Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1804

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
12-08-2022
Zaaknummer
UTR 20/899
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet gegrond; beroep ongegrond; verzoek proceskosten afgewezen; artikel 6:19, zesde lid, van de Awb; schadevergoeding afgewezen;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/899-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2021 op het verzet van

[opposant] en [opposante] , te [woonplaats] , opposanten,

(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Bogaers).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep die opposanten hebben ingediend tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren van 24 februari 2020.

In de uitspraak van 26 juni 2020 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Opposanten zijn tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2021. Voor opposanten is hun gemachtigde verschenen. En namens verweerder is mr. [A] verschenen.

Overwegingen

Uitspraak van 26 juni 2020

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 juni 2020 het beroep ongegrond verklaard, omdat verweerder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het primaire besluit al had ingetrokken, waardoor de beoordeling van bezwaar op dit punt feitelijk geen betekenis meer heeft. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Vereenvoudigde afdoening

2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.

De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 26 juni 2020 niet juist was.

Standpunt opposanten

3. Opposanten stellen zich op het standpunt dat verweerder had moeten erkennen dat hij de aanvraag om de omgevingsvergunning niet hadden mogen toewijzen. Door de vergunninghouder de aanvraag te laten intrekken en vervolgens het primaire besluit op zijn verzoek in te trekken, heeft verweerder willen voorkomen dat hij over de verlening van de omgevingsvergunning een in een besluit neergelegd inhoudelijk oordeel geeft. Verweerder heeft zodoende niet willen erkennen dat hij jegens opposanten onrechtmatig heeft gehandeld en dat opposanten recht hebben op een (schade)vergoeding in de vorm van een (integrale) vergoeding van de gemaakte kosten van rechtsbijstand. Verweerder heeft dit buiten de controle van de rechter willen houden. Opposanten zijn op deze manier door verweerder buiten spel gezet. Dat verweerder na de uitspraak van de rechtbank van 8 oktober 2018 geen vergunning meer kon verlenen, is pas erkend op de zitting van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Opposanten hebben als gevolg van deze handelswijze hoge advocatenkosten moeten maken. Verweerder had toepassing moeten geven aan artikel 6:19, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en het primaire besluit moeten vernietigen, omdat opposanten nog belang hebben bij deze vernietiging. Daarbij verwijzen opposanten naar eerdergenoemde verzochte kostenvergoeding. Ook had het geschil volgens opposanten met een in een besluit vastgelegd inhoudelijk oordeel moeten worden afgerond. Verweerder had daarbij de vergunningverlening als onrechtmatig moeten aanmerken, namelijk in strijd is met de wet en het bestemmingsplan. Hierdoor bestaat voor opposanten zekerheid dat in de toekomst niet weer dezelfde vergunning kan worden verleend waarna weer opnieuw een procedure zou moeten worden gestart. De angst van opposanten dat in de toekomst weer een vergunning zal worden verleend is volgens hen niet ongegrond, omdat het perceel waar het hier over gaat op FUNDA te koop is aangeboden als bouwperceel voor de oprichting van een nieuwbouwwoning vestingwinkel annex woning. Opposanten willen daarnaast - bij verkoop van hun eigen percelen - aan de kopende partij duidelijkheid bieden dat vergunningverlening niet mag. De rechtbank heeft in de uitspraak van 26 juni 2020 ten onrechte geen overweging gewijd aan voornoemd naar voren gebracht belangen. Ook is de uitspraak in strijd met het Verdragenrecht.

Oordeel rechtbank

4. De rechtbank is het eens met opposanten dat de rechtbank de zaak niet zonder zitting had kunnen afdoen omdat het beroep van opposanten betrekking heeft op gesteld geleden schade als gevolg van de handelswijze van verweerder en gestelde belangen bij vernietiging van het besluit die niet allemaal door de rechtbank zijn besproken. Dit betekent dat opposanten hierover gelijk hebben. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 26 juni 2020 vervalt. De rechtbank oordeelt dat er geen nader onderzoek nodig is, maar dat er ook direct uitspraak kan worden gedaan over het beroep op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb. De vraag is of opposanten belang hadden bij een vernietiging van het primaire besluit als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.

Proceskosten

5. Allereerst onderschrijft de rechtbank het in de uitspraak van 26 juni 2020 neergelegde oordeel van de rechtbank dat over het verzoek om proceskosten in de bezwaarfase reeds was beslist in de uitspraak van 8 oktober 2018. Indien opposanten het met de vastgestelde hoogte van deze vergoeding oneens zijn dan hadden zij dat in hoger beroep bij de ABRvS moeten aanvoeren. Het oordeel van de rechtbank over de vergoeding van de proceskosten staat in rechte vast. Het standpunt van opposanten dat ook na de uitspraak van de rechtbank van

8 oktober 2018 in het kader van de bezwaarfase nog stukken, waaronder de brieven van 19 september 2019 en 28 oktober 2019, zijn ingediend die voor vergoeding in aanmerking komen, volgt de rechtbank niet. De indiening van deze stukken zijn geen proceshandelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Proceskosten bestuursrecht en komen reeds om die reden niet voor vergoeding in aanmerking.

Schadevergoeding

6. De rechtbank begrijpt opposanten zo dat zij door de handelswijze van verweerder zijn benadeeld. De eerst op de zitting van de ABRvS gedane mededeling van verweerder dat de door de rechtbank in zijn uitspraak van 8 oktober 2018 gegeven opdracht niet zal leiden tot een vergunningverlening, had bij eerdere bekendmaking advocatenkosten (bij de ABRvS) kunnen voorkomen. Om die reden hebben opposanten ook een hogere vergoeding (punt extra) van proceskosten gevraagd. Van deze gestelde schade stelt de rechtbank vast dat deze niet het gevolg is van het besluit en de daarin neergelegde vergunningverlening maar van gesteld onrechtmatig handelen door verweerder en kan gelet op artikel 8:88 van de Awb reeds daarom niet leiden tot een vergoeding. Voor zover de gestelde schade een gevolg is van feitelijk handelen door medewerkers van de gemeente Gooise Meren, kan verzoeker zich wenden tot de civiele rechter. Voor een vordering bij de civiele rechter is het niet nodig dat verweerder in een besluit heeft vastgesteld dat de vergunningverlening onrechtmatig is. Dat de vergunning niet mocht worden verleend, heeft verweerder overigens erkend tijdens de zitting van de ABRvS.

Belang voor de toekomst

7. De rechtbank volgt opposanten niet in hun standpunt dat een vernietiging van het primaire besluit en de vaststelling dat de vergunningverlening onrechtmatig was van belang is ter voorkoming van vergunningverlening in de toekomst. Door verweerder is immers erkend dat de verleende vergunning niet had mogen worden verleend. Daarover bestaat dus duidelijkheid. Het is niet nodig dat dit in een besluit wordt vastgelegd. Voorts gaat dit om een onzekere gebeurtenis in de toekomst waaraan geen procesbelang kan worden ontleend. Van een op handen zijnde vergunningverlening voor eenzelfde bouwobject is uit de stukken onvoldoende gebleken. Uit de gegevens van FUNDA blijkt dit ook niet.

Tussenconclusie

8. Dit betekent dat de rechtbank het beroep in zijn uitspraak van 26 juni 2020 weliswaar niet vereenvoudigd had kunnen afdoen, maar dit heeft gelet op het vorenstaande niet als uitkomst dat het besluit van 24 februari 2020 geen stand kan houden. Omdat opposanten geen belang hebben gesteld op grond waarvan het primaire besluit had moeten worden vernietigd, kan de niet-ontvankelijkverklaring vanwege ontbreken procesbelang in stand blijven.

Verdragenrecht

9. De vraag is of de rechtbank met het in stand laten van het besluit van 24 februari 2020 en een ongegrondverklaring van het beroep in strijd handelt met de artikelen 6 en 13 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, Verdrag van Rome 1950, respectievelijk met artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Deze artikelen garanderen het recht op toegang tot de rechter en een eerlijke behandeling van de rechtszaak door een onpartijdige en onafhankelijke rechter. De procedure bij de rechtbank voldoet aan deze eisen. Nog afgezien dat artikel 6 van het EVRM alleen ziet op gerechtelijke procedures en niet op administratieve procedures en dat het Handvest alleen betrekking heeft op toepassing van Unierecht, is het recht op een eerlijk proces niet geschonden als het geschil eindigt in een niet-ontvankelijkverklaring door verweerder. Het geschil is eerder in een uitspraak van de rechtbank van 8 oktober 2018 inhoudelijk beoordeeld wat heeft geleid tot een opdracht aan verweerder tot het nemen van een besluit op bezwaar, welke uitspraak is bevestigd door de ABRvS. Verweerder heeft het geschil door intrekking van het primaire besluit beëindigd, waarmee opposanten hebben bereikt wat hen voor ogen heeft gestaan bij het starten van de procedure, namelijk dat de vergunningverlening van de baan moet. De bevoegdheid tot intrekking van het primaire besluit in een lopende bezwaarprocedure, komt verweerder - gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de AWB – toe, en indien opposanten geen belang stellen op grond waarvan het primaire besluit had moeten vernietigd, is een

niet-ontvankelijkverklaring niet strijdig met wet- en regelgeving en ook niet met door opposanten genoemde bepalingen van Verdragenrecht.

10. Het vorenstaande betekent dat het besluit van 24 februari 2020 in stand kan blijven en dat het beroep ongegrond is. Omdat het verzet gegrond is en het beroep niet vereenvoudigd afgedaan kon worden, krijgen opposanten een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt in verzet. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat opposanten een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een verzetschrift in te dienen. Toegekend wordt € 534,- (0,5 punt voor het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 534,-, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het verzet gegrond;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling van € 534,- aan proceskosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2021.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen de uitspraak over het verzet kunt u niet in hoger beroep. Tegen de uitspraak over het beroep kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U kunt daar ook om een voorlopige voorziening vragen. De datum van verzending ziet u op de stempel die hierboven staat.