Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:2036

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
C/519407 / JE RK 21-553
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

De rechtbank beoordeelt in het kader van de machtiging tot uithuisplaatsing tevens het perspectief van de kinderen en of het opvoedbesluit terecht is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/519407 / JE RK 21-553

Datum uitspraak: 6 mei 2021 (ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing)

18 mei 2021 (contactregeling)

Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing en een contactregeling

in de zaak van

SAMEN VEILIG MIDDEN NEDERLAND,

locatie [vestigingsplaats] , hierna te noemen: de GI,

betreffende

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [voornaam van minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [voornaam van minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. E.J. Coxon,

[belanghebbende 2] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J.E. Braak

Het procesverloop

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het verzoek met bijlage(n) van de GI van 23 maart 2021, ingekomen bij de griffie op 26 maart 2021;

  • -

    het e-mailbericht van de moeder van 4 mei 2021;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de moeder, ingekomen bij de griffie op 5 mei 2021.

Op 6 mei 2021 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [A] namens de gecertificeerde instelling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] wordt uitgevoerd door de ouders.

[voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] wonen sinds 29 juni 2020 in een pleeggezin.

Bij beschikking van 21 juni 2019 zijn [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna verlengd tot 19 mei 2021.

Bij beschikking van 19 mei 2020 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleeggezin. Deze machtiging is geldig tot uiterlijk 19 mei 2021.

Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] te verlengen met een jaar. Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] in het pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De GI geeft hiervoor de volgende redenen. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing is er veel hulpverlening ingezet in het gezin, zonder resultaat. Na de uithuisplaatsing van de kinderen is een 2thepoint-traject gestart vanuit De Rading , met als doel te onderzoeken of de kinderen terug konden gaan naar (één van) de ouders. Dit traject is niet gestart omdat de status van de relatie van de ouders niet duidelijk was. Daarnaast bleek uit de ingevulde beoordelingsboog dat er onvoldoende mogelijkheden waren om door te gaan met het traject en was inmiddels ook de aanvaardbare termijn om toe te werken naar thuisplaatsing verstreken. De GI heeft vervolgens op 12 januari 2021 het opvoedbesluit genomen dat de kinderen zullen opgroeien in het pleeggezin en dit aan de ouders medegedeeld. Tijdens de begeleide bezoeken wordt gezien dat de moeder onvoldoende sensitief en responsief kan aansluiten bij de kinderen. Over de vader zijn wat dat betreft minder zorgen.

De mening van de belanghebbenden

De ouders zijn het niet eens met het opvoedbesluit van de GI. Zij zijn definitief uit elkaar en wonen inmiddels apart. Zij willen alsnog ieder voor zich het traject doorlopen gericht op terugplaatsing. De ouders hebben een ouderschapsplan opgesteld en zijn het eens over de verdeling van de zorg over de kinderen. Zij vragen daarom om de machtiging tot uithuisplaatsing niet te verlengen, in elk geval niet langer dan zes maanden.

Het zelfstandig verzoek

De moeder heeft verzocht om een contactregeling vast te stellen waarbij zij elke twee weken drie uur begeleid contact heeft met de kinderen. Na drie maanden moet dan geëvalueerd worden of de regeling onbegeleid verder kan. De GI heeft besloten dat de ouders ieder apart de kinderen een keer per vier weken een uur mogen zien onder begeleiding. De moeder vindt dit te weinig om betrokken te blijven bij de kinderen.

De vader is het met de moeder eens.

De GI vindt een uitbreiding van het contact niet in het belang van de kinderen.

De beoordeling

De rechtbank zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen met een jaar.

Ten aanzien van de ondertoezichtstelling

Er is voldaan aan het wettelijk criterium voor verlenging van de ondertoezichtstelling en daar is ook geen verweer tegen gevoerd.

Ten aanzien van het perspectief en de machtiging tot uithuisplaatsing

De ouders hebben de rechtbank verzocht te beoordelen of de GI terecht heeft besloten dat niet meer toegewerkt wordt aan thuisplaatsing van de kinderen; dus of de GI het opvoedbesluit had mogen nemen.

Over de rechtsbescherming rondom het opvoedbesluit heeft de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) in een in december 2020 gepubliceerd advies geconstateerd dat op dit moment een adequate rechtspositieregeling voor de betrokkenen bij een opvoedbesluit ontbreekt. De RSJ beveelt aan dat een rechtspositieregeling wordt gerealiseerd en dat wettelijk wordt vastgelegd dat het perspectiefbesluit binnen drie maanden nadat het genomen is ter toetsing wordt voorgelegd aan de kinderrechter. De procureur-generaal is in zijn conclusie van 19 maart 2021 van mening dat het opvoedbesluit op grond van de geschillenregeling van art. 1:262b BW aan de kinderrechter kan worden voorgelegd1.

Dat er rechtsbescherming moet zijn is duidelijk, de vraag is alleen hoe dit moet worden gerealiseerd. Omdat deze ouders niet kunnen wachten op het antwoord op deze vraag, zal de rechtbank nu in het kader van de beslissing over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tevens een oordeel geven over het opvoedbesluit.

De rechtbank vindt dat de GI terecht heeft besloten dat het perspectief van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] in het pleeggezin ligt en dat niet meer toegewerkt wordt aan thuisplaatsing van de kinderen. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt daarom verlengd met een jaar. De rechtbank legt hierna uit waarom zij dit vindt.

In de beschikking van 19 mei 2020 heeft de kinderrechter al overwogen:

“De kinderrechter vindt dat de uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW. Er is de afgelopen jaren veel hulpverlening ingezet in de thuissituatie. Op dit moment is Sovee intensief betrokken in het gezin, zij komen vier keer per week bij de ouders thuis. Dit heeft helaas niet tot verbetering geleid. De resultaten van het persoonlijkheidsonderzoek van de vader zijn al anderhalf jaar bekend, zonder dat de vader hulp heeft gezocht om te zorgen dat zijn gezin niet belast wordt met zijn problematiek. Bij de moeder is sprake van overvraging, wat nu verklaard kan worden doordat zij laagbegaafd is. Verder blijven de ouders strijd voeren en de kinderen hebben hier last van. De GI heeft voldoende onderbouwd dat inzet van nog meer of andere hulpverlening niet zinvol meer is. Daarom is het in het belang van de kinderen dat zij opgroeien in een pleeggezin.”

Daarna heeft de GI het 2thepointtraject willen inzetten om te beoordelen of de kinderen terug konden naar één van de ouders. Dit is niet gelukt omdat onduidelijk was of de ouders wel of niet uit elkaar zouden gaan. De GI schrijft bovendien dat De Rading op grond van de voorafgaand aan het 2thepointtraject ingevulde beoordelingsboog al onvoldoende mogelijkheden zag om door te gaan met het traject. Pas nadat het opvoedbesluit aan de ouders was medegedeeld, zijn de ouders uit elkaar gaan wonen.

De rechtbank is van oordeel dat het opnieuw onderzoeken van het perspectief van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] in strijd is met het recht van de kinderen om binnen een aanvaardbare termijn duidelijkheid te krijgen over waar zij opgroeien. In de richtlijn pleegzorg waar naar wordt verwezen, staat daarover het volgende: “Centraal bij de vraag wat een aanvaardbare termijn is, staat het kindperspectief: wat is voor dít pleegkind (gelet op zijn ontwikkelingsfase, geschiedenis en persoon) de maximale termijn waarbinnen hij – zonder dat dit zijn ontwikkeling schaadt – duidelijkheid moet krijgen over de vraag waar hij verder zal opgroeien? Het vaststellen van de aanvaardbare termijn is dan ook alleen gerelateerd aan het betrokken pleegkind.” In het algemeen geldt een termijn van zes maanden tot een jaar waarbij geldt dat hoe jonger het kind is, hoe korter de termijn moet zijn. [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] waren op het moment van uithuisplaatsing respectievelijk 5 jaar en 11 maanden oud. Hele jonge kinderen dus, die hun hele leven tot aan de uithuisplaatsing blootgesteld zijn geweest aan voortdurende ruzies tussen hun ouders. Door de eigen problematiek van de ouders en de voortdurende strijd tussen hen bleef de hulpverlening gericht op het verbeteren van hun opvoedcapaciteiten zonder resultaat. De kinderen, met name [voornaam van minderjarige 1] , zijn hierdoor beschadigd geraakt. De kinderen ontwikkelen zich nu goed in het pleeggezin en een terugplaatsing zou een breuk in de hechting betekenen.

Dat de ouders inmiddels hebben besloten hun relatie te beëindigen en bereid zijn hulpverlening te aanvaarden voor hun persoonlijke problematiek, maakt niet dat alsnog moet worden toegewerkt naar thuisplaatsing. Zoals hiervoor is overwogen is de aanvaardbare termijn voor de kinderen verstreken in de periode dat ouders deze stappen nog niet gezet hadden.

Ten aanzien van de contactregeling

De rechtbank zal de contactregeling niet uitbreiden om de volgende redenen.

Tijdens een uithuisplaatsing is de GI bevoegd de contacten tussen de ouders en de kinderen te beperken. Een beslissing waarbij het contact wordt beperkt, geldt als een schriftelijke aanwijzing waarvan vervallenverklaring kan worden gevraagd. Het verzoek tot vervallenverklaring moet binnen veertien dagen na de verzending van de beslissing worden ingediend.2

Met aanvulling van de rechtsgronden wordt het verzoek van de moeder beschouwd als een verzoek vervallenverklaring. De wet biedt immers geen ingang om op een verzoek tot het vaststellen van een contactregeling gedurende een uithuisplaatsing te beslissen.

Het besluit is door de moeder niet overgelegd, maar in het zelfstandig verzoek wordt gesteld dat dit op 21 april 2021 is genomen. Ervan uitgaande dat het ook op die dag is verzonden, is het verzoek tot vervallenverklaring tijdig bij de rechtbank binnengekomen. De moeder is ontvankelijk in haar verzoek.

De rechtbank zal het verzoek vervallenverklaring afwijzen. De rechtbank vindt het niet in het belang van de kinderen om de contacten nu uit te breiden. Op dit moment wordt door de GI gezien dat de moeder onvoldoende kan aansluiten bij de kinderen, wat door de moeder wordt ontkend. Pas als de moeder bereid is om daaraan te werken, is er mogelijk ruimte voor een uitbreiding van de contacten. De GI heeft verteld dat een CHOP-list zal worden ingevuld om te kunnen bepalen welke contactregeling uiteindelijk het meest in het belang van de kinderen is.

De beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] tot 19 mei 2022;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] in een pleeggezin tot 19 mei 2022;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021 door mr. I.L. Rijnbout, mr. R.W.J. van Veen en mr. R.M. Maliepaard, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Oostland, als griffier.

Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 18 mei 2021.

ten aanzien van de contactregeling

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beslissing is gegeven door mr. I.L. Rijnbout, mr. R.W.J. van Veen en mr. R.M. Maliepaard, kinderrechters, bijgestaan door mr. I.S. Oostland als griffier en is op 18 mei 2021 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.

1 ECLI:NL:PHR:2021:283

2 Artikel 1:265f en artikel 1:264 Burgerlijk Wetboek