Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1813

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
04-05-2021
Zaaknummer
16.164229.20 (P)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor verkrachting, belaging en verduistering tot een gevangenisstraf van drie jaren. Daarnaast heeft de rechtbank als vrijheidsbenemende maatregel een contactverbod opgelegd met het slachtoffer van de verkrachting en de belaging.

Bij de bepaling van de op te leggen straf, heeft de nadruk voor de rechtbank gelegen op de gepleegde verkrachtingen. De officier van justitie had een gevangenisstraf geëist van 6 jaren. De reden dat de rechtbank is afgeweken van deze strafeis is vooral dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van twee verkrachtingen is gekomen, daar waar de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat een groter aantal verkrachtingen bewezen is te achten. Verder heeft de rechtbank in strafverminderende zin meegenomen dat de relatie tussen verdachte en het slachtoffer een grillig, onvoorspelbaar verloop kende waarbij elkaar aantrekken en afstoten centraal stonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.164229.20 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 mei 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1957] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres 1] , [postcode 1] te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 30 september 2020 (pro forma), 7 oktober 2020 (pro forma), 17 november 2020 (regie) en 20 april 2021 (inhoudelijke behandeling). Op de terechtzitting van 7 oktober 2020 is de zaak met parketnummer 16.237827-20 gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T. Tanghe en van dat wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht naar voren hebben gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1 (voornaam)] ) en van dat wat mr. N. Durdabak, advocaat te Hilversum, namens het slachtoffer naar voren heeft gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking onder parketnummer 16.164229-20 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 juni 2020 te Oudewater en/of elders in Nederland [slachtoffer 1 (voornaam)] heeft belaagd;

Feit 2

in de periode van 1 januari 2019 tot en met 5 november 2019 in Polen en/of in Nederland machines van verhuurbedrijven [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft verduisterd.

De verdenking onder parketnummer 16.237827-20 komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 juni 2020 te Oudewater en/of elders in Nederland [slachtoffer 1 (voornaam)] meerdere malen heeft verkracht;

Subsidiair

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 juni 2020 te Oudewater en/of elders in Nederland met [slachtoffer 1 (voornaam)] handelingen heeft gepleegd die (mede) hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl verdachte wist dat [slachtoffer 1 (voornaam)] wilsonbekwaam was.

3 VOORVRAGEN

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard voor het onder feit 2 van parketnummer 16.164229-20 ten laste gelegde verduistering. In Polen is verdachte voor hetzelfde feitencomplex vervolgd voor diefstal, maar dit feit is daar geseponeerd. Door verdachte in Nederland alsnog te dagvaarden voor verduistering, heeft het Openbaar Ministerie verdachte tweemaal vervolgd voor hetzelfde feitencomplex. Beide feiten dienen hetzelfde te respecteren rechtsbelang. Dat is in strijd met het ne bis in idem beginsel van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De rechtbank verwerpt dit verweer. Artikel 68, eerste lid, Sr ziet op feiten waarvoor bij gewijsde van de rechter of de openbare lichamen van het Koninkrijk Nederland onherroepelijk is beslist. Daarvan is in dit geval geen sprake. Op grond van artikel 68, derde lid, Sr geldt het ne bis in idem beginsel eveneens voor de situatie dat het feit in een vreemde staat, in dit geval Polen, onherroepelijk is afgedaan door de voldoening aan een voorwaarde door de ter plaatse bevoegde autoriteit gesteld ter voorkoming van vervolging. Ook daarvan is niet gebleken. Dat betekent dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging voor dit feit.

Het Openbaar Ministerie is ook voor de overige feiten ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Verder is de dagvaarding geldig, de rechtbank bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en zijn er geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om deze strafzaak inhoudelijk te behandelen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1, 2 en het primair onder parketnummer 16.237827-20 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten. De raadsman heeft hiertoe een aantal verweren aangevoerd. De rechtbank zal de relevante verweren in haar vonnis bespreken.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring

Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde belaging, de onder 2 ten laste gelegde verduistering en aan de primair onder parketnummer 16.237827-20 ten laste gelegde verkrachting.

De rechtbank zal hierna uiteenzetten hoe zij tot deze conclusie is gekomen. Daarbij zal zij eerst ingaan op de verkrachting, gevolgd door de belaging en ten slotte op de verduistering.

De bewijsmiddelen

De rechtbank stelt de feiten en omstandigheden vast op basis van de volgende wettige bewijsmiddelen1:

Verkrachting

Tijdens een informatief gesprek op 15 mei 2020 heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Afgelopen maandag, 11 mei 2020, kwam [verdachte (voornaam)] en zei: “Stap in de auto”. Hij belde een hotel in [plaatsnaam 1] . Daar aangekomen draaide hij de deur op slot. ‘s Avonds ging hij weg om sigaretten te halen. Ik ben naar de receptie gegaan. Ik heb mijn broer gebeld en die zei: bel 112.2

In [plaatsnaam 1] moest ik hem oraal doen. Ik moest toen heel erg braken. Dat deed ik op het bed. Ik heb het met handdoeken schoongemaakt.

[verdachte (voornaam)] is 61 jaar oud. Hij is dik en groot.3

Tijdens een studioverhoor op 26 mei 2020 heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Ik heb [verdachte (voornaam)] drie jaar geleden leren kennen op de camping. Hij wilde gelijk heel veel en dat vond ik niet goed. Hij wilde seks.4

Ik moest met hem mee naar een hotel en hij ging alleen maar boven op mij te keer. Dat het echt erg was, was dat ik over gaf.5

Tijdens een studioverhoor op 26 mei 2020 heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Na de seks heb ik vaak gehuild en zei tegen hem: “Je maakt mijn leven kapot”. Ik heb wel eens gezegd: ”Misbruik me maar”. Ik kon niet tegen hem op.6

Ik ben wel eens verkracht door [verdachte (voornaam)] . Dat is voor mij dat je het zelf niet wil, je bang bent voor de situatie en hij hier overheen gaat. Eén situatie van verkrachting was achter in het bos. Hij reed er naartoe. Er was niemand, ik voelde me alleen en kon niemand bereiken. Toen

heeft hij seks gehad met mij. Ik wilde niet en was bang. Het is meerder malen gebeurd. Over mijn grens zeg maar. Het is ook wel eens in een hotel gebeurd.7

Ik heb wel eens blauwe plekken gehad. Iemand van de camping heeft dat gezien, [getuige 2 (voornaam)] . Ik denk dat [getuige 2 (voornaam)] wel weet hoe ik aan die plekken kwam.8

Ik had echt het gevoel dat hij mij zou vermoorden. Hij is groot en ik voelde me echt alleen en kon nergens naartoe. Ik gaf aan dat ik het niet wilde. Dat hij mij terug moet brengen of mij naar de dokter moet brengen. Hij gaat er gewoon mee door.9

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

De eerste keer heb ik niet aangegeven dat ik de seks niet wilde, later wel. Er kwam spuug van mij aan te pas. Dat is niet gezond.10 Ik denk dat andere mensen wel eens onze seksuele handelingen hebben opgevangen. Bijvoorbeeld mensen van het hotel, dat ze gezien hebben dat er spuug (de rechtbank begrijpt in het licht van andere verklaringen: overgeefsel) op het beddengoed zat.

Bij de verkrachting in het bos heb ik kenbaar gemaakt dat ik het niet wilde. Dat heeft hij gemerkt door wat ik deed en doordat ik aan het huilen was. Ik zei: “Niet doen”. Ik kon niet echt iets doen. Ik zat helemaal in zijn macht. Ik kon niet tegen hem op, want hij pakte mij in mijn nek en duwde mij voorover. Hij is zo (getuige doet haar armen wijd). Ik ben niet zijn gelijke daarin.11

Getuige [getuige 1] heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Ik werk in het [naam hotel] in [plaatsnaam 1] . Op dinsdag 12 mei 2020 werd ik gebeld dat er heibel was met een stel en dat een vrouw verward rondliep. Ik heb even met die vrouw gepraat. [slachtoffer 1 (voornaam)] heette ze. Ik zag dat die man net wegreed.12

De volgende ochtend is ze uit het hotel gegaan. Ze hadden er een smeerboel van gemaakt op de kamer, overgegeven op het bed.13

[getuige 2] heeft tijdens een telefonisch gesprek met de politie op 6 juli 2020 – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Ik heb een huisje op camping [plaatsnaam 4] in de directe nabijheid van het vakantiehuisje van [slachtoffer 1 (voornaam)] en haar moeder.14 Vorig jaar, ik geloof eind juli 2019, was [slachtoffer 1 (voornaam)] alleen op de camping in het huisje van haar moeder. Ik was in mijn huisje en hoorde een geroep. Ik zag dat [verdachte (voornaam)] voor het poortje van het huisje van [slachtoffer 1 (voornaam)] stond. [verdachte (voornaam)] schreeuwde

gebiedend dat [slachtoffer 1 (voornaam)] mee moest komen. [slachtoffer 1 (voornaam)] kwam overstuur terug op de camping. Ze vertelde mij dat ze van [verdachte (voornaam)] in het bos haar kleding uit moest trekken. Hij was erg gewelddadig. Vorig jaar, ik geloof eind juli 2019, was er iets gebeurd waar [slachtoffer 1 (voornaam)] ontzettend onder heeft geleden. [slachtoffer 1 (voornaam)] was alleen op de camping in het huisje van haar moeder. Ik was in mijn huisje en hoorde een geroep. Ik zag dat [verdachte (voornaam)] voor het poortje van het huisje van [slachtoffer 1 (voornaam)] stond. [verdachte (voornaam)] schreeuwde gebiedend dat [slachtoffer 1 (voornaam)] mee moest komen. Later op die bewuste dag, zag ik dat [slachtoffer 1 (voornaam)] terug kwam. Ik zag dat ze onder de blauwe plekken zat.

Ze was echt bont en blauw, de striemen zaten in haar nek. Ze vertelde tegen mij dat [verdachte (voornaam)] haar meegenomen had naar het bos en dat ze zich uit moest kleden voor hem. Hij had seks met haar. Ze vertelde dat [verdachte (voornaam)] dingen bij haar gedaan had, die je nog niet met een beest doet. Ze kon er niet verder over vertellen, ze was heel emotioneel, ze was psychisch een wrak.

In het proces-verbaal van aanhouding staat – zakelijk weergegeven – het volgende.

Op 23 juni 2020 hielden wij als verdachte aan [verdachte] , geboren op [1957] .15

Verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

In september 2017 ben ik [slachtoffer 1 (voornaam)] voor het eerst tegengekomen op de camping in [plaatsnaam 4] . De camping ligt midden in het bos. We zijn vanaf de camping wel eens naar een rustig plekje in het bos gereden. Ik heb wel vaker met haar midden in het bos seks gehad.

Het klopt dat [slachtoffer 1 (voornaam)] en ik op 11 mei 2020 naar een hotel in [plaatsnaam 1] zijn gegaan. Het klopt ook dat we daar orale seks hebben gehad en dat ze toen moest braken.16

Belaging

Tijdens een studioverhoor op 26 mei 2020 heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Ik heb [verdachte (voornaam)] drie jaar geleden leren kennen op de camping.17 Vanaf dag 1 was hij er altijd. Hij stond ‘s ochtend op maandag al op mij te wachten als ik bij de camping kwam. Precies op het moment dat ook wij weggingen stond hij er weer. In het begin belde hij veel en dat

ik toen nog niet zoveel op hem in ging. Hij werd dan boos als ik weer een week niets had laten horen. In [plaatsnaam 5] waar ik woonde, dat hij dan op zondag, als hij zijn rondjes had gedaan en langs mijn huis ging. En toeteren. En mijn broer zag hem dan ook. Ik zag dan zijn auto.18

lk heb hem alles gegeven wat hij vroeg. Mijn mail stond in zijn mobiel en als ik het dan wilde wijzigen kreeg hij een code en nu kan ik er nog steeds niet in. Hij deed dagelijks mails. Ik keek op [...] en zag dat hij accounts had gemaakt. [...] en [....] . Die heb ik nooit gemaakt.19

Mijn moeder zegt ook dat [verdachte (voornaam)] altijd briefjes achterlaat en dat die met seks en mij te maken hebben. Hij legde ze bij mijn moeder onder de auto, op de gasfles op de camping. En ook nog een keer bij mijn broer. Hij belde mijn moeder ook en mijn broertje. 20

Het punt dat het niet meer leuk en gewenst was: Het weten dat iemand vreemd gaat dan moet je weg gaan. Niet van meerdere walletjes eten. Niet iemand voor de gek houden. Hij blijft maar achter mij aan lopen. Als hij nu hier staat neemt hij mij weer mee. Dag en nacht altijd bij de camping. Altijd was hij er. Ik reed met mijn moeder weg, dan stond hij achter een bosje. Ik dacht dan wat is er met mij wat moet hij van mij. Gluren naar mij. Ik heb hem ook wel eens gezegd dat ik er klaar mee was en wilde stoppen. Ja gewoon weg wezen oprotten of mijzelf verstoppen als hij kwam. Ik heb familie in Zeeland en daar ga ik dan heen zonder dat ik zeg dat ik daar ben. Dan rijdt hij daar heen en staat zijn auto een halve dag een weg verder.21 Het ergste is geweest dat hij mij leven heeft overgenomen, mijn telefoons en mijn contacten, mij familie. Mensen contacten. Hij kwam ook op mijn Facebook.22

Tijdens een studioverhoor op 26 mei 2020 heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Ik belandde in [instelling 3] en daar stond continue [verdachte (voornaam)] op de stoep en dan ging ik naar Zeeland en stond [verdachte (voornaam)] daar weer. Als ik bijvoorbeeld niet bij [verdachte (voornaam)] was, stonden er foto’s op internet.

In die berichten schreef hij: ik weet waar je bent. Dit plaatste hij op Facebook, of hij sms’te het naar mij.23

Bij de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Als [verdachte (voornaam)] contact opnam, liep hij vaak langs. Hij nam ook contact op via mijn familie.24 Toen ik [verdachte (voornaam)] leerde kennen vroeg hij om al mijn wachtwoorden. Hij zei dan: ‘Ik heb een verrassing voor je’. Daar trapte ik in. Toen heeft hij overal zijn nummer ingezet. Ik kan daarom ook niet meer in mijn eigen Gmail en mijn Facebook. Hij heeft daarin alles overgenomen.25

Hij stuurde mijn moeder berichten dat hij met mij ging trouwen. Hij kwam bij haar binnen om te praten. Hij reed ook wel eens achter haar aan en zei dan: “Aan de kant, je licht doet het niet”. Haar licht deed het dan wel gewoon. Hij viel haar lastig. Ze had ook geen leven. Ook als mijn moeder in Zeeland was, was hij daar ook weer. Ook de kinderen van mijn zus waren bang.26

[getuige 2] heeft tijdens een telefonisch gesprek met de politie op 6 juli 2020 – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Ik heb een huisje op camping [plaatsnaam 4] in de directe nabijheid van het vakantiehuisje van [slachtoffer 1 (voornaam)] en haar moeder.27 [verdachte (voornaam)] liep maar rond op de camping. Hij loerde en kroop altijd weg als iemand hem passeerde. Er zijn ook verschillende meldingen gedaan bij de beheerder van de camping. Hij liep de camping altijd op via de slagboom van de hoofdingang en pakte dan een zijpaadje naar rechts. Op deze manier ontliep hij de beveiligingscamera’s. Ik zag hem regelmatig sluipen langs de paadjes van de caravans.28

Op 5 november 2019 schrijft [slachtoffer 1 (voornaam)] aan verdachte – zakelijk weergegeven – het volgende.

In mijn kwaliteit van (hoofd)bewoner c.q rechthebbende op de woning, gelegen aan de

[adres 3] te [plaatsnaam 5] en chalet nr. [nummeraanduiding/letteraanduiding] op camping [naam camping] , [adres 4] , te [plaatsnaam 4] deel ik u mede dat ik u, vanaf heden ( [2019] ) de toegang tot mijn woning,

inclusief/eventuele aanhorigheden en bij de woning en chalet behorende erven, ONTZEG!29

In een e-mailbericht van [slachtoffer 1 (voornaam)] aan verdachte van 6 november 2019 staat – zakelijk weergegeven – het volgende.

Aangezien jij niet stopt met contact zoeken, laat ik jou bij deze, nog eenmaal duidelijk weten

dat ik helemaal klaar ben met jou. (…) Ik heb je dit al meerdere malen laten weten, maar je blijft op vervelende manieren toch proberen om weer in contact te komen en ik zeg bij deze nogmaals; STOP! (…) Ik vraagje ook dringend om ermee te stoppen mijn familie, mijn contacten via social media (en wie je dan ook belaagd uit naam van mij), lastig te vallen met de smerigste leugens en 9 foto's/filmpjes van en over mij.30

Meerdere e-mailberichten van [verdachte] aan [slachtoffer 1] vanaf 6 november 2019 tot en met 8 juni 2020 strekken -samengevat – tot het volgende. 31

Verdachte vraagt of [slachtoffer 1 (voornaam)] zwanger is, beschuldiging van leugens, hij haalt herinneringen op aan wat ze samen hebben gedaan, zegt dat ze op een fatsoenlijke manier afscheid moet nemen, berichten met alleen een onderwerp zoals ‘zag je rijden bij friet zaak’, ‘ [slachtoffer 1 (voornaam)] en [verdachte (voornaam)] ’, ‘koffie je weet wel waar’, ‘hee weer op je hoeren site [.......] aan het zoeken en oude klanten je broer had gelijk het is gewoon een smerig hoertje’ en ‘veel plezier met je opvang sex’.

In een brief van de camping te [plaatsnaam 4] van 18 november 2019 staat – zakelijk weergegeven - het volgende.

Naar aanleiding van uw ongewenst gedrag op onze camping gevestigd aan de [adres 4]

te [plaatsnaam 4] , delen wij u hierbij mede dat wij besloten hebben u met ingang heden (zie

datum briefhoofd) conform artikel 461 Wetboek van Strafrecht de toegang te ontzeggen

tot de camping gevestigd aan de [adres 4] te [plaatsnaam 4] voor een periode van 36 maanden.32

In een e-mailbericht van wijkagent [wijkagent] aan verdachte van 7 december 2019 staat – zakelijk weergegeven – het volgende.

Zowel op zaterdag 9 november als donderdag 14 november j.l. bent u aan bureau [plaatsnaam 10] ontboden. U bent op beide data niet verschenen. Uit onderzoek is gebleken dat ondanks herhaald verzoek aan u (per mail/post/aangetekende post) van mevrouw [slachtoffer 1]

geen contact meer met haar of haar familie/vrienden te zoeken, u toch daarmee door blijft gaan. Ook gebruikt u het emailadres [emailadres] , en is de herstelcode gekoppeld aan uw telefoon. Genoemd emailadres behoort oorspronkelijk niet aan u toe.33

In een overzicht met meldingen staat – voor zover van belang – het volgende.

- Melding 21 maart 2020: [slachtoffer 1 (voornaam)] verbleef met moeder in chalet op de camping. Avond ervoor was [verdachte (voornaam)] bij Chalet geweest en had paar keer op chalet geklopt.34

- Melding 1 maart 2020: Moeder meldde dat er soms sigaretten op de gasfles bij het chalet liggen. Zouden zijn neergelegd door [verdachte (voornaam)] . Moeder meldde dit pas later, niet duidelijk wanneer dit gebeurde.35

Onderzoek naar de reisbeweging van verdachte in een gehuurde auto heeft – zakelijk weergegeven – het volgende resultaat opgeleverd.

Verdachte heeft een Toyota Aygo, voorzien van kenteken [kenteken 2] , gehuurd bij autoverhuurbedrijf [onderneming] . Uit de ANPR blijkt dat verdachte [verdachte] met zijn voertuig reizend door Nederland trekt. Te zien zijn de reisbewegingen tussen 17 mei 2020 en 25 mei 2020. Hieruit is gebleken dat hij veelvuldig plaatsen aandoet waar slachtoffer [slachtoffer 1] heeft gewoond of heeft verbleven en waar familie woont. [plaatsnaam 5] , provincie Zeeland. Tevens bleek uit de locaties van de tapgesprekken en de door [verdachte] gevoerde gesprekken dat hij veelvuldig in de omgeving van [plaatsnaam 5] is geweest en de omgeving in de provincie Zeeland waar haar familie woonachtig is en [slachtoffer 1] zelf is opgegroeid. Zo is uit de ANPR gegevens te zien dat verdachte meerdere keren in de omgeving is van de ouderlijke woning van [slachtoffer 1 (voornaam)] , gelegen aan de [adres 3] te [plaatsnaam 5] . Ook reist verdachte richting de provincie Zeeland, waar de zus van [slachtoffer 1 (voornaam)] woonachtig is op de [adres 5] te [plaatsnaam 6] . Verdachte is ook naar de plaats gereisd waar [slachtoffer 1 (voornaam)] is opgegroeid, namelijk [plaatsnaam 7] .

Dit komt overeen met de verklaringen van de familieleden die zeggen dat verdachte hen overal volgt.36

In een e-mailbericht van 25 mei 2020 van verdachte aan [A] , de zus van [slachtoffer 1 (voornaam)] , staat -zakelijk weergegeven – het volgende .

(…)

Het was aan jou te danken dat ze weer in de opvang kwam waar ze die heroïne verslaafde tegen kwam. Dat ze weer bij prostituees en verslaafden zit de hele dag. En daarom ook weer op die hoerensite wilde onlangs. Het is voor 90 procent jou schuld als het mis gaat met [slachtoffer 1 (voornaam)] . En ze de verkeerde ontmoet in de prostitutie drie hoog achter zwanger en verslaafd

Als je zoveel om haar geeft neem haar in je huis op ruimte genoeg.

Of vertrouw je haar niet met je gezin ?

(…)

Fijne dag. Hoop dat je nog kunt slapen als het zo echt mis gaat met [slachtoffer 1 (voornaam)]

En dat gebeurt. Op zeker

Maar alles beter dan [verdachte (voornaam)] . Toch37

Een onderzoek naar telecomgegevens van het telefoon- en IMEInummer van verdachte heeft – zakelijk weergegeven – het volgende opgeleverd.

Uit de opgenomen gesprekken blijkt:

  • -

    dat verdachte berichten stuurt naar het telefoonnummer van [slachtoffer 1 (voornaam)] . De inhoud van deze berichten bestaan uit aantijgingen die betrekking hebben op seks, vreemdgaan en social media;

  • -

    dat verdachte op 27 mei 2020 hulpinstelling [instelling 1] te [plaatsnaam 2] belt;

  • -

    dat verdachte zich op 13 juni 2020 voordoet als de broer van [slachtoffer 1 (voornaam)] en een hulpinstelling te [plaatsnaam 8] belt en dat hij tijdens dit gesprek probeert te achterhalen of [slachtoffer 1 (voornaam)] hier verblijft, door aan te zeggen dat hij een pakketje voor zijn zusje wil opsturen.38

Over het aantreffen van een instagram bericht van account [acccount] is – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd.

Op vrijdag 19 juni 2020 en zaterdag 20 juni 2020 ontving ik, verbalisant, van [A] twee email berichten met hierin ieder een screenshot van een Instagram account afbeelding van [acccount] . [A (voornaam)] (zus van [slachtoffer 1 (voornaam)]) liet mij weten dat zij deze Instagramaccount volgt omdat het lijkt alsof deze van haar zusje [slachtoffer 1 (voornaam)] is. [A (voornaam)] liet mij weten dat haar zusje [slachtoffer 1 (voornaam)] deze Instagramberichten niet heeft kunnen maken omdat zij in de instelling waar zij verblijft geen internettoegang heeft. [A (voornaam)] liet mij verder weten dat zij vermoedt dat [verdachte] deze Instagram account beheert omdat hij volgens haar al eerder fake Instagram accounts heeft aangemaakt van [slachtoffer 1 (voornaam)] en haar

Google email beheert met het wachtwoord.39

In een e-mail van verdachte aan [B (voornaam)] (broer van [slachtoffer 1 (voornaam)] ) van 18 mei 2020 staat – zakelijk weergegeven – het volgende .

[B (voornaam)] ik hoop dat [slachtoffer 1 (voornaam)] thuis is het is helemaal fout met haar bij dat begeleid wonen allemaal prostituees. Echt vraag het [slachtoffer 1 (voornaam)] weer naar [instelling 2] is ook niks allen maar buitenlanders verslaafden en hoeren. (…) Wisten jullie dat [slachtoffer 1 (voornaam)] toen ze met [.] was ook een relatie met een ander had. En zwanger is geweest. En een abortus kliniek geheel allen bezocht heeft. Er zit heel veel tweestrijd in [slachtoffer 1 (voornaam)] het gelovige meisje uit zeeland. En ik mag het niet zeggen de hoer van nu. Mede door de soort mensen waar ze nu mee omgaat.

Er is iets mis met [slachtoffer 1 (voornaam)] en die [.....] . Berichten op tel ik kan ze je sturen blijkt dat [.....] bemiddelt heeft met mannen voor [slachtoffer 1 (voornaam)] . Via [site] en andere sites.40

[C] , de broer van [slachtoffer 1 (voornaam)] , heeft tijdens een gesprek met de politie – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

[verdachte (voornaam)] stuurt de gekste dingen naar bekenden. Dat [slachtoffer 1 (voornaam)] een hoer en een junk is.41

Verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Ik heb toegang gehad tot de social media accounts van [slachtoffer 1 (voornaam)] . Ik heb brieven en dergelijke voor [slachtoffer 1 (voornaam)] verstuurd. Ik heb wel eens een instagram account van [slachtoffer 1 (voornaam)] aangemaakt, [acccount] . Het klopt dat ik instellingen heb gebeld terwijl ik mij voordeed als de broer van [slachtoffer 1 (voornaam)] .. Ik heb vanaf november 2019 veel berichten gestuurd.

Verduistering 42

Verbalisanten hebben – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd over het aantreffen van een aantal machines.

Op 5 november 2019 kregen wij de melding dat medewerkers van verhuurbedrijf [slachtoffer 2] bij een pand op de [adres 6] in [plaatsnaam 9] stonden en daar gestolen machines hadden aangetroffen, die eigendom waren van [slachtoffer 2] . Op basis van de gegevens van een GPS baken in een van de machines was gebleken dat deze op het adres [adres 2] in [plaatsnaam 9] zou moeten staan. De huurder zou zijn genaamd, " [verdachte] ".43

Ik, [E] , zag dat in dezelfde garageruimte waar de twee schaarliften stonden ook

een personenauto stond voorzien van het kenteken [kenteken 1] , geregistreerd op naam van

[D] op het adres [adres 2] in [plaatsnaam 9] . Ik zag dat [D] in het GBA stond ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaatsnaam 3] . Bij nadere bevraging van dat adres zag ik dat op dit adres ook stond ingeschreven [verdachte] , geboren op [1957] te [geboorteplaats] .44

In de garage bleek na nader onderzoek aan de twee schaarliften dat een van de twee schaarliften de genoemde schaarlift van [slachtoffer 2] betrof, voorzien van het serienummer [serienummer 1] . Wij zagen op dat moment dat de schaarlift was ontdaan van alle stickers van [slachtoffer 2] , waardoor deze, los van de oranje huiskleur, niet meer herkenbaar was als een machine van [slachtoffer 2] . Wij zagen dat resten van de stickerlijm nog op de schaarlift aanwezig waren.45

[getuige 3] heeft als aangever – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

In de maand september 2019 heb ik zelf op Marktplaats een advertentie geplaatst

waarin ik graafmachines te koop vroeg. Op 6 oktober 2019 werd ik 's avonds gebeld door een mannelijk persoon. Deze man zei tegen mij dat hij had vernomen dat ik belangstelling had voor een minikraan. Hij zei tegen mij dat hij een kraantje te koop had en dat dit 10.000 euro moest kosten.46

Ik ben naar het adres [adres 7] , postcode [postcode 2] [plaatsnaam 9] gereden. Dit is een garagebedrijf genaamd "Garage van [plaatsnaam 9] ". De man vertelde mij dat hij een verhuurbedrijf in Polen had gehad van dit soort machines en dat hij dat bedrijf failliet had laten verklaren. De machines van dit bedrijf kwamen nu terug naar Nederland.

De graafmachine waar ik belangstelling voor had was van het merk Kubota. Ik had

contant geld meegenomen. Ik vroeg aan de man of ik een bon kon krijgen van de

aankoop. Ik hoorde dat de man tegen mij zei dat die bon er aan zou komen. Ik heb het hele bedrag van 10.000 euro contant betaald.

Na ongeveer anderhalve week, rond 17 oktober 2019, werd ik gebeld door de man van het garagebedrijf. Hij zei dat hij nog een graafmachine te koop had. Ik heb de kraan die de man mij nu aanbood in de loods bekeken. Deze was van het merk Yanmar. Ook dit was een minikraan. Ik heb 7.000 euro geboden voor deze kraan en uiteindelijk ook voor betaald. Ik vroeg weer om een bon aan de man. Hij zei dat de bon er aan zou komen.47 Omdat ik nog steeds geen bon had gekregen, heb ik de man op 28 oktober 2019 een bericht gestuurd per Whats App met de vraag waar de bon bleef. Ik vond het toen al een beetje raar worden.

Op 5 november 2019 kwam de politie bij mij thuis. Deze vertelde mij dat ik waarschijnlijk een gestolen minikraan in mijn schuur zou hebben staan. In de avond werd ik gebeld door de man. Hij vroeg aan mij wat ik had verteld aan de politie. Ik zei daarop dat ik verteld had dat de twee graafmachines bij hem had gekocht en dat ik zijn adres had doorgegeven aan de politie. Ik hoorde daarop dat de man zei dat ik dat niet had moeten zeggen. Ik moest gaan vertellen dat ik de graafmachines had gehuurd, omdat hij en ik er dan beter van af zouden komen. Hij zei dat ik waarschijnlijk ook wel had geweten dat de machines waren

gestolen.48

[K] heeft als aangever namens [slachtoffer 2] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard .

Ik werk voor firma [slachtoffer 2] in Polen. Sinds januari 2021 maakt [slachtoffer 3] onderdeel uit van [slachtoffer 2] .49 U houdt mij voor dat in Nederland de volgende goederen zijn aangetroffen:

  • -

    Hoogwerker, Skyjack Sj III 4626, oranje van kleur, eigenaar [slachtoffer 2] , serienummer [serienummer 1] .

  • -

    Graafmachine Kubota Kx016-4 G, eigenaar [slachtoffer 2] , serienummer [serienummer 2] ;

  • -

    Graafmachine Yanmar Sv 18, productienummer [productienummer] ;

  • -

    Hoogwerker Jlg 2646 ES, serienummer [serienummer 3] ;

Ik herken deze spullen. De spullen waren verhuurd in [plaatsnaam 11] , in een korte periode daarna is gebleken dat deze in Nederland waren zonder toestemming om deze te vervoeren naar het buitenland. U kunt zien op de aflevering bewijzen dat de goederen zijn afgeleverd aan Dhr. [verdachte] . De goederen zijn verhuurd op 4 oktober 2019 in [plaatsnaam 11] .50 Via GPS zag ik dat de machines in Nederland waren. Aan [slachtoffer 2] Nederland heb ik gevraagd naar de plek te gaan waar de machines stonden. Wij kwamen er toen achter dat [verdachte] twee machines had doorverkocht aan een andere persoon. Dat was de Kubota graafmachine van [slachtoffer 2] en de Yanmar SV18 graafmachine van [slachtoffer 3] . Deze zijn aangetroffen op het adres [adres 8] [plaatsnaam 9] . Ik begreep dat een man had gezegd dat hij deze goederen van [verdachte] had gekocht. De overige machines stonden op de [adres 2] in [plaatsnaam 9] . Dat zijn de hoogwerker Skyjack en de hoogwerker JLG.51

Verdachte heeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Ik heb in Polen machines gehuurd onder mijn naam. Ik heb de machines doorverhuurd in Nederland.

De bewijsoverwegingen

Verkrachting

Bij zedenzaken leunt de bewezenverklaring vaak zwaar op de verklaring van één getuige. In deze zaak is dat ook het geval. Hier vormt de verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] het uitgangspunt. Om de verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] te kunnen gebruiken als bewijs, moet deze betrouwbaar zijn. De rechtbank zal daarom allereerst over de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] een oordeel geven.

Anders dan door de raadsman is betoogd, is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan te nemen dat sprake is van een onbetrouwbare verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] . De verschillende verklaringen die zij op dit punt heeft afgelegd, komen in grote lijnen en op essentiële punten met elkaar overeen. Haar verklaring is consistent en daarnaast ook voldoende gedetailleerd. De rechtbank ziet in dat [slachtoffer 1 (voornaam)] een psychisch instabiel persoon is, maar dat maakt niet dat haar verklaring dus als onbetrouwbaar moet worden afgedaan. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [slachtoffer 1 (voornaam)] verdachte opzocht en geen aangifte heeft gedaan. Deze omstandigheden doen zich met enige regelmaat voor bij zedenmisdrijven, zijn niet uitzonderlijk en moeten mede worden bezien in het licht van het feit dat verdachte en [slachtoffer 1 (voornaam)] een relatie hadden met elkaar, waarbij [slachtoffer 1 (voornaam)] soms ook sterk leunde op verdachte.

De rechtbank heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] ’s verklaring kritisch bekeken, maar heeft (in elk geval) geen reden hieraan te twijfelen daar waar deze voldoende ondersteund wordt door het in de bewijsmiddelen genoemde steunbewijs.

Bewezen verklaarde verkrachtingen

[slachtoffer 1 (voornaam)] heeft verklaard dat verdachte haar over een periode van ongeveer drie jaar meerdere keren heeft verkracht. Hoewel er wel aanwijzingen zijn dat verdachte [slachtoffer 1 (voornaam)] vaker dan twee keer verkracht heeft, is de rechtbank van oordeel dat er voor twee verkrachtingen voldoende steunbewijs in het dossier zit. Het betreft de verkrachtingen in het bos en in het hotel te [plaatsnaam 1] .

[slachtoffer 1 (voornaam)] heeft over de verkrachting in het bos verklaard, dat verdachte daar met haar naartoe was gereden. Er was verder niemand, ze voelde zich alleen en kon niemand bereiken. Daar heeft verdachte seks gehad met haar, zowel in de auto als daarbuiten. Ze wilde niet en was bang. Ze huilde en zei tegen verdachte: “Niet doen”. Hij pakte haar in haar nek en duwde haar voorover.

Getuige [getuige 2] (door [slachtoffer 1 (voornaam)] aangeduid als [getuige 2 (voornaam)] ) heeft verklaard dat [slachtoffer 1 (voornaam)] alleen was in het huisje van haar moeder op de camping. [getuige 2] zag dat verdachte voor het poortje van het huisje stond en gebiedend schreeuwde dat [slachtoffer 1] mee moest komen. Later die dag zag ze dat [slachtoffer 1 (voornaam)] terugkwam en onder de blauwe plekken zat. Ze was bont en blauw en had striemen in haar nek. [slachtoffer 1 (voornaam)] vertelde aan [getuige 2] dat verdachte haar mee had genomen naar het bos en dat ze zich daar uit moest kleden voor hem. Hij had seks met haar. Ze vertelde dat verdachte dingen bij haar had gedaan, die je nog niet met een beest doet. Ze kon er niet verder over vertellen, ze was heel emotioneel en psychisch een wrak.

[slachtoffer 1 (voornaam)] heeft over de verkrachting in het hotel in [plaatsnaam 1] verklaard, dat verdachte de hotelkamer op slot deed, dat ze verdachte oraal moest doen en toen heel erg moest braken. Ze heeft het met handdoeken schoongemaakt.

Getuige [getuige 1] , de eigenaar van het hotel in [plaatsnaam 1] , heeft verklaard dat verdachte en [slachtoffer 1 (voornaam)] er een smeerbende van hadden gemaakt op de hotelkamer, ze hadden overgegeven op het bed. [slachtoffer 1 (voornaam)] had tegen hem gezegd dat ze had overgegeven.

Dwang

Tot slot dient de rechtbank vast te stellen of sprake is geweest van dwang in de zin van artikel 242 Sr. Van dwingen is sprake wanneer het slachtoffer toelaat wat hij of zij zonder dwang niet zou hebben toegelaten. Van dwang kan slechts sprake zijn indien de verdachte opzettelijk veroorzaakt dat het slachtoffer de handelingen tegen zijn of haar wil ondergaat. Tevens moet dit voor verdachte kenbaar zijn of had dit voor hem kenbaar kunnen zijn. Dit moet volgen uit de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] blijkt, dat er zowel tijdens de gebeurtenis in het bos als in het hotel sprake was van dwang en dat het voor verdachte kenbaar was dat zij niet wilde. [slachtoffer 1 (voornaam)] heeft over het bos immers verklaard dat verdachte haar had meegenomen naar een afgelegen plek, dat ze bang was, dat ze tijdens de seks moest huilen en dat ze tegen verdachte zei: “Niet doen”. Deze verklaring wordt naar het oordeel van de rechtbank ondersteund door de verklaring van [getuige 2] over het waargenomen letsel bij [slachtoffer 1 (voornaam)] , waaruit blijkt dat er eveneens geweld is gebruikt. Over het hotel heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] verklaard dat verdachte bij aankomst in de kamer de deur op slot deed, dat ze verdachte oraal moest doen en toen heel erg moest braken. Uit het feit dat zij verdachte oraal moest doen en toen moest braken leidt de rechtbank af dat er sprake was van dwang.

Verdachte heeft over het pijpen nog verklaard dat [slachtoffer 1 (voornaam)] dit in feite vrijwillig deed omdat zij ‘gulzig’ zou zijn en dat zij om die reden inderdaad moest braken, maar deze verklaring acht de rechtbank ongeloofwaardig zodat zij er om die reden aan voorbij gaat.

Tot slot merkt de rechtbank op dat zij zich realiseert dat verdachte en [slachtoffer 1 (voornaam)] ook een relatie hadden waarbij op vrijwillige basis seks plaats vond. De rechtbank constateert echter dat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1 (voornaam)] een grillig, onvoorspelbaar verloop kende en de rechtbank heeft gelet op de wettige bewijsmiddelen dan ook de overtuiging bekomen dat in de relatie van verdachte en [slachtoffer 1 (voornaam)] op de hiervoor genoemde momenten onvrijwillige seks heeft plaatsgevonden.

Conclusie

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] betrouwbaar en geloofwaardig voor wat betreft hetgeen heeft plaatsgevonden in het bos en in het hotel in [plaatsnaam 1] . Voor deze verklaring is voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1 (voornaam)] door het brengen van [slachtoffer 1 (voornaam)] naar een afgelegen plek en door geweld heeft gedwongen om seksuele handelingen te ondergaan tegen haar wil zoals hierna bewezen zal worden verklaard.

Belaging

Voor een bewezenverklaring van belaging in de zin van artikel 285b Sr, moet onder meer sprake zijn van het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op een anders persoonlijk levenssfeer. Bij de beoordeling of sprake is van stelselmatigheid als hiervoor bedoeld, zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Uit het dossier volgt dat verdachte gedurende een lange periode bovengemiddeld veel contact zocht met [slachtoffer 1 (voornaam)] . Op 6 november 2019 heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] aan verdachte een mail gestuurd waarin zij in niet verkeerd te begrijpen woorden aangaf geen contact meer met hem te willen. In ieder geval vanaf dat moment moest het voor verdachte duidelijk zijn dat hij geen direct of indirect contact met [slachtoffer 1 (voornaam)] meer te zoeken. Dit weerhield verdachte er echter niet van om door te gaan met contact zoeken. Ook daarna heeft hij veel berichten en brieven gestuurd naar [slachtoffer 1 (voornaam)] en haar familie, de meeste met jegens [slachtoffer 1 (voornaam)] kwetsende en privacy gevoelige inhoud. Ook heeft hij [slachtoffer 1 (voornaam)] gevolgd en de camping bezocht waar zij en haar moeder verbleven. Daarnaast heeft hij gebeld naar de zorginstellingen waar [slachtoffer 1 (voornaam)] verbleef en zich voorgedaan als haar broer en een social media account op naam van [slachtoffer 1 (voornaam)] aangemaakt en beheerd. Dit alles is doorgegaan tot in juni 2020. Door zo te handelen heeft verdachte in elk geval vanaf 6 november 2019 gedurende een periode van ongeveer een half jaar wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1 (voornaam)] .

Voor zover ten laste is gelegde dat verdachte zich ook voor 6 november 2019 schuldig heeft gemaakt aan belaging, zal de rechtbank verdachte vrijspreken.

Verduistering

Wederrechtelijke toeëigening

Voor een bewezenverklaring van verduistering moet worden bewezen dat verdachte zich de goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Ook moet worden bewezen dat het oogmerk van verdachte hierop was gericht.

De rechtbank is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat sprake is van verduistering van de twee graafmachines en de twee schaarliften.

Verdachte heeft deze machines in Polen gehuurd en zonder toestemming van de verhuurder deze machines naar Nederland vervoerd. Vervolgens heeft hij de graafmachines doorverkocht, terwijl hij hiertoe als huurder uiteraard niet gerechtigd was. Ook heeft verdachte de stickers van het verhuurbedrijf die op een van de schaarliften was aangebracht, verwijderd. Uit deze handelwijze maakt de rechtbank op dat verdachte de in Polen gehuurde machines zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Wanprestatie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van verduistering, maar dat er mogelijk slechts sprake is van een civielrechtelijke wanprestatie. Verdachte heeft de machines niet verkocht maar onderverhuurd. Hij heeft ze onder eigen naam gehuurd en is bekend met het GPS systeem dat erin zit. Het is niet aannemelijk dat hij de machines dan zou hebben verkocht.

De rechtbank overweegt dat in ieder geval strafrechtelijk sprake is van verduistering, verdachte heeft zich immers de machines die hij anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk toegeëigend. Van toe-eigening is immers sprake indien een persoon als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort. Dat de machines aan een ander dan verdachte toebehoren staat vast, en door deze machines door te verkopen aan derden (dat het gaat om een doorverkoop wordt bevestigd door getuige [getuige 3] ) heeft verdachte wederrechtelijk – immers zonder toestemming van de rechthebbenden – over deze goederen beschikt. In civiele zin is dit uiteraard een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) jegens de rechthebbende , maar dit laat onverlet dat het handelen van verdachte eveneens een strafbaar feit oplevert...

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1

op tijdstippen in de periode van 6 november 2019 tot en met 23 juni 2020 in de gemeente [plaatsnaam 5] en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door

- die [slachtoffer 1] en haar familie vele malen mailberichten te sturen met kwetsende inhoud en

- in ieder geval één social media account op naam van die [slachtoffer 1] te beheren en

- door die [slachtoffer 1] te volgen en

- door de camping te bezoeken waar de moeder van [slachtoffer 1] een huisje heeft en

- door [slachtoffer 1] op te zoeken in de zorginstellingen waar zij verblijft en

- door te bellen naar de zorginstellingen waar [slachtoffer 1] verblijft en zich daarbij voor te doen als broer van [slachtoffer 1] en

- door vele berichten te sturen naar die [slachtoffer 1] ,

met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden;

Feit 2:

in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 5 november 2019 in Polen en/of Nederland opzettelijk

- meer graafmachines en

- meer schaarliften, geheel toebehorende aan

- verhuurbedrijf [slachtoffer 2] en/of

- verhuurbedrijf [slachtoffer 3] ,

en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht onder parketnummer 16.237827-20 wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Primair

op tijdstippen in de periode van 1 september 2017 tot en met 23 juni 2020 in Nederland door geweld of een andere feitelijkheid, te weten

- het gebruik maken van zijn, verdachtes, fysieke overwicht op [slachtoffer 1] en

- het brengen van [slachtoffer 1] naar een stille en afgelegen plek en een hotel en

- [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het brengen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel in de vagina de mond van die [slachtoffer 1] .

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1

belaging;

Feit 2

verkrachting, meermalen gepleegd;

Primair onder parketnummer 16/237827-20

verduistering, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Verdachte heeft meegewerkt aan een pro justitia psychologisch onderzoek door psycholoog J.M. Oudejans. In het rapport van 1 maart 2021 dat naar aanleiding van dit onderzoek is opgemaakt, is geconcludeerd dat het tenlastegelegde – indien bewezen – volledig aan verdachte kan worden toegerekend. Dat betekent dat er geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van zes (6) jaren, met aftrek van het voorarrest;

- oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1 (voornaam)] in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel, voor de duur van vijf (5) jaren, met daaraan verbonden één (1) maand hechtenis per overtreding met een maximum van zes (6) maanden, een en ander met dadelijke uitvoerbaarheid;

- opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen straf of maatregel. Wel heeft de verdediging zich verzet tegen de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleidende opmerkingen met betrekking tot de strafoplegging

Bij de oplegging van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken.

De ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd

Verdachte heeft zich in de eerste plaats schuldig gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer 1 (voornaam)] . De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte dit feit tweemaal heeft gepleegd. De eerste verkrachting vond plaats op een afgelegen plek in het bos. Verdachte heeft [slachtoffer 1 (voornaam)] op een dwingende manier gevraagd met hem mee te gaan naar het bos. [slachtoffer 1 (voornaam)] voelde zich daar bang en alleen. Toen ze terugkwam was ze overstuur, zag ze bont en blauw en had ze striemen in haar nek. Deze omstandigheden wijzen erop dat verdachte tijdens de verkrachting op een brute en gewelddadige wijze met [slachtoffer 1 (voornaam)] moet zijn omgegaan. De tweede verkrachting vond plaats in een hotel in [plaatsnaam 1] . Hier heeft verdachte zodanige orale seks met [slachtoffer 1 (voornaam)] gehad, dat zij hiervan moest braken. De omstandigheid dat [slachtoffer 1 (voornaam)] moest braken, wijst erop dat verdachte met gebruikmaking van zijn fysieke overgewicht wederom bruut te keer is gegaan en geen rekening heeft gehouden met de grenzen van [slachtoffer 1 (voornaam)] .

Verdachte heeft daarmee een grove inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de psychische integriteit van [slachtoffer 1 (voornaam)] , waarvan bij verdachte bekend was dat zij een kwetsbare vrouw was. Verdachte heeft zich daarbij laten leiden door zijn eigen lusten. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort delicten nog geruime tijd kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan, of deze gevolgen in het geheel niet meer volledig te boven komen.

De omstandigheid dat verdachte en [slachtoffer 1 (voornaam)] een relatie hadden en zij ook op vrijwillige basis seksueel contact met elkaar hadden, betekent niet dat de verkrachtingen geen schadelijke gevolgen hebben voor [slachtoffer 1 (voornaam)] .

Naast de verkrachtingen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer 1 (voornaam)] gedurende ruim een half jaar. Nadat [slachtoffer 1 (voornaam)] duidelijk aan verdachte had gemaakt dat zij geen contact meer wilde, is hij berichten naar haar blijven sturen en is hij haar blijven opzoeken, niet alleen thuis maar ook in de zorginstellingen waar zij verbleef. Ook hiermee heeft verdachte laten zien dat hij geen oog had voor de grenzen van [slachtoffer 1 (voornaam)] .

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering. Dit feit staat los van de feiten die hij jegens [slachtoffer 1 (voornaam)] heeft gepleegd. Wel laat verdachte ook met dit feit zien dat hij in de eerste plaats handelt vanuit zijn eigen belang (in dit geval financieel), ten kostevan de belangen van anderen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

In de justitiële documentatie van verdachte van 22 maart 2021 is te zien dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor zedenfeiten. Wel is hij eerder veroordeeld voor vermogenscriminaliteit, Opiumwet gerelateerde feiten en vuurwapenbezit. Omdat de rechtbank de op te leggen straf met name zal baseren op de verkrachtingen, is in deze justitiële documentatie geen strafverzwarende omstandigheid gelegen. In het pro justitia rapport is ook geconcludeerd dat er geen gronden zijn om een verhoogde kans op recidive aan te nemen. Ook overigens zijn uit deze rapportage geen bijzonderheden over verdachte naar voren gekomen die meegenomen moeten worden bij de op te leggen straf. Er wordt ook geen aanleiding gezien voor begeleiding door de reclassering of behandeling in een strafrechtelijk kader.

De straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf, ligt de nadruk voor de rechtbank op de gepleegde verkrachtingen. De rechtbank neemt daarbij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt. Door het gebruik van deze oriëntatiepunten wordt er binnen de rechtspraak naar gestreefd voor soortgelijke feiten ook soortgelijke straffen op te leggen. De oriëntatiepunten van het LOVS geven voor één verkrachting een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden aan.

De rechtbank is tot een andere bewezenverklaring gekomen dan de officier van justitie. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een groter aantal verkrachtingen bewezen is te achten. Ook zijn volgens de officier van justitie meer feitelijke handelingen bewezen te achten. Dit verschil in bewezenverklaring vormt voor de rechtbank reden om af te wijken van de strafeis van de officier van justitie. Daarnaast neemt de rechtbank in strafverminderende zin mee dat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1 (voornaam)] een grillig, onvoorspelbaar verloop kende waarbij elkaar aantrekken en afstoten centraal stonden.

Het gevorderde contactverbod acht de rechtbank passend en geboden gelet op de bewezenverklaarde belaging. Zij zal de officier van justitie dan ook volgen in zijn eis om deze maatregel op te leggen. Gelet op de aard van dit bewezenverklaarde feit moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend gedraagt jegens [slachtoffer 1 (voornaam)] . De rechtbank volgt de officier van justitie daarom ook in zijn eis om deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Conclusie

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van drie jaren. Daarnaast zal de rechtbank als vrijheidsbenemende maatregel een contactverbod met [slachtoffer 1 (voornaam)] opleggen voor de duur van vijf jaren, met dadelijke uitvoerbaarverklaring. Per overtreding zal hier één maand hechtenis tegenover staan, met een maximum van zes maanden.

Gelet op de aard, de duur en de ernst van de feiten acht de rechtbank het aangewezen de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen met ingang van de dag van de uitspraak van dit vonnis.

9 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer 1 (voornaam)] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij vordert een bedrag van € 73.467,85 ter zake van het onder 1 en primair onder parketnummer 16.237827-20 tenlastegelegde. Dit bedrag bestaat € 38.467,85 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft verzocht dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast heeft zij verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het gehele gevorderde bedrag kan worden toegewezen. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover deze ziet op de gestelde materiële schade van € 35.000,-. Dit betreft het geldbedrag dat verdachte van de benadeelde partij heeft verkregen. In verband hiermee is onder parketnummer 16.078996-21 aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Deze tenlastelegging vormt echter niet langer een onderdeel van deze strafzaak.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging volgt de officier van justitie in zijn subsidiaire standpunt voor wat betreft de gevorderde materiële schade. In geval van een bewezenverklaring is de overige gevorderde materiële schade volgens de verdediging voldoende onderbouwd. De bepaling van de hoogte van de immateriële schade laat de verdediging in geval van een bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de schade voor zover die betrekking heeft op de kosten van therapie bij de neurofeedbacktherapeut ter hoogte van in totaal € 3.467,85 voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde partij heeft deze kosten voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze kosten niet betwist.

De overige gevorderde materiële schade ziet op de onder parketnummer 16.078996-21 ten laste gelegde oplichting. Deze schade staat niet in een rechtstreeks verband met de thans bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal daarom de vordering van de materiële schade tot het bedrag van € 3.467,85 toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 september 2017 tot de dag van volledige betaling.

Immateriële schade

De rechtbank acht aannemelijk dat de benadeelde partij ten gevolgde van de onder 1 en primair onder parketnummer 16.237827-20 tenlastegelegde feiten ook rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Algemeen bekend is dat slachtoffers van verkrachtingen nog lang te kampen hebben met de nadelige gevolgen van zulke traumatische ervaringen. De aard en ernst van de normschending van verkrachting en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij liggen zo voor de hand dat deze meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Dat geldt ook voor de aard en ernst van de normschending van de bewezenverklaarde belaging.

De rechtbank zal de immateriële schade op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 10.000,-- . De rechtbank heeft hierbij aansluiting gezocht bij bedragen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan is toegewezen. Nader onderzoek naar de gegrondheid van de omvang van het gevorderde bedrag zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen, zeker nu is gebleken dat het slachtoffer al eerder in haar leven traumatische ervaring heeft opgedaan en dus niet eenvoudig valt vast te stellen welke schade door welke gebeurtenis is veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat de nadere behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces zou vormen. Dit deel van de vordering kan daarom bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal daarom de vordering van de immateriële schade tot het bedrag van € 10.000,- toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 23 juni 2020 tot de dag van volledige betaling.

Schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 13.467,85, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 23 juni 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 102 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f, 38v, 57, 242, 285b en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Ontvankelijkheid officier van justitie

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde, in het bijzonder het onder feit 2 van parketnummer 16.164229-20 ten laste gelegde;

Strafbaarheid

- verklaart het onder rubriek 5 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie (3) jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht;

Vrijheidsbeperkende maatregel

- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf (5) jaren;

- beveelt dat verdachte zich onthoudt van contact, direct of indirect en in welke vorm dan ook, met [slachtoffer 1] ;

- beveelt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 maand, met een maximum van 6 maanden;

- verklaart deze maatregel dadelijk uitvoerbaar.

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor de onder 1 en primair onder parketnummer 16.237827-20 tenlastegelegde feiten toe tot een bedrag van € 13.467,85, waarvan € 3.467,85 materiële schade en € 10.000,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2020 tot de dag van de algehele voldoening;

  • -

    verklaart de vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij deze vordering kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.467,85 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 102 dagen gijzeling;

  • -

    bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van 4 mei 2021.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. R.L.M. van Opstal en K. Duker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Raedts, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 mei 2021.

Mrs. Van Opstal en Duker zijn niet in staat dit vonnis mee te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt onder parketnummer 16.164229-20 ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 juni 2020 in de gemeente Oudewater en/of elders in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door

- die [slachtoffer 1] en haar familie en/of vrienden vele malen mailberichten te sturen met kwetsende inhoud en/of

- diverse social media accounts op naam van die [slachtoffer 1] te beheren en/of

- door die [slachtoffer 1] te volgen en/of

- door de camping te bezoeken waar de moeder van [slachtoffer 1] een huisje heeft en aldaar bloemen en/of sigaretten achter te laten en/of

- door de auto van die [slachtoffer 1] te koop aan te bieden en/of

- door [slachtoffer 1] op te zoeken in de zorginstellingen waar zij verblijft en/of

- door te bellen naar de zorginstellingen waar [slachtoffer 1] verblijft en zich daarbij voor te doen als broer van [slachtoffer 1] en/of

- door vele berichten te sturen naar die [slachtoffer 1] ,

met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

( art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Feit 2:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 5 november 2019 in Polen en/of Nederland opzettelijk

- één of meer graafmachines en/of

- één of meer schaarliften, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

- verhuurbedrijf [slachtoffer 2] en/of

- verhuurbedrijf [slachtoffer 3] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als huurder wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Aan verdachte wordt onder parketnummer 16.237827-20 (gevoegd ter terechtzitting van 7 oktober 2020) ten laste gelegd dat:

primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 juni 2020 te Oudewater en/of elders in Nederland door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten

- het gebruik maken van zijn, verdachtes, fysieke en/of geestelijke overwicht op [slachtoffer 1] en/of

- het één of meermalen brengen van brengen van [slachtoffer 1] naar een stille en/of afgelegen plek en/of een hotel en/of

- het slaan en/of spugen en/of neerdrukken en/of schreeuwen tegen die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd "Ik ram je tanden uit je bek, ik gooi je in de sloot en niemand vindt je meer",

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het brengen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 1] ;

subsidiair

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 juni 2020 te Oudewater en/of elders in Nederland, met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat deze niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het brengen van zijn, verdachtes, geslachtsdeel in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 1] .

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers, zijn dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van met nummer PL0900-2020149078-PL0900-2020198416 (zaaknaam [......] ) doorgenummerd van pagina 1-736 opgemaakt door de politie, Eenheid Midden-Nederland, dienst regionale recherche, thematische opsporing. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden met [slachtoffer 1] op 15 mei 2020, pag. 49.

3 Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden met [slachtoffer 1] d.d. 15 mei 2020, pag. 50.

4 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] d.d. 29 juni 2020, pag. 414.

5 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] d.d. 29 juni 2020, pag. 418.

6 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] d.d. 3 juli 2020, pag. 425.

7 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] d.d. 3 juli 2020, pag. 428.

8 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] d.d. 3 juli 2020, pag. 429.

9 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] d.d. 3 juli 2020, pag. 430.

10 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] als getuige bij de rechter-commissaris d.d. 10 november 2020, pag. 8.

11 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] als getuige bij de rechter-commissaris d.d. 10 november 2020, pag. 12.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 25 mei 2020, pag. 144.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 25 mei 2020, pag. 145.

14 Proces-verbaal van bevindingen telefonisch gesprek met getuige [getuige 2] , pag. 506.

15 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 23 juni 2020, pag. 20

16 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 20 april 2021.

17 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] van 29 juni 2020, pag. 414.

18 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] van 29 juni 2020, pag. 416.

19 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] van 29 juni 2020, pag. 417.

20 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] van 29 juni 2020, pag. 418.

21 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] van 29 juni 2020, pag. 419.

22 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] van 29 juni 2020, pag. 420.

23 Proces-verbaal uitwerking studioverhoor van [slachtoffer 1] van 3 juli 2020, pag. 424.

24 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] als getuige bij de rechter-commissaris d.d. 10 november 2020, pag. 4.

25 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] als getuige bij de rechter-commissaris d.d. 10 november 2020, pag. 5.

26 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] als getuige bij de rechter-commissaris d.d. 10 november 2020, pag. 12.

27 Proces-verbaal van bevindingen telefonisch gesprek met getuige [getuige 2] , pag. 506

28 Proces-verbaal van bevindingen telefonisch gesprek met getuige [getuige 2] , pag. 507

29 Brief van [slachtoffer 1] gericht aan [verdachte] d.d. 5 november 2019, pag. 170.

30 E-mailbericht van [slachtoffer 1] aan [verdachte] d.d. 6 november 2019, pag. 168.

31 Pag. 176 ev

32 Brief van [F] van camping [naam camping] te [plaatsnaam 4] d.d. 18 november 2019.

33 E-mailbericht van [wijkagent] aan de heer [verdachte] d.d. 7 december 2019, pag. 174.

34 Proces-verbaal van bevindingen van [G] d.d. 25 juni 2020, pag. 398.

35 Proces-verbaal van bevindingen van [G] d.d. 25 juni 2020, pag. 399.

36 Proces-verbaal van bevindingen van [H] d.d. 26 mei 2020, pag. 71.

37 Proces-verbaal van bevindingen van [G] d.d. 27 mei 2020, pag. 190.

38 Proces-verbaal van bevindingen van [H] , d.d. 18 juni 2020, pag. 372.

39 Proces-verbaal van bevindingen van [G] d.d. 21 juni 2020, pag. 366.

40 Eem geschrift, te weten een e-mailbericht van [verdachte] aan [..] d.d. 18 mei 2020, pag. 124.

41 Proces-verbaal van bevindingen van [I] d.d. 19 mei 2020, pag. 128

42 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers, zijn dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van met nummer PL0900-2021063605, doorgenummerd van pagina 1-153, opgemaakt door de politie, Eenheid Midden-Nederland, district Oost-Utrecht, basisteam Heuvelrug. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

43 Proces-verbaal van bevindingen van [E] en [J] d.d. 10 november 2019, pag. 9

44 Proces-verbaal van bevindingen van [E] en [J] d.d. 10 november 2019, pag. 10.

45 Proces-verbaal van bevindingen van [E] en [J] d.d. 10 november 2019, pag. 11.

46 Proces-verbaal van aangifte van [getuige 3] d.d. 8 november 2019, pag. 19.

47 Proces-verbaal van aangifte van [getuige 3] d.d. 8 november 2019, pag. 20.

48 Proces-verbaal van aangifte van [getuige 3] d.d. 8 november 2019, pag. 21.

49 Proces-verbaal van aangifte van [K] d.d. 25 februari 2021, pag. 83

50 Proces-verbaal van aangifte van [K] d.d. 25 februari 2021, pag. 84.

51 Proces-verbaal van aangifte van [K] d.d. 25 februari 2021, pag. 86.