Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1829

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
C/16/512638 / FA RK 20-6598
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek voortzetten bijdrage in de kosten voor levensonderhoud en studie na 21 jaar op grond van een bepaling in het ouderschapsplan. Derdenbeding, aanvaarding, ontbindende voorwaarden en behoeftigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/512638 / FA RK 20-6598

Bijdrage kosten levensonderhoud en studie

Beschikking van 22 april 2021

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: [verzoekster (voornaam)] ,

advocaat mr. P.A. van Hecke,

tegen

[verweerder] ,

wonende in [.] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.M. Peet.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoekster (voornaam)] met bijlagen, binnengekomen op 10 november 2020;

  • -

    het verweerschrift van de vader met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), binnengekomen op 5 februari 2021;

  • -

    het F9-formulier van 15 maart 2021 van [verzoekster (voornaam)] ;

  • -

    de pleitaantekeningen van de advocaat van [verzoekster (voornaam)] , ter zitting overgelegd.

1.2.

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 25 maart 2021. Daarbij waren fysiek aanwezig: [verzoekster (voornaam)] met haar advocaat en de advocaat van de vader. De vader was via beeldbellen aanwezig.

2 Waar gaat het over?

2.1.

[verzoekster (voornaam)] is de dochter van de vader en [A] , hierna te noemen: de moeder.

2.2.

In de beschikking van [2011] heeft de rechtbank beslist dat de vader een bedrag van € 765,- per maand moet betalen aan de moeder aan kinderalimentatie voor [verzoekster (voornaam)] , met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

2.3.

In het aan de beschikking van [2011] gehechte ouderschapsplan van 16 augustus 2011 zijn de vader en de moeder het volgende overeengekomen: “Partijen verplichten zich aan een kind van 21 jaar of ouder een (studie)bijdrage te betalen zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met partijen met een beroepsopleiding bezig is of studeert.”

2.4.

[verzoekster (voornaam)] verzoekt de rechtbank om te beslissen dat de vader met ingang van [2020] een bedrag van € 879,- per maand moet betalen als bijdrage in de kosten voor haar levensonderhoud en studie.

2.5.

De vader vindt dat het verzoek van [verzoekster (voornaam)] moet worden afgewezen. De vader verzoekt de rechtbank zelfstandig om de bijdrage in de kosten voor haar levensonderhoud en studie voor [verzoekster (voornaam)] op nihil te stellen, dan wel om de termijn te beperken tot 1 juli 2020.

3 De beoordeling

Beslissing

3.1.

De rechtbank zal beslissen dat de vader een bedrag van € 778,- per maand aan [verzoekster (voornaam)] moet betalen als bijdrage in de kosten voor haar levensonderhoud en studie vanaf 10 november 2020. Dit betekent dat een deel van de verzoeken van [verzoekster (voornaam)] en alle verzoeken van de vader worden afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.

Motivering

Kosten van levensonderhoud en studie

3.2.

Ouders zijn verplicht om te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun jongmeerderjarige kinderen die de leeftijd van éénentwintig jaren niet hebben bereikt.1 In aanvulling op de wettelijke onderhoudsplicht voor een kind tot eenentwintig jaar, kunnen ouders contractueel overeenkomen dat zij onderhoudsplichtig zijn voor hun meerderjarige kinderen nadat deze kinderen de leeftijd van eenentwintig hebben bereikt, op welke onderhoudsplicht het betreffende kind aanspraak kan maken als er in de overeenkomst tussen de ouders sprake is van een derdenbeding.

Is er sprake van een derdenbeding?

3.3.

Tussen [verzoekster (voornaam)] en de vader is in geschil of de afspraak in het ouderschapsplan geciteerd onder 2.3. een derdenbeding inhoudt. Van een derdenbeding is sprake indien de overeenkomst voor een derde het recht schept een prestatie van een van de partijen te vorderen of op een andere wijze jegens een van hen een beroep te doen op de overeenkomst, indien de overeenkomst een beding van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt.2 Het ouderschapsplan is een overeenkomst tussen de vader en de moeder. De rechtbank moet daarom eerst beoordelen of [verzoekster (voornaam)] als derde een beroep kan doen op de onder 2.3. aangehaalde bepaling.

3.4.

De betreffende zin uit het ouderschapsplan moet worden uitgelegd aan de hand van het Haviltex-criterium.3 De bedoeling van die bepaling moet door de rechtbank worden vastgesteld aan de hand van de verklaringen van de vader en de moeder bij die overeenkomst, hetgeen zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij de uitleg van de overeenkomst tussen de moeder en de vader zijn alle omstandigheden van het geval van beslissende betekenis, waarbij die omstandigheden moeten worden gewaardeerd naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.4

3.5.

De rechtbank leest de bepaling in het ouderschapsplan zo dat deze ertoe strekt dat de vader en de moeder zich jegens elkaar verbinden om ook na het eenentwintigste levensjaar van [verzoekster (voornaam)] naar vermogen bij te dragen in de financiële ondersteuning totdat zij haar opleiding heeft voltooid. Dit is op te maken uit de inhoud van de bepaling in combinatie met de verklaringen van de vader en de moeder. De vader heeft ter zitting toegelicht dat het de intentie was van de ouders om ervoor te zorgen dat [verzoekster (voornaam)] kon studeren. De moeder heeft in een e-mailbericht aan de advocaat van [verzoekster (voornaam)] laten weten dat bij het opstellen van het ouderschapsplan het de bedoeling was dat [verzoekster (voornaam)] na haar eenentwintigste verjaardag een studiebijdrage zou ontvangen van beide ouders als zij aantoonbaar zou studeren.

3.6.

Wat betreft de vraag of [verzoekster (voornaam)] rechtstreeks een aanspraak kan ontlenen aan wat de vader en de moeder in het ouderschapsplan zijn overeengekomen zijn alle omstandigheden van het geval van beslissende betekenis, waarbij die omstandigheden moeten worden gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Een ouderschapsplan waarin de ouders verplichtingen aangaan om gedurende jaren bij te dragen in de opvoeding en verzorging van hun dochter en in het verlengde daarvan afspreken om het financieel mogelijk te maken dat zij ook na haar eenentwintigste jaar zal kunnen studeren, strekt er in de regel toe dat er op termijn een rechtstreekse rechtsbetrekking tussen de dochter en ieder van de ouders tot stand komt. De vader en de moeder hebben in dit verband immers geen belang ten opzichte van elkaar, de afspraken zien op de belangen van de dochter. De moeder heeft in het e-mailbericht expliciet verklaard dat zij hoopt dat de vader de afspraken nakomt die bij het ouderschapsplan zijn gemaakt over de bijdrage aan [verzoekster (voornaam)] na haar eenentwintigste jaar. Om deze redenen concludeert de rechtbank dat de bepaling in het ouderschapsplan waarin de ouders van [verzoekster (voornaam)] de verplichting vastleggen om haar na haar eenentwintigste jaar een (studie-)bijdrage te blijven betalen zolang zij met redelijke resultaten en overleg met partijen met een beroepsopleiding bezig is of studeert, een derdenbeding inhoudt ten gunste van [verzoekster (voornaam)] .

Is het derdenbeding aanvaard?

3.6.

Een derdenbeding geldt als aanvaard indien het beding onherroepelijk is, jegens de derde om niet is gemaakt en het ter kennis van de derde is gekomen en door deze niet onverwijld is afgewezen.5

3.7.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster (voornaam)] het beding als derde heeft aanvaard. Zij heeft ter zitting toegelicht dat zij pas na haar eenentwintigste verjaardag op de hoogte raakte van het bestaan van dit beding toen de vader stopte met het betalen van de maandelijkse bijdrage. Aanvaarding van een derdenbeding is vormvrij. Deze kan besloten liggen in het gegeven dat een vordering tot nakoming van het beding wordt opgesteld. Door deze procedure te starten, heeft [verzoekster (voornaam)] er blijk van gegeven dat zij het beding heeft aanvaard. Vanaf het moment van aanvaarding door [verzoekster (voornaam)] , kan de vader het beding niet meer herroepen. Gesteld noch gebleken is dat de vader op een eerder moment tot herroeping is overgegaan. Tenslotte gaat het om een beding om niet, aangezien [verzoekster (voornaam)] geen dienst heeft verricht of iets heeft betaald. Daarmee is, anders dan de vader heeft betoogd, aan de voorwaarden voor een derdenbeding voldaan.

Is er voldaan aan de ontbindende voorwaarden?

3.8.

De vader doet een beroep op de drie ontbindende voorwaarden die opgenomen zijn in het kader van het derdenbeding (a. met redelijke resultaten; b. in overleg met partijen; c. een beroepsopleiding). Over de voorwaarde dat [verzoekster (voornaam)] de studie met redelijke resultaten moet hebben gevolgd, stelt de vader dat daarvan geen sprake is aangezien hij geen inzage heeft in de resultaten die [verzoekster (voornaam)] tijdens haar Hbo-opleiding heeft behaald. De rechtbank gaat voorbij aan dit standpunt, aangezien in het kader van het geschil de resultaten die [verzoekster (voornaam)] na haar eenentwintigste verjaardag behaald heeft relevant zijn, dus vanaf [2020] . Zij volgde toen de universitaire opleiding waarover zij de studieresultaten heeft overgelegd. Dat deze redelijk zijn, heeft de vader niet betwist.

3.9.

Wat betreft de voorwaarde dat er overleg moet zijn geweest over de studie, is weliswaar komen vast te staan dat zo’n overleg niet met de vader heeft plaatsgevonden maar dit gegeven leidt, naar het oordeel van de rechtbank, niet tot ontbinding van het derdenbeding. Om overleg te kunnen voeren is het nodig dat er sprake is van een open contact tussen de vader en de moeder onderling en tussen de vader en [verzoekster (voornaam)] . Daarvan lijkt in dit geval al lang geen sprake meer. Niet in geschil is immers dat er sinds de echtscheiding in 2011 slechts sporadisch contact was tussen de vader en de moeder en het contact met [verzoekster (voornaam)] verwaterde. De vader woonde indertijd in [.] en de moeder en [verzoekster (voornaam)] in Nederland. De vader was sindsdien niet meer betrokken bij het leven van [verzoekster (voornaam)] in de zin dat hij een aandeel had bij het nemen van de dagelijkse beslissingen over haar. Deze situatie heeft zich voortgezet in de keuze van [verzoekster (voornaam)] voor een vervolgopleiding. De moeder heeft de vader wel geïnformeerd over de schoolkeuze. Gelet op deze al jaren bestaande verhouding tussen de vader en [verzoekster (voornaam)] kan niet aan haar worden verweten dat zij de vader niet om advies vroeg over de studiekeuze danwel met hem daarover in overleg trad. De vader heeft ter zitting bevestigd dat de ratio van de gewraakte bepaling in het ouderschapsplan was dat de ouders hebben gewild dat [verzoekster (voornaam)] een goede opleiding kon volgen. Tegen deze achtergrond bezien is het niet voor de hand liggend om aan te nemen dat bedoeld is om de afwezigheid van contact met verval van de bijdrageplicht te sanctioneren.

3.10.

Ten derde stelt de vader, voor zover het derdenbeding wordt aangenomen, dat de daaruit voortvloeiende onderhoudsverplichting geldt voor één beroepsopleiding en niet voor meerdere. [verzoekster (voornaam)] heeft er zelf voor gekozen om na het behalen van de propedeuse aan een Hbo-opleiding, een tweede opleiding te starten op de universiteit. Als zij op de Hbo-opleiding was gebleven, had zij die afgerond kunnen hebben. Zij studeert nu langer dan noodzakelijk. De keuze om te wisselen van opleiding dient daarom voor eigen rekening te komen. De rechtbank volgt de vader niet in zijn standpunt. [verzoekster (voornaam)] heeft toegelicht dat zij naast het Havodiploma een Hbo-propedeuse nodig had om de universitaire studie van haar keuze te kunnen volgen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de opeenvolging van deze opleidingen onder de noemer en rationale van de woorden ‘met een beroepsopleiding bezig is of studeert’ valt.

3.11.

Kortom, de rechtbank is van oordeel dat er voldaan is aan de voorwaarden van het beding en dat [verzoekster (voornaam)] in beginsel recht heeft op een bijdrage van de vader. Voor het vaststellen van de hoogte van de bijdrage zal eerst bekeken worden of [verzoekster (voornaam)] behoeftig is en zo ja, of de vader draagkracht heeft.

Is er sprake van behoeftigheid?

3.12.

De rechtbank volgt [verzoekster (voornaam)] in haar stelling dat zij behoeftig is. [verzoekster (voornaam)] heeft ter zitting toegelicht dat zij een nul-uren contract heeft bij een wijnbar. Vanwege de maatregelen in verband met het coronavirus is zij al maanden niet opgeroepen om te werken, waardoor zij maximaal moet lenen bij DUO. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster (voornaam)] voldoende aannemelijk gemaakt dat het niet aan haar te wijten is dat zij geen inkomsten heeft, anders dan de lening.

3.13.

In februari/maart 2012 hebben de vader en de moeder in een echtscheidingsconvenant afspraken vastgelegd over de kinder- en partneralimentatie alsmede de verdeling van de gemeenschap. De vader stelt dat daaruit blijkt dat de ouders twee spaarrekeningen beheerden ten behoeve van [verzoekster (voornaam)] . Het was de bedoeling dat de saldi gebruikt zouden worden voor de kosten van studie van [verzoekster (voornaam)] . De vader heeft deze stelling, die door [verzoekster (voornaam)] wordt betwist, niet nader onderbouwd. De rechtbank leest in het echtscheidingsconvenant onder 1.3 niet dat het spaargeld een bepaalde bestemming heeft. De rechtbank is van oordeel dat het bezit van de spaarrekeningen geen invloed heeft op de behoeftigheid van [verzoekster (voornaam)] , aangezien de saldi die daarop staan vanaf de 18-jarige leeftijd van [verzoekster (voornaam)] nooit een rol hebben gespeeld bij de hoogte van de toelage die de vader aan [verzoekster (voornaam)] heeft betaald.

3.14.

[verzoekster (voornaam)] wordt tegengeworpen dat zij niet van alle mogelijkheden gebruik heeft gemaakt om in haar behoeftigheid te voorzien. Zij heeft nagelaten een beroep te doen op de mogelijkheid om in het geval het contact met de vader voor het twaalfde jaar verbroken is, danwel er een structureel conflict met de vader is, het inkomen van de vader buiten beschouwing te laten. De rechtbank volgt deze stelling van de vader niet omdat de wettelijke mogelijkheid om in zulke uitzonderlijke gevallen een aanvullende beurs aan te vragen bij DUO niet betekent dat wanneer daarop geen aanspraak wordt gemaakt, de behoeftigheid komt te vervallen. Deze regeling doet de onderhoudsverplichting van de vader niet teniet.

3.15.

Wat betreft de hoogte van de behoefte van [verzoekster (voornaam)] sluit de rechtbank aan bij het bedrag dat de vader heeft betaald tot [2020] , de dag dat [verzoekster (voornaam)] eenentwintig jaar werd, te weten € 778,-- per maand.

Draagkracht van de vader

3.16.

Sinds het vaststellen van de door de vader te betalen kinderalimentatie in 2011 tot en met de bijdrage in het levensonderhoud van de jongmeerderjarige tot [2020] is deze, kennelijk bij gebreke van draagkracht bij de moeder, geheel ten laste gekomen van de draagkracht van de vader. De rechtbank vindt het onder deze omstandigheden redelijk om bij de bepaling van de draagkracht hetzelfde uitgangspunt te hanteren. Van een wijziging van de draagkrachtverhouding tussen de ouders is ook niet gebleken.

3.17.

De vader stelt dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden waardoor hij geen draagkracht heeft. De rechtbank is van oordeel dat de vader dat onvoldoende heeft onderbouwd. Weliswaar heeft hij aangetoond dat hij sinds 1 augustus 2018 niet meer in dienst is bij een bedrijf in [.] , maar hoe zijn financiële situatie er sindsdien en op dit moment uit ziet en wat daarin sinds [2020] is gewijzigd is onvoldoende duidelijk geworden. Om die reden gaat de rechtbank er van uit dat de vader nog steeds in staat is om de bijdrage voor [verzoekster (voornaam)] van € 778,- per maand te kunnen voldoen.

Duur van de bijdrage

3.18.

[verzoekster (voornaam)] heeft ter zitting toegelicht dat zij dit jaar haar bacheloropleiding afrondt en dat zij na de zomer start met een tweejarige masteropleiding. Dit betekent dat zij nog ongeveer tweeënhalf jaar aanspraak kan maken op het derdenbeding en op die grond recht heeft op een bijdrage van de vader.

Ingangsdatum

3.19.

De rechtbank is van oordeel dat de vader de bijdrage moet betalen vanaf het moment dat [verzoekster (voornaam)] kenbaar heeft gemaakt dat zij een beroep doet op het derdenbeding in het ouderschapsplan. Omdat de rechtbank uit de stukken niet kan afleiden op welk moment zij dit kenbaar heeft gemaakt, zal de rechtbank beslissen dat de vader de bijdrage voor [verzoekster (voornaam)] met ingang van de datum van binnenkomst van het verzoekschrift moet betalen, dat is 10 november 2020.

De alimentatie moet vooruit worden betaald

3.20.

De rechtbank zal beslissen dat de vader de bijdrage steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de bijdrage pas later in die maand wordt betaald.

Uitvoerbaar bij voorraad

3.21.

De rechtbank zal de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaren. Dat wil zeggen dat de bijdrage betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

beslist dat de vader vanaf 10 november 2020 een bedrag van € 778,- per maand moet betalen aan [verzoekster (voornaam)] als bijdrage in haar kosten voor levensonderhoud en studie;

4.2.

beslist dat de vader deze bijdrage steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

4.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het overig of anders verzochte af.

Dit is de beslissing van mr. M.C. Oostendorp, rechter, tot stand gekomen in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 april 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

1 Artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2 Artikel 6:253 lid 1 BW.

3 HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1974.

4 HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9496 en HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427.

5 Artikel 6:253 lid 4 BW.