Claassens.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Verwezen wordt naar het incidentele tussenvonnis van 3 maart 2021, waarbij een comparitie is bepaald. In de hoofdzaak is inmiddels door [partij II] van antwoord geconcludeerd en een eis in reconventie ingesteld. [partij I] heeft in de hoofdzaak nadere producties overgelegd.

1.2.

De zitting in het incident heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 30 april 2021. Daaraan heeft aan de zijde van [partij I] deelgenomen de heer [A] (statutair bestuurder), vergezeld door mr. Worotikan. [partij II] nam aan de zitting deel, vergezeld door mr. Claassens. Partijen hebben de standpunten nader toegelicht. Ter zitting bleek dat mr. Worotikan kort tevoren een pleitnota had gemaild, maar die had de kantonrechter niet bereikt. Mr. Worotikan is in de gelegenheid gesteld uit haar aantekeningen voor te dragen en zij heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Het overleggen van de aantekeningen zelf is niet toegestaan. Partijen hebben geantwoord op vragen van de kantonrechter en zij hebben op elkaar kunnen reageren. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.

1.3.

Daarna is vonnis in het incident bepaald.

2 De verdere beoordeling van het incident

2.1.

Het gaat in dit incident nog om de vraag of hetgeen [partij I] aan de door haar ten laste van [partij II] (op haar bankrekening en haar woning) gelegde conservatoire beslagen ten grondslag heeft gelegd deze beslaglegging ter verzekering van haar gepretendeerde vordering op [partij II] kan rechtvaardigen, zoals [partij I] betoogt, of dat van [partij II] - zoals zij daartegenover meent - niet kan worden gevergd deze beslagen te dulden totdat in de hoofdzaak op de vordering van [partij I] is beslist. De kantonrechter beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend en overweegt het volgende.

2.2.

[partij I] heeft aan haar vordering in de hoofdzaak ten grondslag gelegd dat [partij II] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden dat deel uitmaakte van de arbeidsovereenkomst die tussen partijen heeft bestaan. Dat beding verplicht [partij II] om, ook na het dienstverband, tegenover derden strikte geheimhouding te betrachten omtrent alles wat bij de uitoefening van haar functie te harer kennis is gekomen ‘in verband met de zaken en belangen van werkgever’. Het beding verbiedt haar om tegenover derden gebruik te maken van gegevens van cliënten of andere relaties van [partij I] waarvan [partij II] uit hoofde van haar functie - zij was personal assistant van de directeur van [partij I] - kennis heeft genomen. In het bedrijfsreglement van [partij I] is een vergelijkbare omschrijving gegeven van hetgeen onder de geheimhoudingplicht van de werknemers van [partij I] valt: het gaat om ‘kennis van en omtrent activiteiten die door de werkgever worden uitgeoefend’ en ‘alle aspecten die betrekking hebben op cliënten en zakelijke contacten van de werkgever’. Daaronder zijn onder meer begrepen ‘de cliëntenkring, de organisatie, de bedrijfsomstandigheden, technieken, middelen, toegepaste apparatuur en werkmethoden en eventueel zaken omtrent de werkgever zelf’. [partij I] baseert haar vordering in de hoofdzaak erop dat [partij II] , met inschakeling van haar gemachtigde en de deurwaarder, executoriaal derdenbeslag heeft gelegd onder twee van haar klanten, te weten [onderneming 1] B.V. en [onderneming 2] B.V., en dat zij daarbij mee heeft doen betekenen de grosse van de beschikking van de kantonrechter te Almere van 2 maart 2020, waarin is vermeld dat [partij II] de directeur van [partij I] , de heer [A] , volgens [partij I] ongefundeerd en valselijk heeft beschuldigd van seksuele intimidatie.

2.3.

Op basis van hetgeen partijen in het kader van dit incident over en weer hebben gesteld, komt de kantonrechter tot het oordeel dat [partij II] aldus haar geheimhoudingsplicht niet heeft geschonden. Voorshands kan niet worden geconcludeerd dat [partij II] aan - onder het beding begrepen - derden bedrijfsgegevens heeft geopenbaard die binnen de werkingssfeer van het beding vallen. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.4.

[partij I] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat onder de in het beding bedoelde ‘derden’ ook de gemachtigde en de deurwaarder van [partij II] zijn te begrijpen, die zij voor het leggen van de executoriale beslagen onder de twee genoemde klanten van [partij I] heeft ingeschakeld. Het was de opstelling van [partij I] die, door niet tijdig te voldoen aan de veroordeling van 2 maart 2020, [partij II] heeft genoopt tot het inroepen van juridische en ambtelijke bijstand bij de executie van de beschikking van de kantonrechter te Almere. Het handelen van advocaat en deurwaarder in het kader van de beslaglegging moet worden aangemerkt als het handelen van [partij II] zelf, niet als dat van een derde. Bij het leggen van de beslagen zijn de wettelijk voorgeschreven bepalingen in acht genomen.

2.5.

Waar [partij I] mocht hebben willen betogen dat [onderneming 1] en [onderneming 2] hebben te gelden als derden in de zin van het beding, verwerpt de kantonrechter dat standpunt voor zover [partij II] wordt verweten dat zij cliëntgegevens - hier: het gegeven dat [onderneming 1] en [onderneming 2] cliënt van [partij I] zijn - aan de derdenbeslagenen heeft geopenbaard. Wat betreft het gegeven dat beide cliënten zaken met [partij I] doen, kunnen zij niet als derden worden beschouwd. Het was immers voor [onderneming 1] en [onderneming 2] niet nieuw dat zij behoorden tot de klantenkring van [partij I] .

2.6.

Kennelijk steekt het [partij I] vooral dat haar cliënten door de meebetekening van de beschikking van 2 maart 2020 kennis hebben kunnen nemen van wat zich tussen [partij II] en de directeur van [partij I] , de heer [A] , zou hebben afgespeeld. Evenwel kan, ook gezien de materiële werkingssfeer van het geheimhoudingsbeding - dus waar het erom gaat welke gegevens daar onder vallen -, voorshands niet worden geconcludeerd dat van een schending van de geheimhoudingsplicht sprake is geweest. [partij II] heeft door het leggen van de beslagen geen gegevens geopenbaard die zij gelet op de tekst en de strekking van het beding geheim had moeten houden. Gelet op de bewoordingen van het beding en de kennelijke ratio ervan heeft [partij II] er redelijkerwijs van uit mogen gaan dat onder de geheim te houden bedrijfsgegevens niet mede is begrepen hetgeen uit de beschikking van 2 maart 2020 kenbaar is omtrent (de stellingen van partijen over) hetgeen in de persoonlijke relatie tussen [partij II] en de directeur van [partij I] zou zijn voorgevallen. Het beding is weliswaar zeer ruim geformuleerd en is door [partij I] ‘strikt’ en ‘uitgebreid’ bedoeld, maar ziet niettemin uitsluitend op wat in de uitoefening van de functie van personal assistant ter kennis van [partij II] is gekomen over de zaken, activiteiten en belangen van [partij I] . Het beding strekt er, mede gezien de opsomming die in het bedrijfsreglement is gegeven, toe te voorkómen dat [partij II] het bedrijfsdebiet van [partij I] schaadt doordat bedrijfsgegevens zoals klantgegevens, werkmethoden en prijsstelling worden gedeeld met buitenstaanders, waarbij vooral aan concurrenten moet worden gedacht. Van dergelijke gegevens moet de wijze waarop de directeur van [partij I] zich in zijn persoonlijke verhouding tot [partij II] heeft opgesteld worden onderscheiden, óók - maar zeker daar - waar binnen de onderneming van [partij I] het zakelijke en het persoonlijke niet altijd gescheiden bleef, zoals het gerechtshof te Leeuwarden in de appelbeschikking van 31 december 2020 heeft overwogen.

2.7.

De kantonrechter wijst er in dit verband voorts op dat uit de beschikking van de kantonrechter te Almere van 2 maart 2020 blijkt dat het [partij I] zelf was die de kwestie van de - volgens haar ‘ongefundeerde en valse’ - beschuldigingen die [partij II] aan het adres van [A] heeft geuit tot onderdeel van het geding tussen partijen - en daarmee van de openbare uitspraak in dat geding - heeft gemaakt door mede daarop het (in eerste aanleg en in hoger beroep onterecht geoordeelde) ontslag op staande voet te baseren. [partij II] heeft zich in eerste aanleg hieromtrent terughoudend opgesteld. Uit de beschikking van 2 maart 2020 blijkt dat zij niet heeft willen uitweiden over hetgeen tussen haar en [A] (naar eerst uit de beschikking van het hof van 31 december 2020 blijkt: op 26 augustus 2019) is voorgevallen, dat de kwalificatie ‘seksuele intimidatie’ in de beschikking van de kantonrechter pas bij de weergave van het standpunt van [partij I] valt en dat de kantonrechter in haar beoordeling heeft geconcludeerd dat seksuele intimidatie niet is komen vast te staan.

2.8.

De conclusie is dan ook dat er voor de door [partij I] gelegde conservatoire beslagen geen toereikende grondslag bestaat. [partij II] heeft er belang bij dat die beslagen worden opgeheven. Zij behoeft immers niet te dulden dat op haar bankrekening en haar woning conservatoir beslag blijft liggen voor een vordering die voorshands geacht moet worden een juridische grondslag te ontberen. [partij II] streeft er in dit incident derhalve op goede grond naar dat de door [partij I] gelegde beslagen, zowel die op haar bankrekening als die op haar woning, niet tegen haar werken. [partij II] heeft in het incident gevorderd dat [partij I] wordt veroordeeld om de conservatoire beslagen op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Uit het partijdebat is ten aanzien van het bankbeslag gebleken dat [partij I] op 5 augustus 2020, vanwege de bij beschikking van 2 maart 2020 tegen haar uitgesproken veroordeling, € 44.297,77 heeft overgemaakt op de ING-bankrekening van [partij II] en dat zij twee dagen later conservatoir beslag op die bankrekening heeft gelegd. De deurwaarder heeft vervolgens verzuimd de dagvaarding tijdig aan ING te betekenen, waardoor dit beslag van onwaarde is. ING heeft evenwel het bedrag van € 44.279,99 geblokkeerd, zodat [partij II] daarover niet heeft kunnen beschikken. Vervolgens is in opdracht van [partij I] opnieuw conservatoir beslag op de ING-bankrekening van [partij II] gelegd, ditmaal wél met inachtneming van de wettelijke bepalingen. Ten tijde van dit tweede (herstel)beslag was het saldo op de ING-bankrekening van [partij II] negatief, maar - zo deelde ING op 8 september 2020 (productie 24 bij de incidentele conclusie) aan [partij II] mee - onder het beslag valt wél het tegoed dat de bank op basis van het eerste beslag al had gesepareerd. In zoverre heeft het beslag dus doel getroffen.

2.9.

De kantonrechter wijst de incidentele vordering toe, zoals hierna omschreven. Omdat [partij II] er een gerechtvaardigd belang bij heeft om niet de dupe te worden van de - door de onwaarde van het eerste bankbeslag in het leven geroepen - omstandigheid dat ING zich mogelijk op het standpunt stelt dat [partij II] niet kan beschikken over het bedrag van € 44.279,99, wordt [partij I] daarnaast veroordeeld om schriftelijk aan ING te berichten dat zij geen rechten kan ontlenen aan het eerste bankbeslag, naar aanleiding waarvan ING genoemd bedrag heeft gesepareerd. De veroordelingen worden met de hierna te vermelden dwangsom versterkt.

2.10.

[partij I] wordt, als de in dit incident in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten in dit incident aan de zijde van [partij II] . Deze proceskosten worden, tot dit vonnis in het incident, begroot op € 747,-- aan salaris gemachtigde.

3 De beslissing in het incident

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [partij I] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de ten laste van [partij II] gelegde conservatoire beslagen op haar ING-bankrekening en op haar woning op te heffen;

3.2.

veroordeelt [partij I] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis schriftelijk aan ING Bank N.V. te berichten dat zij ( [partij I] ) geen rechten kan ontlenen aan de ten laste van [partij II] gelegde beslagen en dat het ING Bank N.V. vrij staat het gesepareerde bedrag van € 44.279,99 aan [partij II] ter beschikking te stellen;

3.3.

bepaalt dat de veroordelingen onder 3.1. en 3.2. worden versterkt met een dwangsom van € 10.000,-- per dag, waarbij een gedeelte van een dag heeft te gelden als een dag, dat [partij I] hieraan niet of niet geheel voldoet, met een maximum van € 100.000,-- aan in totaal te verbeuren dwangsommen;

3.4.

veroordeelt [partij I] tot betaling van de proceskosten in dit incident aan de zijde van [partij II] , tot dit vonnis begroot op € 747,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de voldoening;

3.5.

veroordeelt [partij I] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [partij II] aan deze kostenveroordeling voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 124,-- aan salaris gemachtigde, vermeerderd met - indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden - de explootkosten van betekening van het vonnis;

3.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst af het meer of anders in dit incident gevorderde;

3.8.

bepaalt dat de hoofdzaak is verwezen naar de rol van 26 mei 2021, voor conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van [partij I] . Daarna zal in de hoofdzaak een mondelinge behandeling worden bepaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.