Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1990

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
C/16/513927 / FO RK 20-1274
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Betrokkenheid vader bij overlijden moeder. Gezag vader wordt beëindig en voogd benoemd. Kinderen wonen in pleeggezinnen. Vader wil omgang met kinderen en informatie. Bijzondere curator wordt gevraagd om onderzoek te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/513927 / FO RK 20-1274 en C/16/513929 / FO RK 20-1275

Gezag, voogdij en omgang

Beschikking van 4 mei 2021

in de zaak van:

de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland,

hierna te noemen: de Raad,

gevestigd in Utrecht,

over:

de kinderen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [2019] in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [2017] in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [2014] in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 3] ;

  • -

    [minderjarige 4] , geboren op [2013] in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 4] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

verblijvende te P.I. [locatie] ,

advocaat mr. A.J.M. Mohrmann

de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

hierna te noemen de GI,

gevestigd in Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • -

    van de Raad het verzoekschrift van 4 december 2020 binnengekomen bij de rechtbank op 7 december 2020, het rapport van 26 januari 2021 en het definitieve verzoekschrift van 16 februari 2021;

  • -

    het verweerschrift van de vader met zelfstandige verzoeken van 15 februari 2021;

  • -

    de bereidverklaring van de voogdij van de GI van 22 maart 2021.

1.2.

Het verzoek is door de meervoudige kamer (drie rechters) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 25 maart 2021. Hierbij waren aanwezig:

  • -

    de vader en zijn advocaat;

  • -

    de heer M. Jalloa, de tolk van de vader;

  • -

    de heer [A] , namens de Raad;

  • -

    mevrouw [B] en mevrouw [C] , namens de GI, en mr. L. Boom, de advocaat van de GI.

2 Waar gaat het over?

2.1.

De moeder, mevrouw [de moeder] , en de vader zijn de ouders van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De moeder is op [2020] overleden ten gevolge van een misdrijf. De vader is bij haar dood betrokken geweest. De ouders hadden samen het gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over deze kinderen mochten nemen. De moeder had alleen het gezag over [minderjarige 1] , zodat zij alleen de beslissingen over [minderjarige 1] mocht nemen. Wel heeft de vader [minderjarige 1] erkend.

2.2.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] stonden sinds 14 april 2020 onder toezicht van de GI.

Op 8 juni 2020 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] met een spoedmachtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.

2.3.

De vader op 21 september 2020 geschorst in zijn gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in verband met de verdenking van betrokkenheid bij de dood van de moeder. Door het overlijden van de moeder ontbreekt het gezag over [minderjarige 1] . Omdat het gezag over alle vier de kinderen niet meer werd uitgeoefend, is de GI op 21 september 2020 door de kinderrechter belast met de voorlopige voogdij over hen.

2.4.

De vader verblijft sinds [2020] in detentie. De vader erkent dat hij actief betrokken is geweest bij het overlijden van de moeder.

2.5.

[minderjarige 1] en [minderjarige 4] wonen sinds 12 juli 2020 samen in een pleeggezin en [minderjarige 3] en [minderjarige 2] verblijven sindsdien samen in een gezinshuis. Dit zijn perspectief biedende plekken. Dat betekent dat de kinderen hier kunnen opgroeien tot hun volwassenheid.

2.6.

De Raad vraagt de rechtbank het gezag van de vader over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] te beëindigen en de GI met de voogdij te belasten. Dat betekent dat de GI in plaats van de vader voortaan de belangrijke beslissingen over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] mag nemen. Verder vraagt de Raad om de GI met de voogdij over [minderjarige 1] te belasten, zodat de GI de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] mag nemen. De GI heeft per brief van 22 maart 2021 laten weten bereid te zijn om de voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] op zich te nemen.

2.7.

De vader is het niet eens met de verzoeken van de Raad. Hij vraagt de verzoeken van de Raad af te wijzen. Indien het in het belang van de kinderen wordt geacht dat het gezag van de vader wordt beëindigd, dan wil de vader dat de voogdij over de kinderen wordt toegewezen aan zijn vriend, de heer [D] . Daarnaast verzoekt de vader om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de kinderen en te bepalen dat hij wordt geïnformeerd en geconsulteerd over de kinderen, waarbij hij eenmaal in de maand informatie over de kinderen krijgt. Hij noemt de volgende redenen voor zijn verzoeken. De vader wil zijn gezag behouden. Hij is bereid om alle medewerking te verlenen aan de GI zodat zijn kinderen geholpen kunnen worden. Hij begrijpt tegelijkertijd dat door zijn detentie zijn rol is veranderd en dat hij op dit moment niet voor de kinderen kan zorgen. De vader wil dat de heer [D] voor de kinderen zorgt en dat de kinderen bij hem gaan wonen. Dit wil de vader omdat hij het heel belangrijk vindt dat de kinderen worden opgevoed door iemand met dezelfde cultuur (Afrikaans Liberiaans) en religie (Islam). De vader wil omgang met de kinderen, te beginnen met een bezoek om de twee weken. Als dit uitblijft, zullen de kinderen van hem vervreemden.

3 De beoordeling

De beslissing

3.1.

De rechtbank zal de verzoeken van de Raad toewijzen en het gezag van de vader over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] beëindigen en de GI met de voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] belasten. Dat betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader over de voogdij afwijst.

De rechtbank zal nog geen beslissing nemen op de verzoeken van de vader over de omgang en de informatie- en consultatieregeling. De rechtbank zal mw. drs. A. Hendriks als bijzondere curator benoemen om te onderzoeken of en zo ja welke omgangsregeling met de vader in het belang van de kinderen is en welke informatie- en consultatieregeling tussen de voogd en de vader moet gelden. De rechtbank zal de beslissing over deze verzoeken van de vader uitstellen tot 30 november 2021 in afwachting van het verslag van de bijzondere curator. Voor de tussentijd zal de rechtbank als voorlopige informatie- en consultatieregeling vastleggen dat de voogd de vader eens per twee maanden moet informeren over hoe het met de kinderen gaat.

Verder zal de rechtbank mr. M. van Harskamp als bijzondere curator voor de kinderen benoemen, met als opdracht de belangen van de kinderen, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen met betrekking tot de strafzaak tegen hun vader zowel in de voorbereidende fase, ter zitting in eerste en eventuele tweede aanleg.

De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij zo beslist.

Beëindiging van het gezag van de vader over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4]

3.2.

Volgens de wet kan de rechtbank het gezag van een ouder of van beide ouders beëindigen als het kind opgroeit op een manier waardoor hij ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en er geen zicht is op verbetering binnen een voor het kind aanvaardbare termijn. De aanvaardbare termijn is de periode waarbinnen voor het kind duidelijk moet zijn waar hij zal opgroeien.1 Ook kan volgens de wet de rechtbank het gezag van een ouder of van beide ouders beëindigen als de ouder(s) het ouderlijk gezag misbruik(t)(en).2 De rechtbank vindt dat aan beide gronden voor gezagsbeëindiging is voldaan.

3.3.

Allereerst worden de kinderen ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij hebben in hun jonge leven in korte tijd zeer traumatische gebeurtenissen meegemaakt en hebben daardoor schade opgelopen in hun ontwikkeling. Voor het overlijden van de moeder was er in het gezin sprake van een onveilige opvoedsituatie (huiselijk geweld en pedagogische verwaarlozing) waardoor de kinderen in juni 2020 uit huis zijn geplaatst en deels van elkaar zijn gescheiden. Na de uithuisplaatsing hebben de kinderen geen contact gehad met hun ouders, met uitzondering van [minderjarige 4] . Daarna is hun moeder in september 2020 overleden en is de vader bij haar dood betrokken geweest. Hoewel de kinderen zich op hun huidige plekken positief ontwikkelen, zijn er grote zorgen over hen gelet op wat zij hebben meegemaakt. De kinderen hebben ieder op korte termijn gespecialiseerde hulpverlening en begeleiding rondom hun traumaverwerking nodig.

3.4.

De vader is niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen binnen de voor deze kinderen geldende aanvaardbare termijn te dragen. Afgezien van het feit dat de vader gedurende (zoals het er nu naar uit ziet) een lange periode in detentie zal moeten verblijven en dus niet in staat is om feitelijk voor kinderen te kunnen zorgen, is de rechtbank van oordeel dat hij de kinderen daarnaast geen stabiel opvoedperspectief kan bieden. Uit het raadsrapport blijkt immers dat de vader onvoldoende blijk geeft van het vermogen om zich in te leven in de situatie van de kinderen. Zo weigert hij met de hulpverlening en de GI in gesprek te gaan en samen te werken en dat maakt het onmogelijk voor de GI om de belangen van de kinderen te behartigen. Dit terwijl de GI gelet op de situatie veel moet regelen voor de kinderen. Hij heeft bovendien geen inzicht in de behoeftes van de kinderen en is niet bij machte om hun beschadigde ontwikkeling te keren. Hierdoor is de vader niet in staat om (gezags)beslissingen te nemen die in het belang zijn van zijn kinderen en om aan te sluiten bij wat zij nodig hebben. Daarnaast is er nog weinig zicht op de gezinssituatie voordat de kinderen uit huis waren geplaatst. Er zijn aanwijzingen dat er binnen het gezin sprake was veel geweld en onveiligheid. De jonge leeftijd van de kinderen, het feit dat zij inmiddels bijna tien maanden uit huis zijn geplaatst en de zeer ingrijpende gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt, maken dat de aanvaardbare termijn voor alle vier de kinderen is verstreken. Voor de kinderen geldt dat er duidelijkheid moet zijn over hun perspectief.

3.5.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de vader misbruik heeft gemaakt van zijn gezag gezien zijn betrokkenheid bij de dood van de moeder. Ter zitting heeft de advocaat aangegeven dat de vader een grotendeels bekennende verdachte is ten aanzien van de verdenkingen zoals die tegen hem gerezen zijn rondom het overlijden van de moeder.

Voogdij over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4]

3.6.

De rechtbank zal de GI als voogd van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] benoemen en legt uit waarom. Omdat het gezag van de vader wordt beëindigd, moet er een voogd worden benoemd.3 Er moet namelijk iemand zijn die de belangrijke beslissingen over [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] kan nemen omdat zij nog minderjarig zijn. De rechtbank is het met de Raad en de GI eens dat de GI met de voogdij over deze kinderen moet worden belast. Dit is in het belang van de kinderen, omdat de GI nu de gezinsvoogd van de kinderen is en goed zicht heeft op de ontwikkeling van de kinderen en wat zij nodig hebben. Om die reden is het niet in het belang van de kinderen om een andere instelling als voogd te benoemen. De Raad heeft die afweging ook in het rapport gemaakt en vervolgens heeft verworpen. Ter zitting zijn geen nieuwe argumenten naar voren gekomen, die maken dat de rechtbank een andere GI overweegt te benoemen.

3.7.

De rechtbank wijst het verzoek van de vader om de heer [D] als voogd over de kinderen te benoemen en te laten zorgen voor de kinderen af. De rechtbank zal evenmin de (vermeende) familie van de moeder met de voogdij over de kinderen belasten. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij hiertoe besloten heeft. Tijdens de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voorafgaande aan het overlijden van moeder is er geen zicht gekomen op het netwerk van de ouders en de kinderen doordat de ouders meermalen hebben ontkend te beschikken over een netwerk. Er was sprake van een zeer gesloten systeem. Hierdoor kon geen onderzoek gedaan worden naar de mogelijke plaatsing van de kinderen binnen het netwerk. Pas na het overlijden van de moeder hebben de familie van de moeder en de heer [D] zich gemeld bij de GI. De kinderen woonden toen al geruime tijd bij respectievelijk hun pleeggezin of in het gezinshuis en zijn gehecht geraakt op hun huidige plekken. Een nieuwe breuk in hun hechting zal hen verder beschadigen. Daarbij hebben de kinderen, gezien hetgeen zij hebben meegemaakt en de zorgen over hun voormalige opvoedomgeving, een ingewikkelde opvoedvraag. Het is essentieel dat de kinderen opvoeders hebben die deze opvoedvraag aan kunnen. Bovendien is er onvoldoende zicht op de opvoedcapaciteiten en opvoedomgeving van de heer [D] . Om die reden acht de rechtbank de heer [D] onvoldoende in staat om aan de zorgbehoefte van de kinderen tegemoet te kunnen komen. Het beleggen van de voogdij bij de heer [D] (of de familie van de moeder) is daarom niet aan de orde. Dat de heer [D] volgens de vader, anders dan het pleeggezin en de gezinshuisouders, in staat is om de kinderen een islamitische opvoeding te geven maakt dat niet anders. De rechtbank is van oordeel dat de veilige hechting van de kinderen op de plekken waar zij verblijven nu het belangrijkste is. De pleegouders en gezinshuisouders hebben, zo blijkt uit het raadsrapport, aangegeven zich te willen verdiepen in de Islam om de kinderen hiermee vertrouwd te houden dan wel te maken.

Het voorgaande neemt niet weg, zoals ook in het raadsrapport is opgemerkt, dat het netwerk van de ouders een rol in het leven van de kinderen zou kunnen gaan spelen omdat dit belangrijk zou kunnen zijn voor de ontwikkeling van de kinderen.

Voogdij over [minderjarige 1]

3.8.

De rechtbank zal de GI als voogd van [minderjarige 1] benoemen en legt uit waarom. Omdat het gezag over [minderjarige 1] door het overlijden van de moeder niet is geregeld, moet er een voogd worden benoemd. Er moet namelijk iemand zijn die de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1] kan nemen omdat zij nog minderjarig is. Ook voor [minderjarige 1] vindt de rechtbank dat het in haar belang is dat de GI als voogd wordt benoemd om de redenen zoals genoemd onder 3.6. en 3.7.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

3.9.

De rechtbank zal de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. De rechtbank acht het namelijk in het belang van de kinderen dat deze beslissing meteen werkt. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

Omgang

3.10.

De rechtbank stelt voorop dat omgang tussen kinderen en een ouder, die er van verdacht wordt of veroordeeld is wegens het doden van de andere ouder altijd door de rechter moet worden vastgesteld. Dat is het uitgangpunt van de wet “Clausuleren recht op contact of omgang na partnerdoding”. De vader wil de kinderen zien. De voogd heeft op de zitting verteld dat de twee oudste kinderen contact met de vader willen en dat de voogd dit aan het onderzoeken is. De Raad heeft ter zitting aangegeven dat er zeer voorzichtig om gegaan moet worden met het tot stand brengen van dit contact. De rechtbank constateert dat gaat om kinderen met een zeer belaste geschiedenis waarover nog veel onduidelijkheid bestaat. Er is sprake van een complexe situatie voor de kinderen nu de vader in detentie zit en waarbij hij heeft bekend betrokken te zijn geweest bij het overlijden van de moeder. Dit is zeer traumatisch voor de kinderen. Maar ook voor het overlijden van de moeder hebben de kinderen traumatische gebeurtenissen (huiselijk geweld en uithuisplaatsing) meegemaakt, waar op dit moment onvoldoende duidelijkheid over bestaat. Ook is er nog onvoldoende informatie over welke problematiek de kinderen hebben. Het voorgaande maakt dat de rechtbank niet kan beoordelen of omgang met de vader in het belang van de kinderen is en zo ja, hoe de omgang eruit zou moeten zien. Ook kan de rechtbank niet beoordelen welke informatie- en consultatieregeling tussen de voogd en de vader moet gelden en wat daarbij in het belang van de kinderen is. Dat maakt dat er geen voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de kinderen kan worden vastgesteld. Eerst moet duidelijk zijn wat in het belang van de kinderen is. Daarom zal de rechtbank een bijzondere curator benoemen om te onderzoeken of en zo ja welke omgang met de vader in het belang van de kinderen is.

Bijzondere curator voor eventuele omgang

3.11.

De rechtbank kan ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel diens vermogen de belangen van de met het gezag belaste ouder(s) dan wel de voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige, indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen.4 De rechtbank vindt dat hiervan sprake is gelet op wat hiervoor is besproken.

De rechtbank zal mw. drs. A. Hendriks als bijzondere curator voor de kinderen benoemen, met als opdracht de belangen van de kinderen, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen met betrekking tot hun de omgang met de vader en de informatie aan en consultatie van de vader over hen. Drs. Hendriks is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden. De griffie van deze rechtbank zal de contactgegevens van belanghebbenden en de relevante processtukken naar de bijzondere curator sturen. De bijzondere curator wordt verzocht om zo spoedig mogelijk contact op te nemen met alle belanghebbenden – waaronder ook de Raad voor de Kinderbescherming en de voogd – om te onderzoeken op welke wijze zij de kinderen het best kan vertegenwoordigen.

De rechtbank verzoekt de bijzondere curator uiterlijk op 30 november 2021 schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over de verzoeken in te nemen.

De rechtbank merkt hierbij op dat de bijzondere curator ook wordt benoemd in de procedure met zaaknummers C/16/513927 / FO RK 20-1274 en C/16/515780 / FO RK 21-42. Die zaak gaat over de verzoeken van de vermeende familie van de moeder om omgang met de kinderen te hebben.

Ter zitting heeft de rechtbank een eventuele benoeming van een bijzondere curator ter sprake gebracht. De GI heeft aangegeven een benoeming op prijs te stellen.

Bijzondere curator in de strafzaak tegen de vader

3.12.

Ook is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wezenlijk conflict met betrekking tot de opvoeding en verzorging van de kinderen en diens vermogen tussen de bij deze beslissing te benoemen voogd en de kinderen. De kinderen zijn aan te merken als slachtoffers in de strafzaak tegen de vader. In het kader van die strafzaak hebben zij misschien de juridische mogelijkheid een vordering benadeelde partij in te dienen en of andere slachtofferrechten uit te oefenen. Omdat zij minderjarig zijn is hun wettelijk vertegenwoordiger bevoegd deze rechten uit te oefenen. De GI zal hun wettelijk vertegenwoordiger zijn. De GI zou zich dan namens de kinderen in de strafzaak tegen de vader moeten opstellen door mogelijk een substantiële schadevergoeding in te dienen. Terwijl de GI tegelijkertijd, in het kader van de uitvoering van de voogdij, mogelijkdesamenwerking met de vader moet en will zoeken. Dat maakt dat er tegenstrijdige belangen zijn.

De rechtbank zal mw. mr. M. van Harskamp als bijzondere curator voor de kinderen benoemen, met als opdracht de belangen van de kinderen, zo nodig ieder kind afzonderlijk, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen met betrekking tot de strafzaak tegen hun vader zowel in de voorbereidende fase, ter zitting in eerste en eventuele tweede aanleg. Mr. Van Harskamp is bereid gevonden om als bijzondere curator op te treden.

Informatie

3.13.

Wel zal de rechtbank een voorlopige informatie- en consultatieregeling vastleggen zoals dat met de voogd en de vader op de zitting is besproken. De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen dat de voogd de vader eens per twee maanden over de kinderen informeert op de wijze zoals opgenomen onder de beslissing (het dictum).

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

beëindigt het ouderlijk gezag van de vader over:

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [2017] in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [2014] in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 4] , geboren op [2013] in [geboorteplaats] ;

4.2.

benoemt de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers in Amsterdam, als voogd over:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [2019] in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [2017] in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [2014] in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 4] , geboren op [2013] in [geboorteplaats] ;

4.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst af het verzoek van de vader ten aanzien van de voogdij;

4.5.

benoemt met ingang van heden tot 31 december 2021 tot bijzondere curator over: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] :

mw. drs A. Hendriks, adres: Gebouw Rhijnenburgh (3e verdieping), Van der Valk Boumanweg 178 D-3, 2352 JD Leiderdorp, telefoonnummer: 071-5820939;

met als opdracht de belangen van de kinderen, zo nodig ieder kind afzonderlijk, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen met betrekking tot hun omgang met de vader en de informatie aan en consultatie van de vader over hen;

verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk op 30 november 2021 schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over de verzoeken in te nemen;

4.6.

houdt de verdere beslissing op de verzoeken van de vader over de omgang en de informatieregeling aan tot 30 november 2021 in afwachting van het verslag van de bijzondere curator mw. drs. A. Hendriks;

4.7.

benoemt met ingang van heden tot bijzondere curator voor:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [2019] in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [2017] in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [2014] in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 4] , geboren op [2013] in [geboorteplaats] :

mw. mr. M. van Harskamp, Emmalaan 35 in (3581 HP) Utrecht, telefoonnummer: 030-2109880,

met als opdracht de belangen van de kinderen, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen met betrekking tot de strafzaak tegen hun vader zowel in de voorbereidende fase, ter zitting in eerste en eventuele tweede aanleg;

voor de duur van de strafzaak tegen de vader in eerste aanleg en eventueel tweede aanleg,

4.8.

bepaalt dat de voogd de vader voorlopig een keer per twee maanden schriftelijk zal informeren over de gezondheid, hoe het op school gaat en de hobby’s van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] en daarbij ook een recente foto van de kinderen aan de vader zal sturen.

Dit is de uitspraak (beschikking) van (kinder)rechters mr. E.A.A. van Kalveen,

mr. T. Dopheide en mr. M.W.V. van Duursen, tot stand gekomen in samenwerking met

mr. Ö. Duran, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

1 Artikel 1:266 lid 1 sub a, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2 Artikel 1:266 lid 1 sub b BW.

3 Artikel 1:275 lid 1 BW.

4 Artikel 1:250 BW.