Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1968

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
8807967 UC EXPL 20-8154
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad; profiteren van andermans wanprestatie; bijkomende omstandigheden aanwezig; schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8807967 UC EXPL 20-8154 aw/1370

Vonnis van 12 mei 2021

inzake

de besloten vennootschap

[eiseres] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

verder ook te noemen: [eiseres] ,

eisende partij, ook verwerende partij,

gemachtigde: mr. M.P.C. van Essen,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] ,

gedaagde partij, ook eisende partij,

gemachtigde: mr. N.M. Don.

1 De procedure

Hoe de procedure is verlopen, blijkt uit het volgende:

- de dagvaarding met 23 producties is op 5 oktober 2020 bij [gedaagde] bezorgd;

- [gedaagde] heeft schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. Zij heeft daarbij een tegeneis geformuleerd en de producties 1 t/m 3 bijgevoegd;

- [eiseres] heeft schriftelijk op de tegeneis gereageerd. Zij heeft daarbij haar eis gewijzigd en de producties 24 t/m 29 overgelegd;

- [gedaagde] heeft de producties 4 t/m 10 nagezonden;

- de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de locatie van de rechtbank in Amersfoort op 23 maart 2021. De heer [A] van [gedaagde] heeft de zitting via een Skype-verbinding bijgewoond, wegens een verplichte quarantaine na verblijf in het buitenland. De griffier heeft aantekening gemaakt van wat er is besproken. Aan het slot van de zitting heeft de kantonrechter meegedeeld dat op 21 april 2021 vonnis zal worden gewezen. Die datum is niet gehaald, de vonnisdatum is nader bepaald op 12 mei 2021.

2 Het geschil

Waar gaat het om?

2.1.

[eiseres] houdt zich bezig met (onder meer) de groothandel in olie en de exploitatie van benzinestations. Zij heeft van de heer [B] (hierna: [B] ) met ingang van 1 mei 2016 een (nu onbemand) tankstation in [plaatsnaam] gehuurd voor de duur van 5 jaar, met aansluitende verlenging met nog eens 5 jaar. De overeengekomen huurprijs bedraagt € 0,02 exclusief BTW per verkochte liter motorbrandstof per jaar. [B] huurde dat tankstation, met de naastgelegen bedrijfsruimte waarin hij in de vorm van een eenmanszaak zijn garagebedrijf uitoefende, sinds 1 november 1989 van de toenmalige (indirect) eigenaar, de heer [C] (hierna: [C] ).

2.2.

[gedaagde] houdt zich blijkens het Handelsregister bezig met het beheer en de verhuur van onroerend goed (niet-woonruimte). De heer [A] (hierna: [A] ) is aandeelhouder van [gedaagde] , de heer [D] , zijn broer, is statutair bestuurder.

2.3.

De partner van [A] , mevrouw [E] , is in 2017 begonnen met de bedrijfsmatige verhuur van sportwagens. In dat kader heeft zij met [B] samengewerkt: de sportwagens werden bij [B] gestald en [B] werd ingehuurd om de verhuur van de auto’s te begeleiden en deze te onderhouden.

2.4.

Begin 2019 constateerden [A] en [E] dat het niet goed ging met de exploitatie van het garagebedrijf van [B] : hij had geen overzicht over zijn uitgaven en inkomsten en er waren grote schulden ontstaan, waardoor hij ook zijn woonhuis dreigde te verliezen. [B] was destijds 72 jaar oud. Ongeveer anderhalf jaar later, in september 2020, is bij [B] Alzheimer vastgesteld.

2.5.

[A] heeft begin 2019 aan [B] aangeboden om het garagebedrijf met tankstation van hem over te nemen en ook zijn woonhuis te kopen, zodat hij er kon blijven wonen. [gedaagde] heeft met dat doel de bedrijfsruimte met tankstation van [C] gekocht. De koopovereenkomst is getekend op 23 mei 2019 en de levering heeft plaatsgevonden op 16 september 2019. In artikel 17 van de koopovereenkomst is vastgelegd dat in de periode tot aan de levering [naam onderneming] B.V. (hierna: [naam onderneming] ), een aan [gedaagde] gelieerde onderneming die zich blijkens het Handelsregister onder meer bezig houdt met de handel in en reparatie van auto’s, de bedrijfsruimte met tankstation “om niet” in gebruik zal nemen (zie hierna onder 2.7.). [naam onderneming] heeft ook de inventaris van het garagebedrijf van [B] overgenomen. Nadat [gedaagde] per 16 september 2019 eigenaar zou zijn geworden van de bedrijfsruimte met tankstation zou [naam onderneming] deze van [gedaagde] gaan huren. [naam onderneming] , vertegenwoordigd door haar (indirect) bestuurder en aandeelhouder de heer [F] (hierna: [F] ), heeft op 27 maart 2019 het woonhuis van [B] gekocht voor een bedrag van € 815.000,00. Die koop is niet doorgegaan, omdat [naam onderneming] zich bij brief van 4 juni 2019 op het gemaakte financieringsvoorbehoud heeft beroepen. De woning van [B] is vervolgens op een executieveiling verkocht. Sindsdien woont [B] bij zijn dochter.

2.6.

Bij brief aan [C] van 21 mei 2019 heeft [B] de huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte met tankstation opgezegd met ingang van 1 mei 2019, wegens “wanbetaling/einde bedrijfsactiviteiten”. De eenmanszaak van [B] is per 1 juni 2019 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.

2.7.

In de koopovereenkomst tussen [gedaagde] en [C] van 23 mei 2019 is het volgende opgenomen (“het verkochte 2” ziet op de bedrijfsruimte met tankstation):

“art. 2 aanhef en sub j.

Het verkochte 1 en 2 zullen bij het ondertekenen van de leveringsakte niet ontruimd zijn, doch wel vrij van huren en andere gebruiksrechten en aanspraken wegens huurbescherming, met uitzondering van (onder-)huurovereenkomst betreffende de tankinstallatie op het verkochte 2 door [eiseres] B.V., aan koper genoegzaam bekend. De betreffende huurovereenkomst is aan deze akte gehecht. [B] heeft de huurovereenkomst van het bedrijfsgebouw zijnde het verkochte 2 schriftelijk opgezegd.”

Art. 17

Verkoper zal het verkochte vanaf heden tot de datum van levering “om niet” in gebruik geven aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [naam onderneming] B.V. (…). Voornoemde rechtspersoon [naam onderneming] B.V. neemt alle rechten en verplichtingen van de vorige huurder [B] terzake de aan [eiseres] onderverhuurde pompinstallatie over tot en met de datum van levering.”

2.8.

Op 4 juni 2019 heeft [naam onderneming] aan [eiseres] een brief gestuurd waarin zij zich presenteert als nieuwe huurder van het tankstation. Zij deelt mee dat zij niet akkoord is met de levering/verkoop van motorbrandstoffen van of via [eiseres] op basis van de met [B] gesloten huurovereenkomst, waaraan zij zich niet gebonden acht en zij kondigt aan op korte termijn contact op te zullen nemen voor overleg.

2.9.

[naam onderneming] en [gedaagde] enerzijds en [eiseres] anderzijds zijn niet tot overeenstemming gekomen over de voorwaarden voor de huur van het tankstation door [eiseres] . [B] incasseert vanaf het derde kwartaal van 2019 geen huur meer bij [eiseres] en [gedaagde] weigert sindsdien huurbetalingen van [eiseres] in ontvangst te nemen.

2.10.

Op vordering van [eiseres] heeft de kantonrechter te Utrecht bij vonnis van 1 juli 2020 voor recht verklaard dat [B] tekort geschoten is in de nakoming van de onderhuurovereenkomst en dat hij aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] als gevolg daarvan lijdt en nog zal lijden en heeft hij [B] veroordeeld om die schade, nader op te maken bij staat, aan [eiseres] te vergoeden (zaaknummer 8402751 UC EXPL 20-2144).

De vordering van [eiseres]

2.11.

vordert in deze rechtszaak – na wijziging van eis – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

2.11.1.

voor recht zal verklaren dat [gedaagde] vanwege haar betrokkenheid bij de onregelmatige opzegging van de hoofdhuurovereenkomst jegens [eiseres] een onrechtmatige daad heeft gepleegd, dat [gedaagde] voor de schade als gevolg daarvan jegens [eiseres] aansprakelijk is en

Primair

2.11.2.

[gedaagde] zal veroordelen om met [eiseres] een huurovereenkomst aan te gaan met mutatis mutandis gelijke condities als in de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [B] (productie 7), met bepaling dat [gedaagde] aan deze veroordeling niet binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis voldoet, dat vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW in de plaats treedt van de voor de totstandkoming van die huurovereenkomst vereiste verklaring/handtekening van [gedaagde] ;

Subsidiair

2.11.3.

[gedaagde] zal veroordelen tot vergoeding van de door [eiseres] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;

2.11.4.

[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

De tegenvordering van [gedaagde]

2.12.

vordert in deze rechtszaak dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

2.12.1.

[eiseres] zal bevelen het tankstation binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis te ontruimen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

2.12.2.

[eiseres] te veroordelen om aan [gedaagde] te betalen een gebruiksvergoeding voor het gebruik van het tankstation over de periode 16 september 2019 tot 11 november 2020 van € 36.894,50, hetgeen neerkomt op 10 cent per verkochte liter benzine, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen gebruiksvergoeding;

2.12.3.

[eiseres] te veroordelen aan [gedaagde] te betalen een gebruiksvergoeding voor het gebruik van het tankstation over de periode 12 november 2020 tot aan de datum van de ontruiming ten bedrage van 10 cent per verkochte liter benzine, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen gebruiksvergoeding;

2.12.4.

[eiseres] te bevelen binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis inzage te geven in het aantal verkochte liters benzine via het tankstation vanaf 12 november 2020 tot aan de ontruiming, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag;

2.12.5.

[eiseres] te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3 De beoordeling van de vordering van [eiseres]

3.1.

stelt dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door te profiteren van de wanprestatie van [B] , te weten het opzeggen door [B] van de hoofdhuurovereenkomst zonder rekening te houden met de belangen van [eiseres] als onderhuurder. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] een list uitgehaald en heeft zij de huuropzegging door [B] geïnitieerd en geregisseerd, met de bedoeling op die manier bij [eiseres] een huurprijsverhoging te kunnen afdwingen, dit terwijl [gedaagde] aan [B] en [C] altijd heeft voorgehouden dat de positie van [eiseres] zou worden gerespecteerd.

3.2.

[B] heeft de hoofdhuur opgezegd enkele dagen vóór het sluiten van de koopovereenkomst tussen [gedaagde] en [C] . Het gevolg van die opzegging is dat [gedaagde] het tankstation (en de bedrijfsruimte) vrij van huur heeft verkregen. [B] pleegt ten opzichte van zijn onderhuurder [eiseres] wanprestatie, omdat hij door het eindigen van de hoofdhuur het huurgenot van het tankstation niet meer aan [eiseres] kan verschaffen. [eiseres] kan de onderhuurovereenkomst niet tegenwerpen aan [gedaagde] als nieuwe eigenaar van het tankstation. In dit geval staat dus vast dat [gedaagde] profiteert van de wanprestatie van [B] : zij heeft daardoor de handen vrij om met [eiseres] , of met derden een lucratiever huurcontract te sluiten voor het tankstation, of het tankstation vrij van huur te verkopen. Volgens vaste jurisprudentie is het enkele profiteren van andermans wanprestatie nog niet onrechtmatig, daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig (vgl. HR 17 november 1967, NJ 1968/42 ([achternaam 1] / [achternaam 2]) en HR 3 januari 1964, NJ 1965/16 [achternaam 3] / [achternaam 4]). De kantonrechter is van oordeel dat die bijkomende omstandigheden in dit geval aanwezig zijn, op grond van het volgende.

3.2.1.

Duidelijk is dat [B] bij de huuropzegging geen belang had, integendeel. Door de opzegging van de hoofdhuur is hij ten opzichte van [eiseres] schadeplichtig geworden. De wens om zijn bedrijf te beëindigen, zoals in de opzeggingsbrief (naast wanbetaling) als reden voor de opzegging is genoemd, is bepaald geen voor de hand liggende reden om de hoofdhuur op te zeggen: [naam onderneming] heeft het garagebedrijf immers van [B] overgenomen en het huurrecht maakt deel uit van het bedrijf van [B] . Het is in zo’n geval te doen gebruikelijk dat de overnemende partij via indeplaatsstelling huurder van de bedrijfsruimte wordt waarin het bedrijf wordt uitgeoefend. Daarnaast heeft [C] verklaard dat [B] begin 2019 één maand huurachterstand had en dat dit niet ongebruikelijk was (productie 9 van [gedaagde] ). Ook “wanbetaling” als reden voor de plotselinge huuropzegging (bedoeld wordt kennelijk: het bestaan van een huurachterstand), ligt daarom niet voor de hand. Verder had [C] als verkopende partij geen belang bij de opzegging van de hoofdhuur. Dit volgt uit zijn schriftelijke verklaring van 16 april 2020, die als productie 19 bij dagvaarding is overgelegd. Hij verklaart de bedrijfsruimte met tankstation aan [gedaagde] te hebben verkocht “as is”, dus zoals het is en dat hij er bovendien – of het nu wel of niet verhuurd was – geen andere prijs voor vroeg. De bepaling in de koopovereenkomst dat het verkochte vrij van huur is (artikel 2 aanhef en onder sub j), is niet op zijn verzoek opgenomen, zo heeft hij verklaard. Het enige belang dat [C] bij dat artikel had was dat daarin is opgenomen dat hij het verkochte niet ontruimd hoefde op te leveren, zo heeft de bij de koop betrokken notaris aan (de gemachtigde van) [gedaagde] bevestigd (productie 10 van [gedaagde] ). De conclusie is dan ook dat [gedaagde] de enige is die bij opzegging van de hoofdhuur door [B] belang had (afgezien van [naam onderneming] als zakenpartner van [gedaagde] , omdat zij er kennelijk belang bij had om anders dan via indeplaatsstelling hoofdhuurder te worden).

3.2.2.

Partijen zijn het er verder over eens dat [B] de opzeggingsbrief van 21 mei 2019 niet zelf kan hebben opgesteld: hij kan niet met een tekstverwerker omgaan. De kantonrechter neemt mede in aanmerking dat [B] in 2019 al geen zicht meer had op zijn bedrijfsvoering, vermoedelijk als gevolg van (beginnende) Alzheimer. [gedaagde] stelt namelijk dat [A] en zijn partner begin 2019 constateerden dat [B] niet meer in staat was zijn bedrijf behoorlijk uit te oefenen en dat er toen al vermoedens waren van dementie. Dit blijkt ook uit de verklaring van [G] , destijds werknemer van [B] (productie 8 van [gedaagde] ).

3.2.3.

Verder constateert de kantonrechter dat [A] ( [gedaagde] ) en [F] ( [naam onderneming] ) zich begin 2019 hebben opgeworpen als redder van [B] en zijn vertrouwen hebben gewonnen. [gedaagde] benadrukt niet alleen zelf dat zij (met [naam onderneming] ) [B] heeft willen helpen, maar ook [G] heeft verklaard dat “ [F (voornaam)] en [A (voornaam)] hebben geprobeerd [B (voornaam)] te helpen zodat hij eventueel zijn huis zou kunnen blijven behouden” (bedoeld is: [F] en [A] , toevoeging kantonrechter) (productie 8 van [gedaagde] ). De schoonzoon van [B] , de heer [H] , heeft eensluidend verklaard. Verder heeft [H] verklaard dat [A] en [F] de administratie van [B] hebben doorgenomen om zicht te krijgen op de financiële situatie en met het oog op de voorgenomen bedrijfsovername (productie 24 van [eiseres] ). [gedaagde] stelt ook zelf dat [A] de financiële administratie van [B] heeft doorgenomen en daarbij heeft geconstateerd dat er grote schulden waren. [A] (al dan niet samen met [F] ) heeft [B] vervolgens voorgesteld om zijn garagebedrijf over te nemen, zodat hij er zou kunnen blijven werken en zijn woning te kopen, zodat hij er kon blijven wonen. [B] heeft daarmee kennelijk ingestemd. Dat [eiseres] zich, in de persoon van [I] , in dit stadium ook met de financiële situatie van [B] zou hebben bemoeid, zoals [gedaagde] suggereert, blijkt nergens uit. [eiseres] heeft [B] pas benaderd nadat zij in juni 2019 plotseling geconfronteerd werd met [gedaagde] en [naam onderneming] , tot dan toe voor haar onbekende partijen. De huuropzegging (met terugwerkende kracht) is daarnaast slechts twee dagen voor het sluiten van de koopovereenkomst tussen [gedaagde] en [C] gedaan. In rechte moet er daarom van uit worden gegaan dat [A] (al dan niet met de hulp van zijn zakenpartner [F] ) ten behoeve van [gedaagde] de huuropzeggingsbrief van [B] aan [C] heeft opgesteld en bij [B] , wiens vertrouwen hij had gewonnen, heeft aangedrongen op ondertekening daarvan. Dit handelen van [A] , die eigenaar is van [gedaagde] , moet aan [gedaagde] worden toegerekend.

3.2.4.

Verder overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] , als gevolg van het feit dat [A] toegang had gekregen tot de administratie van [B] , ten tijde van de huuropzegging bekend was met de slechte financiële situatie van [B] alsook met de huurcondities die [B] met [eiseres] had bedongen voor het tankstation. [A] wist dat de onderhuurovereenkomst tussen [B] en [eiseres] nog tot in elk geval 1 mei 2026 doorliep en dat [B] aan [eiseres] geen enkel verhaal zou bieden voor de door haar te lijden schade bij het voortijdig eindigen van de onderhuur. Die wetenschap van [A] , als eigenaar van [gedaagde] , moet aan [gedaagde] worden toegerekend.

3.2.5.

Tot slot neemt de kantonrechter in aanmerking dat [C] heeft verklaard dat de huurovereenkomst tussen [B] en [eiseres] bij de notaris (nogmaals) is besproken en dat [A] toen heeft gezegd dat hij met [eiseres] nog een contract zou hebben van een paar jaar. [C] verklaart dat hij er toen niet van uit ging dat de overeenkomst met [eiseres] opgezegd zou worden. Ook verklaart [C] dat hij pas tijdens de kennismaking en onderhandeling met [A] erachter is gekomen dat het tankstation door [B] was onderverhuurd en dat [A] toen tegen hem heeft gezegd dat de looptijd van de onderhuur nog een paar jaar was (productie 19 bij dagvaarding). Die verklaring van [A] ondersteunt het standpunt van [eiseres] dat [gedaagde] althans [A] tegenover betrokken derden steeds heeft doen voorkomen dat zij de bestaande onderhuurovereenkomst met [eiseres] zou “uitdienen”. Voldoende aannemelijk is dan ook dat [gedaagde] die schijn ook bij [B] heeft gewekt om hem ertoe te brengen de hoofdhuur op te zeggen, zoals [eiseres] stelt.

Conclusie

3.2.6.

De conclusie is dat [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld doordat haar eigenaar [A] – in de wetenschap dat [B] dementerend was en in een penibele financiële situatie verkeerde – het vertrouwen van [B] heeft gewonnen en hem er vervolgens toe heeft aangezet de hoofdhuur op te zeggen, met als gevolg dat [B] zijn verplichtingen uit de onderhuurovereenkomst met [eiseres] niet langer kon nakomen. Door de wanprestatie van [B] lijdt [eiseres] schade waarvoor [B] – naar [gedaagde] ook wist – geen verhaal biedt, terwijl [gedaagde] van die wanprestatie profiteert. Op grond van de wet is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft geleden of nog zal lijden. De door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

Schade

3.3.

[gedaagde] is op grond van de wet verplicht om aan [eiseres] de schade te vergoeden die zij door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] heeft geleden of nog zal lijden.

[eiseres] vordert in dit verband primair dat de kantonrechter [gedaagde] zal veroordelen om met [eiseres] een huurovereenkomst voor het tankstation aan te gaan met gelijke condities als de huurovereenkomst tussen [B] en [eiseres] .

Die wijze van schadebegroting ligt naar het oordeel van de kantonrechter echter niet in de rede. [eiseres] was onderhuurder van [B] en [B] was hoofdhuurder van [C] (nu [gedaagde] ). Als [B] de hoofdhuur niet zou hebben opgezegd had [eiseres] weliswaar het huurgenot als onderhuurder behouden, maar zij was geen hoofdhuurder van [gedaagde] geworden, zoals zij nu vordert. De primaire vordering van [eiseres] zal daarom worden afgewezen. De subsidiair gevorderde verwijzing naar de schadestaat zal worden toegewezen.

Proceskosten

3.4.

[gedaagde] heeft ongelijk gekregen. Zij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van [eiseres] , tot vandaag begroot op in totaal € 643,38, te weten:

€ 124,00 griffierecht;

€ 83,38 explootkosten;

€ 436,00 salaris gemachtigde (2 punten x het tarief van € 218,00).

4 De beoordeling van de tegenvordering van [gedaagde]

Ontruiming

4.1.

Zoals hiervoor, bij de beoordeling van de vordering van [eiseres] , al is overwogen kan [eiseres] de onderhuurovereenkomst met [B] niet aan [gedaagde] tegenwerpen. [gedaagde] is bij die overeenkomst geen partij. Dit betekent dat [eiseres] het tankstation sinds mei 2019, het einde van de hoofdhuurovereenkomst tussen [B] en [C] , zonder recht of titel gebruikt. De door [gedaagde] gevorderde veroordeling van [eiseres] om het tankstation te binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen zal daarom worden toegewezen. De eveneens gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. Als [eiseres] niet tot ontruiming overgaat heeft [gedaagde] met dit vonnis een executoriale titel waarmee de gerechtsdeurwaarder tot gedwongen ontruiming kan overgaan. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom daarnaast nog een dwangsom nodig zou zijn.

Gebruiksvergoeding

4.2.

Tussen partijen staat vast dat [eiseres] aan [B] sinds het derde kwartaal van 2019 geen huur meer heeft betaald en dat [gedaagde] de door [eiseres] aangeboden (huur)betalingen heeft geweigerd (punt 23 dagvaarding).

4.3.

[gedaagde] vordert in deze procedure schadevergoeding, omdat [eiseres] het tankstation zonder recht of titel gebruikt. Zij vordert een gebruiksvergoeding over de periode vanaf 16 september 2019 (de datum dat zij eigenaar is geworden) tot aan de ontruiming, ter hoogte van 10 cent per verkochte liter benzine, althans een door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen vergoeding. [gedaagde] berekent de gebruiksvergoeding tot en met 11 november 2020 op € 36.894,50, op basis van 10 cent per verkochte liter benzine en uitgaande van 368945 verkochte liters.

4.4.

De kantonrechter acht in de gegeven omstandigheden een gebruiksvergoeding van 2 cent per verkochte liter benzine redelijk. [eiseres] heeft niet weersproken dat over de periode 19 september 2019 tot en met 11 november 2020 368945 liter benzine is verkocht. Dit resulteert in een gebruiksvergoeding over die periode van € 7.378,90 (368945 x € 0,02). Dit bedrag zal worden toegewezen.

4.5.

Over de periode vanaf 12 november 2020 tot aan de ontruiming dient [eiseres] aan [gedaagde] ook een gebruiksvergoeding van 2 cent per verkochte liter benzine te betalen. De vordering van [gedaagde] zal in die zin worden toegewezen. Om de hoogte van de gebruiksvergoeding te kunnen bepalen dient [eiseres] aan [gedaagde] opgave te doen van het aantal verkochte liters over die periode, waarna de betalingsverplichting van [eiseres] kan worden vastgesteld. [eiseres] zal daarom worden veroordeeld om binnen 2 weken na de ontruiming aan [gedaagde] opgave te doen van het aantal verkochte liters benzine over de periode 12 november 2020 tot aan de ontruiming, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00.

Proceskosten

4.6.

[eiseres] heeft aan [gedaagde] aangeboden een vergoeding ter hoogte van de met [B] overeengekomen huur te betalen, nadat [B] was gestopt met het incasseren van de huur. [gedaagde] heeft die betalingen geweigerd en zij vordert nu een gebruiksvergoeding, die de kantonrechter heeft vastgesteld op het bedrag van de met [B] overeengekomen huur. Mede in aanmerking genomen het nauwe verband met de vordering van [eiseres] ziet de kantonrechter daarin aanleiding om de proceskosten die verband houden met de tegenvordering te compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter:

Op de vordering van [eiseres]

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] vanwege haar betrokkenheid bij de opzegging van de hoofdhuurovereenkomst door [B] jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] door dat onrechtmatig handelen heeft geleden of nog zal lijden en veroordeelt [gedaagde] om die schade aan [eiseres] te vergoeden, nader op te maken bij staat;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot vandaag begroot op € 643,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

Op de tegenvordering van [gedaagde]

5.5.

veroordeelt [eiseres] om het tankstation aan de [adres] te [plaatsnaam] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan haar toebehoren en niet aan [gedaagde] , en geheel ter vrije beschikking van [gedaagde] te stellen;

5.6.

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen € 7.378,90 aan gebruiksvergoeding over de periode vanaf 19 september 2019 tot en met 11 november 2020;

5.7.

veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] € 0,02 per verkochte liter benzine te betalen als gebruiksvergoeding over de periode vanaf 12 november 2020 tot aan de ontruiming, te betalen binnen 14 dagen na de ontruiming;

5.8.

veroordeelt [eiseres] om binnen 14 dagen na de ontruiming aan [gedaagde] opgave te doen van het aantal verkochte liters benzine via het tankstation in de periode vanaf 12 november 2020 tot aan de ontruiming, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag voor elke dag dat zij nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,00;

5.9.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.