Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1917

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
UTR 21/1342
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Woningsluiting Opiumwet, toewijzing voorlopige voorziening. Drie maanden na de drugsvondst lijkt de noodzaak om de woning te sluiten minder aanwezig, terwijl de gevolgen voor de huurder groot zijn. De voorzieningenrechter wijst erop dat de voorzitter van de ABRvS op 3 februari 2021 een conclusie heeft gevraagd over de indringendheid van de toetsing van bestuurlijke maatregelen door de bestuursrechter en de betekenis daarbij van het evenredigheidsbeginsel. Twee van de drie zaken waarin deze conclusie is gevraagd gaan ook over besluiten om woningen te sluiten nadat daarin drugs was gevonden. Het is niet ondenkbaar dat deze zaken ertoe leiden dat anders naar (de evenredigheid van) woningsluitingen moet worden gekeken dan de huidige lijn uit de overzichtsuitspraak. Dat kan gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het besluit van de burgemeester in deze zaak en voor de beslissing op het bezwaar die hij moet nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/1342


uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2021 in de zaak tussen


[verzoeker] uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A. Laghmouchi),

en

de burgemeester van de gemeente Vijfheerenlanden,
(gemachtigden: mr. M. van Ommeren en mr. R. Stuij).

Verder neemt als partij aan geding deel:

Stichting KleurrijkWonen, gevestigd in Tiel

(gemachtigde: R. de Jager).

Partijen worden hierna verzoeker, de burgemeester en de woningcorporatie genoemd.

Inleiding

1. Verzoeker woont sinds 13 jaar in de woning aan de [adres] in [woonplaats] . Hij woont daar met zijn echtgenote, hun kinderen [kind 1] van 20 jaar en [kind 2] van 18 jaar, en [kind 3] , een volwassen nicht van zijn echtgenote met een verstandelijke beperking. De oudere kinderen [kind 4] en [kind 5] wonen ergens anders. De woningcorporatie is eigenaar van de woning.

2. Op 15 februari 2021 heeft de politie de woning doorzocht. In de kamer waar [kind 5] vaak slaapt lag 26,88 gram cocaïne, een ponypack van 0,3 gram cocaïne, een weegschaal en verpakkingsmateriaal voor ponypacks. In de slaapkamer van [kind 2] stond een kluis. Daarin lagen 6 bakjes met pillen methylfenidaat en 2 bakjes met MDMA pillen, een gripzakje met 0,81 gram methafine, een ponypack van 0,05 gram cocaïne en verpakkingsmateriaal voor ponypacks. In de slaapkamer van verzoeker en zijn echtgenote is € 11.700,- aan geseald contant geld aangetroffen. [kind 4] is aangehouden en zit nog in detentie.

3. Op 19 maart 2021 heeft de politie een ‘bestuurlijke rapportage’ geschreven. Daarin staat dat het strafrechtelijk onderzoek in september 2020 is gestart. Er zijn onder andere telefoontaps geplaatst en er is gebleken dat [kind 5] en [kind 2] weten dat [kind 4] handelt in verdovende middelen, dat zij diverse klusjes voor hem doen en dat [kind 2] toegang heeft tot een kluis in de woning.

4. Met het besluit van 6 april 2021 heeft de burgemeester de woning voor 3 maanden gesloten.

5. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij de burgemeester. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft ermee ingestemd dat de woning nog niet wordt gesloten, in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter.

6. De zaak is behandeld op de online zitting van 29 april 2021. Daarbij waren aanwezig: verzoeker en zijn echtgenote [A] , hun gemachtigde, de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigde van de woningcorporatie.

Overwegingen

7. De zaak is spoedeisend. Het zal nog even duren totdat de burgemeester op het bezwaar van verzoeker beslist, terwijl hij niet zolang wil wachten met de daadwerkelijke sluiten van de woning. Verzoeker en zijn gezin moeten de woning dan voor 3 maanden verlaten.

8. De voorzieningenrechter bekijkt of het nodig is om het besluit van burgemeester te schorsen in afwachting van de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter geeft daarvoor een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit en daarmee van de kans van slagen van het bezwaarschrift, en hij weegt de belangen van verzoeker en van de burgemeester bij een schorsing. Daarbij geldt dat hoe zekerder de voorzieningenrechter is over de rechtmatigheid van het besluit om de woning te sluiten, hoe minder ruimte er is om gewicht toe te kennen aan de belangen van verzoeker bij het schorsen daarvan. De beoordeling door de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele beroepsprocedure niet.

9. De hoeveelheid drugs die in de woning is gevonden moet worden aangemerkt als een handelshoeveelheid. De burgemeester heeft dan op grond van artikel 13b van de Opiumwet de bevoegdheid om de woning te sluiten. De vraag is of de burgemeester in dit geval ook in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In dat verband moet in de eerste plaats aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde te beschermen. In de tweede plaats gaat de beoordeling over de vraag of de sluiting evenredig is. Dit volgt uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over dit soort zaken.1

10. Verzoeker voert aan dat de sluiting niet noodzakelijk en niet evenredig is.

Is de sluiting noodzakelijk?

11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op basis van de aangetroffen hoeveelheid harddrugs mag worden verondersteld dat de woning een rol vervulde binnen de keten van drugshandel. Dat levert op zichzelf al een belang op bij de sluiting van de woning. Het verpakkingsmateriaal en de weegschaal die in de woning zijn gevonden zijn bovendien aanwijzingen dat er ook daadwerkelijk vanuit de woning werd gehandeld. De grote hoeveelheid contact geld is ook zo’n aanwijzing. Verzoeker heeft wel gezegd dat dat geld contante opnames zijn van het persoonsgebonden budget van [kind 3] , maar dat vindt de voorzieningenrechter niet erg geloofwaardig. Er is namelijk geen goede verklaring voor de vraag waarom het persoonsgebonden budget tot zo’n groot bedrag in contante vorm en geseald gespaard zou moeten worden.

12. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling blijkt dat bij de beoordeling van de noodzaak om de woning te sluiten gewicht mag worden toegekend aan het doel om met die sluiting de bekendheid van een pand als drugspand weg te nemen, en om de ‘loop’ naar het pand eruit te halen, zodat het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. De voorzieningenrechter oordeelt dat de aanwijzingen dat van een dergelijke ‘loop’ sprake was en dat drugsklanten naar de woning kwamen minder concreet zijn. Pas in de aanloop naar de zitting bij de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de resultaten van een buurtonderzoek van de politie van 18 februari 2021 gedeeld. Daaruit blijkt dat omwonenden auto’s en mensen zien komen en gaan en dat een zoon van het gezin spullen lijkt af te leveren. Daarbij moet worden aangetekend dat dit buurtonderzoek vlak na de doorzoeking van de woning heeft plaatsgevonden. De omwonenden wisten toen dus al dat er volgens de politie iets aan de hand was. De voorzieningenrechter overweegt dat uit de informatie van politie en gemeente niet blijkt dat er vóór de doorzoeking al sprake was van overlast rondom de woning.

13. Daar komt bij dat de burgemeester de noodzaak om de ‘loop’ naar het pand eruit te halen klaarblijkelijk niet zo groot vond dat hij direct heeft opgetreden. Na de doorzoeking door de politie op 15 februari 2021 is het besluit om de woning te sluiten pas op 6 april 2021 genomen. Vervolgens heeft de burgemeester ermee ingestemd om de feitelijke sluiting uit te stellen tot de zitting op 29 april 2021, en daarna nog tot vandaag uitspraak wordt gedaan. Inmiddels is bijna 3 maanden voorbij gegaan sinds het aantreffen van de drugs in de woning. Deze opstelling van de burgemeester verhoudt zich niet goed tot een noodzaak om de normale woonsituatie en de openbare orde te herstellen. Het lijkt erop dat dat herstel na 15 februari 2021 al is ingezet, ook zonder dat de woning is gesloten. De voorzieningenrechter stelt vraagtekens bij dit doel van de woningsluiting en overweegt daarbij nog dat [kind 4] als hoofdverdachte van de drugshandel nog steeds in voorarrest zit.

Is de sluiting evenredig?

14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de burgemeester terecht heeft overwogen dat verzoeker als bewoner redelijkerwijs op de hoogte kon en moest zijn van wat er in de woning gebeurde. Verzoeker heeft uitgelegd dat hij en zijn echtgenote van niets wisten en dat zij wat [kind 4] heeft gedaan heel erg afkeuren. Maar dat miskent dat het wel in hun huurwoning plaatsvond en dat van hen verwacht mag worden dat ze toezicht houden op wat daar gebeurt. Daarbij speelt mee dat toen nog [kind 2] minderjarig was en dat verzoeker dus als ouder ook een verantwoordelijkheid had. Verzoeker heeft op de zitting verklaard dat [kind 2] niet wist wat er in de kluis lag en dat hij die in ruil voor snoep door [kind 4] liet gebruiken. Dat strookt niet met de tapgesprekken. Het kan zijn dat [kind 2] dit tegen zijn vader heeft gezegd, maar de voorzieningenrechter gelooft niet dat [kind 2] niet wist wat er in de kluis lag.

15. De gevolgen van de woningsluiting voor verzoeker zijn groot. Het gezin zal in ieder geval voor 3 maanden vervangende woonruimte moeten zoeken. Maar dat zal misschien ook voor een langere tijd zijn, want de woningcorporatie heeft al gezegd dat zij de huurovereenkomst zal beëindigen als de sluiting in stand blijft. Het vinden van geschikte andere woonruimte is moeilijk vanwege de financiële situatie van verzoeker. Daar komt bij dat [kind 3] lijdt aan epilepsie en een indicatie heeft voor 24-uurszorg en [kind 2] astma heeft. Op de zitting heeft verzoeker verteld dat ze vanwege de astma destijds met een urgentieverklaring deze woning hebben gekregen. Hoewel van belang is in hoeverre verzoeker zelf vervangende woonruimte kan regelen, is hierbij ook een rol weggelegd voor de burgemeester. Ook dat volgt uit de overzichtsuitspraak. De voorzieningenrechter constateert dat de burgemeester in het besluit slechts heeft vermeld dat verzoeker voor vervangende woonruimte contact kan opnemen met het Sociaal loket van de gemeente of met de Tussenvoorziening in Utrecht voor crisisopvang. De voorzieningenrechter vindt dat onvoldoende in het licht van de situatie van verzoeker en zijn gezin, vooral ook gelet op de zorgbehoefte van [kind 3] . Op de zitting is nog wel gewezen op de mogelijkheid van een tijdelijk verblijf op een vakantiepark of in een hotel, maar dat lijkt met de financiële armslag van verzoeker geen reële optie.

Is het bezwaar tegen het besluit kansrijk?

16. In het licht van het voorgaande oordeelt de voorzieningenrechter dat er zowel vraagtekens gezet kunnen worden bij de noodzaak om de woning te sluiten, als bij de evenredigheid van de sluiting in deze situatie. Het is aan de burgemeester om hierover in de bezwaarprocedure een verdere afweging te maken, maar er is bij de voorzieningenrechter in ieder geval twijfel bij de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten gebruik heeft mogen maken.

17. Hierbij is ook van belang dat de voorzitter van de Afdeling op 3 februari 2021 een conclusie heeft gevraagd aan staatsraden advocaat-generaal Widdershoven en Wattel over de indringendheid van de toetsing van bestuurlijke maatregelen door de bestuursrechter en de betekenis daarbij van het evenredigheidsbeginsel. Twee van de drie zaken waarin deze conclusie is gevraagd gaan ook over besluiten om woningen te sluiten nadat daarin drugs was gevonden. Deze zaken zijn op 23 april 2021 door een grote kamer op een zitting van de Afdeling behandeld. De voorzieningenrechter acht het niet ondenkbaar dat deze zaken ertoe leiden dat anders naar (de evenredigheid van) woningsluitingen moet worden gekeken dan de huidige lijn uit de overzichtsuitspraak. Dat kan gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van het besluit van de burgemeester en van de beslissing op het bezwaar die hij moet nemen.

Moet een voorlopige voorziening worden getroffen?

18. Als dit alles wordt afgewogen komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de spoedeisende belangen van verzoeker vereisen dat het besluit om de woning te sluiten wordt geschorst in afwachting van de bezwaarprocedure. De belangen van verzoeker om in die tijd in de woning te kunnen blijven met zijn gezin wegen nu zwaarder dan het belang van de burgemeester om nu tot de daadwerkelijke sluiting te kunnen overgaan.

19. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en zal het besluit van 6 april 2021 schorsen tot 6 weken na de nog te nemen beslissing op bezwaar.

20. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt de burgemeester ook in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 534,- met een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.068,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

­ schorst het besluit van 6 april 2021 en bepaalt dat deze schorsing vervalt 6 weken na de te nemen beslissing op bezwaar;

­ draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan verzoeker te vergoeden;

­ veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De beslissing is uitgesproken op 12 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

1 Uitspraak van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.