Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1783

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
8890146
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindafrekening na einde dienstverband. Werknemer vordert uitbetaling niet-opgenomen vakantiedagen, vergoeding gewerkte overuren en medische kosten. Vordering werkgever in reconventie tot toewijzing gefixeerde schadevergoeding vanwege onregelmatige opzegging door werknemer moet per verzoekschrift worden ingesteld.

Beroep werkgever op vervaltermijn wettelijke vakantiedagen ex 7:640a BW slaagt niet.

Werkgever heeft niet onderbouwd dat werknemer heeft afgezien van uitbetaling van een deel van de opgebouwde niet-genoten vakantiedagen. Toewijzing vakantiedagen.

Door de werknemer is onvoldoende onderbouwd dat hij opdracht had gekregen voor overwerk of dat de werkgever hiermee heeft ingestemd. Afwijzing overuren en medische kosten.

(ZIE OOK: ECLI:NL:RBMNE:2021:1784)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0636
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8890146 UC EXPL 20-9774 SV/40160

Vonnis van 4 mei 2021

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [eiser]

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. M. Gerritsen,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] BV,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. J.Th. Schravenmade.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 20 producties

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met 2 producties

- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 21 tot en met 31

- de mondelinge behandeling op 11 maart 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft via skype plaatsgevonden op 11 maart 2021. [eiser] heeft deelgenomen met zijn partner, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] BV heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] , bedrijfsleider bij [gedaagde] BV, bijgestaan door haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken. Aan het einde van de zitting is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is van 2 januari 2017 tot 1 februari 2020 voor 38 uur per week in dienst geweest bij [gedaagde] BV in de functie van loodgieter, eerst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en daarna op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het laatstgenoten salaris bedroeg € 2.184,50 bruto per vier weken, te vermeerderen met 8 % vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Metaal en Techniek (de cao) van toepassing. [eiser] heeft de arbeidsovereenkomst op 31 december 2019 opgezegd. Hij heeft daarbij een te korte opzegtermijn gehanteerd.

2.2.

Partijen hebben na de opzegging telefonisch besproken dat de arbeidsovereenkomst eerder eindigt dan volgens de opzegtermijn. [eiser] heeft vanaf 1 februari 2020 niet meer voor [gedaagde] BV gewerkt. [A] ( [A] ) van [gedaagde] BV heeft [eiser] op 18 februari 2020 per e-mail vakantieoverzichten toegezonden en gemeld dat hij nog 13,75 dagen tegoed heeft, die 50/50 gedeeld worden zodat [eiser] eerder weg kon. [eiser] heeft hierop per email van 19 februari 2020 gereageerd dat de berekening van [gedaagde] BV niet helemaal klopt en heeft daarbij gevraagd om urenlijsten van alle gewerkte uren te kunnen inzien, omdat er volgens hem met overuren meer vakantiedagen zijn opgebouwd.

2.3.

[eiser] heeft tijdens het dienstverband, vanaf januari 2017 tot en met juli 2018 een woning en een opslag van [gedaagde] BV gehuurd, tegen een huurprijs van € 550 per maand.

2.4.

[eiser] heeft op 27 november 2019 tijdens zijn werk een bedrijfsongeval gehad waarvoor hij medisch is behandeld en twee dagen thuis geweest. [eiser] heeft voor de medische behandeling kosten moeten maken.

2.5.

Bij brief van 14 juli 2020 heeft de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] BV gevraagd de opgebouwde, niet genoten vakantiedagen uit te keren, alsmede het vakantiegeld en de medische kosten en om een overzicht van de gewerkte overuren te verstrekken.

2.6.

[gedaagde] BV heeft blijkens de eindafrekening 56 vakantie-uren, omgerekend zeven dagen, en het vakantiegeld aan [eiser] uitbetaald. [eiser] vordert in deze procedure vergoeding van de overige tijdens het dienstverband opgebouwde, niet genoten vakantiedagen, vergoeding voor gewerkte overuren en de medische kosten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] BV te veroordelen om aan hem te betalen:

a. De waarde van de opgebouwde maar niet genoten bovenwettelijke vakantiedagen van

€ 1.724,40 bruto;

De waarde van de opgebouwde maar niet genoten wettelijke vakantiedagen van

€ 1.379,52 bruto;

De gewerkte overuren over 2017 van € 418,45 bruto;

De gewerkte overuren over 2018 van € 2.052,48 bruto;

De gewerkte overuren over 2019 van € 1.465,- bruto;

De gewerkte overuren over 2020 van € 10,60 bruto;

De zorgkosten van € 583,33;

De maximale wettelijke verhoging over de onder a tot en met g genoemde bedragen, in totaal € 3.525,23 bruto;

en [gedaagde] BV te veroordelen tot:

  1. het verstrekken van een correcte specificatie van de vorderingen van de onder a tot en met h genoemde bedragen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat [gedaagde] BV in gebreke blijft uitvoering daaraan te geven;

  2. betaling van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen;

  3. de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] BV heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [gedaagde] BV vordert in reconventie € 7.950 aan achterstallige huur van [gedaagde] BV en vordert voorwaardelijk [eiser] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding en het teveel betaalde salaris bij de eindafrekening. [gedaagde] BV vordert [eiser] in alle gevallen te veroordelen in de proceskosten.

4 De beoordeling

In conventie:

Vakantiedagen

4.1.

Partijen zijn het er over eens dat [eiser] op grond van zijn arbeidsovereenkomst per kalenderjaar recht heeft op 25 vakantiedagen. Dit aantal bestaat uit 20 wettelijke en 5 bovenwettelijke vakantiedagen.

4.2.

[gedaagde] BV voert als verweer dat de wettelijke vakantiedagen over 2017, 2018 en 2019 zijn verjaard. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [gedaagde] BV een beroep doet op de vervaltermijn van zes maanden voor de in een kalenderjaar opgebouwde wettelijke vakantiedagen op grond van artikel 7:640a Burgerlijk Wetboek (BW). [eiser] stelt dat hij de jaarlijks opgebouwde vakantiedagen niet allemaal kon opnemen vanwege de hoge werkdruk bij [gedaagde] BV. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] BV meegedeeld dat na afloop van het kalenderjaar de opgebouwde, niet genoten, vakantiedagen, altijd werden meegenomen naar het nieuwe kalenderjaar. [gedaagde] BV heeft [eiser] na afloop van een kalenderjaar niet gevraagd om de van het vorige kalenderjaar meegenomen vakantiedagen binnen een half jaar op te nemen. Uit de stelling van [gedaagde] BV dat zij met [eiser] overeenstemming had bereikt over de uitbetaling van de helft van alle tijdens het hele dienstverband opgebouwde, niet genoten, vakantiedagen in ruil voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn, blijkt dat zij niet is uitgegaan van een vervaltermijn. Nu [gedaagde] BV zelf niet eerder is uitgegaan van een vervaltermijn voor de wettelijke vakantiedagen en zij in de praktijk toestond dat verlofuren werden meegenomen naar het nieuwe jaar zonder te verlangen dat die binnen 6 maanden moesten zijn opgenomen is de kantonrechter van oordeel dat deze vervaltermijn [eiser] niet kan worden tegengeworpen.

4.3.

In artikel 7:641 lid 2 van het BW wordt ervan uitgegaan dat de werkgever verplicht is administratie bij te houden van de door de werknemer genoten vakantiedagen. Dit brengt mee dat van de werkgever wordt verwacht dat zij hiervan een overzicht geeft. [gedaagde] BV heeft deze overzichten verstrekt als bijlagen bij de e-mail van 18 februari 2020, waar zij in de conclusie van antwoord naar verwijst. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] BV toegelicht dat haar overzichten zijn gebaseerd op haar bedrijfsadministratie, die bestaat uit de door [eiser] wekelijks ingeleverde werkbonnen waarop hij zijn verlof aantekende. [eiser] heeft dit niet bestreden. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] BV wel een vakantieadministratie heeft bijgehouden. Vergelijking van de overzichten van [eiser] en van [gedaagde] BV leert dat over de vakantieopname niet veel verschil van mening is en dat het verschil vooral ziet op de uren die [eiser] niet werkte om zijn kinderen te halen en brengen. [eiser] vindt dat die uren geen vakantie zijn, maar verrekend moeten worden met zijn overuren en niet in het vakantie-overzicht horen. [eiser] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij voor de tijd voor het wegbrengen van zijn kinderen op de weekstaat ‘snip’ invulde. Dat wijst op snipperverlof, maar [eiser] heeft toegelicht dat hij dit niet zo bedoeld heeft. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] BV dit ook niet zo heeft opgevat en het ook niet zo mocht opvatten, omdat zij heeft gesteld dat een systeem van tijd-voor-tijd wordt gehanteerd. Dat sluit ook aan op het standpunt van [gedaagde] BV in haar conclusie van antwoord, onder punt 17, dat zij ‘flexibel omging met uren’.

4.4.

Uit vergelijking van de overzichten van genoten vakantiedagen van beide partijen, met de aanvullingen van [gedaagde] BV hierop in de conclusie van antwoord, blijkt het volgende:

volgens [eiser]: volgens [gedaagde] BV:

2017: 17 dagen 17 dagen

2018: 9 dagen 9 (was 6) dagen

2019: 15 dagen 16 (was 15) dagen

2020: 2 dagen 4 dagen

Hieruit blijkt dat partijen slechts van mening verschillen over de opname van drie vakantiedagen.

In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] BV geconstateerd dat [eiser] in augustus 2018 inderdaad nog drie dagen heeft opgenomen, die in haar eerdere overzicht ontbraken, waardoor het aantal opgenomen dagen in 2018 negen dagen is, waarover geen geschil meer is. Verder stelt [gedaagde] BV in de conclusie van antwoord dat [eiser] in december 2019 één vakantiedag te weinig heeft genoteerd, waardoor het totaal genoten verlof uitkomt op zestien dagen. Volgens de overzichten van [gedaagde] BV bij de email van 18 februari 2020 gaat het hierbij om één vakantiedag van [eiser] in oktober 2019. Tot slot stelt [gedaagde] BV dat [eiser] in januari 2020 vier in plaats van twee vakantiedagen heeft opgenomen. [eiser] heeft aangevoerd dat hij in januari 2020 alleen op 2 en 3 januari verlof heeft genoten. [gedaagde] BV heeft een overzicht overgelegd waaruit moet volgen dat [eiser] in week 5 (27 tot en met 31 januari) 2020 op donderdag en vrijdag 30 en 31 januari verlof heeft opgenomen. Deze toelichting van [gedaagde] BV komt geheel overeen met de door [eiser] als productie 25 overgelegde schermafdruk van whatsapp berichten waarin is te lezen dat de 29e de laatste werkdag is, daarna 2 dagen verlof. Voor deze dagen heeft [eiser] geen verdere toelichting meer gegeven zodat de stelling van [gedaagde] BV als onvoldoende weersproken voor juist wordt gehouden. Dan blijft over het verschil van één dag voor december 2019. Het had op de weg van [gedaagde] BV gelegen om voor dit beperkte verschil haar standpunt te onderbouwen met de stukken waarop zij zegt zich te baseren, bijvoorbeeld door het overleggen van de weekstaten met de verlofaanvragen. Dit is niet gebeurd zodat de kantonrechter het verweer van [gedaagde] BV op dit punt (dat er één dag meer in december 2019 is opgenomen) als onvoldoende onderbouwd verwerpt.

4.5.

[gedaagde] BV stelt dat [eiser] daarnaast ‘losse uren’ heeft opgenomen. In 2017 en in 2020 was dit volgens [gedaagde] BV telkens twee uur. In 2018 was dit 91,5 uur en in 2019 68 uur, volgens [gedaagde] BV. Dit is een aanzienlijk aantal. [eiser] noemde deze uren ‘snip’ en stelt die te hebben verrekend met gewerkte overuren. [gedaagde] BV gaat er ook vanuit dat snipuren werden verrekend met uren buiten werktijd. [gedaagde] BV betwist dat veel overuren zijn gemaakt. Gelet op de eigen stelling van [gedaagde] BV dat zij flexibel met de uren omging en het ontbreken van gegevens waaruit blijkt dat het voor partijen duidelijk moet zijn geweest dat snipuren als vakantieverlof worden beschouwd, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde] BV onvoldoende heeft onderbouwd dat de opgenomen snip-uren aangemerkt kunnen worden als opgenomen vakantieverlof. De kantonrechter zal daarom de door [gedaagde] BV genoemde losse uren niet als opgenomen verlofuren aanmerken.

4.6.

[gedaagde] BV stelt verder dat er overeenstemming was bereikt over het aantal niet-genoten vakantiedagen en de uitbetaling van de helft daarvan, zeven dagen, in ruil voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn door [eiser] . Volgens [gedaagde] BV heeft [eiser] daarmee afstand gedaan van zijn aanspraak op uitbetaling van de overige niet-genoten vakantiedagen.

4.7.

[eiser] heeft betwist dat deze afspraak is gemaakt. Volgens [eiser] is hem door [A] mondeling gezegd dat hij op 1 februari 2020 niet meer hoefde te komen omdat hij zich anders toch maar ziek zou melden. [eiser] heeft daarvoor onder meer verwezen naar de door hem als productie 25 overgelegde whatsapp berichten. Volgens [eiser] is [gedaagde] BV eerst later ook de voorwaarde gaan stellen dat [eiser] dan genoegen moest nemen met 50% uitbetaling van zijn verlofdagen.

4.7.1.

[A] heeft ter zitting toegelicht dat wel degelijk met [eiser] deze afspraak is gemaakt, volgens hem zeven dagen voor de emailwisseling van 18 en 19 februari 2020. De kantonrechter stelt vast dat dit in ieder geval dateert van na de periode van 23 – 28 januari 2020 waarop de whatsapp berichten zien die door [eiser] als productie 25 zijn overgelegd.

4.7.2.

De kantonrechter oordeelt dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiser] een te korte opzegtermijn heeft gehanteerd. Uit de toelichting van partijen en de overgelegde stukken kan echter geen andere conclusie volgen dan dat beide partijen dit onder ogen hebben gezien en dit hebben geaccepteerd. [gedaagde] BV heeft zelfs meegewerkt – materieel - aan een eerder vertrek van [eiser] door het opnemen van twee verlofdagen eind januari 2020.

4.7.3.

Waar dit allemaal eind januari 2020 al speelde, was op het moment van het overleg dat [A] volgens zijn toelichting met [eiser] voerde over de vakantiedagen (omstreeks 11 februari 2020, zeven dagen voor 18 februari 2020), al sprake van een door [gedaagde] BV geaccepteerde situatie. Dat [eiser] vervolgens zou hebben ingestemd met een korting van 50% van de door hem te ontvangen vergoeding voor niet opgenomen vakantiedagen, ligt dan zo weinig voor de hand dat [gedaagde] BV dit had moeten uitleggen. [A] heeft dit ter zitting onvoldoende gedaan. Zijn toelichting komt er op neer dat hij eerder in februari overeenstemming had bereikt over het uitbetalen van slechts 7 vakantiedagen, zoals [gedaagde] BV ook in de conclusie van antwoord heeft gesteld. Echter, als die afspraak was gemaakt valt niet in te zien waarom [A] op 18 februari 2020 nog met een berekening komt van het volgens hem openstaande tegoed aan vakantiedagen, voorzien van bijlagen waarop die berekening is gebaseerd.

In reactie op de email van 18 februari 2020 heeft [eiser] op 19 februari 2020 per email geantwoord dat hij uitkomt op meer vakantiedagen dan [gedaagde] BV heeft berekend en dat hij op het overzicht van [gedaagde] BV de overuren mist. Hieruit blijkt dat hij er vanuit gaat dat er nog een berekening moet komen van het vakantiesaldo en niet dat vóór de email van 18 februari 2020 al mondeling overeenstemming is bereikt over het uit te betalen aantal van 7 vakantiedagen.

Aldus is de gestelde afspraak dat [eiser] genoegen neemt met de uitbetaling van 7 vakantiedagen in verband met het door [gedaagde] BV accepteren van de te korte opzegtermijn, tegenover de betwisting door [eiser] niet komen vast te staan.

De kantonrechter volgt [gedaagde] BV daarom niet in haar stelling dat er een regeling tussen partijen is die in de weg staat aan toewijzing van de gevorderde uitbetaling van de opgebouwde en niet-genoten, vakantiedagen.

4.8.

De kantonrechter berekent dit saldo als volgt:

2017: 25 opgebouwd -/- 17 opgenomen = 8 dagen

2018: 25 opgebouwd -/- 9 opgenomen = 16 dagen

2019: 25 opgebouwd -/- 15 opgenomen = 10 dagen

2020: 2 opgebouwd -/- 4 opgenomen = -2 dagen

Totaal 32 dagen

Reeds uitbetaald: -/- 7 dagen

Nog uit te betalen: 25 dagen

4.9.

Het uurloon is € 14,37 bruto. [eiser] is bij de berekening van de vergoeding voor de vakantiedagen uitgegaan van een 8-urige werkdag. [gedaagde] BV heeft hierover gesteld dat [eiser] bij een 38-urige werkweek een werkdag had van 7,6 uur. [eiser] heeft dit ter zitting niet bestreden, zodat de kantonrechter voor het aantal uit te betalen vakantie-uren uitgaat van een 7,6 urige werkdag. Daardoor bedraagt het door [gedaagde] BV nog te betalen bedrag: (25 x 7,6 =) 190 uur x € 14,37 = € 2.730,30 bruto.

Overuren

4.10.

De kantonrechter stelt voorop dat voor vergoeding van overwerk ten minste moet komen vast te staan dat de werkgever het overwerk aan de werknemer heeft opgedragen of dat uit de specifieke omstandigheden blijkt dat zij daarmee heeft ingestemd. [eiser] kan daarom niet volstaan met het stellen dat het algemeen bekend is dat de bouw het heel druk heeft en dat hij buiten de vaste werktijd werkte. [gedaagde] BV betwist dat overwerk is verricht en stelt juist dat zij flexibel was met de uren. Uit de overgelegde WhatsApp-berichten van [eiser] , met zijn vriendin en met [gedaagde] BV ( [A] ) blijkt wel dat regelmatig is gevraagd aan [eiser] om klussen te verrichten, maar niet dat een duidelijke opdracht wordt gegeven om dit als overwerk te verrichten. De omstandigheid dat [eiser] ook wel eens in het weekend heeft gewerkt, is daarvoor onvoldoende. Daarbij komt dat [eiser] zelf heeft gemeld dat een deel van de gewerkte uren in het weekend of na werktijd zijn verricht ter compensatie met de uren die hij niet werkte voor het halen en brengen van de kinderen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij opdracht had gekregen voor overwerk of dat [gedaagde] BV hiermee duidelijk heeft ingestemd. De gevorderde betaling voor overuren is daarom niet toewijsbaar.

Medische kosten

4.11.

[gedaagde] BV betwist niet dat zij een vergoeding voor medische kosten als gevolg van het bedrijfsongeval, tot de hoogte van het eigen risico moet betalen. [eiser] vordert betaling van € 585,33, dit is hoger dan het eigen risico van € 385,-. Uit productie 5 bij de dagvaarding blijkt niet dat [eiser] meer medische kosten dan het eigen risico heeft gemaakt. Ter zitting heeft [eiser] nog een schermafdruk van een betaling van € 107,03 voor een behandeling op 7 januari 2020 per e-mail ingediend, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat [eiser] deze kosten heeft betaald als gevolg van het bedrijfsongeval. De gevorderde medische kosten voor zover hoger dan € 385,- zullen daarom vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing, worden afgewezen.

Wettelijke verhoging

4.12.

De kantonrechter ziet aanleiding de wettelijke verhoging over de toewijsbare betaling van niet-genoten vakantiedagen, te verlagen tot nihil. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst waren partijen nog in discussie over de hoogte van het totaal aantal opgebouwde, niet-genoten, vakantiedagen en [gedaagde] BV heeft een deel van de dagen wel uitbetaald. Mede gelet op het feit dat artikel 7:625 BW is bedoeld als prikkel tot nakoming is een wettelijke verhoging hier niet op zijn plaats.

Specificatie

4.13.

[gedaagde] BV zal worden veroordeeld om over de nabetaling een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken, die moet worden verstrekt binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan een dwangsom wordt verschuldigd van € 100 per dag met een maximum van € 2.500.

Wettelijke rente

4.14.

De gevorderde wettelijke rente over het toewijsbare bedrag aan vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, zal gelet op de ingestelde vordering worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding (17 november 2020).

Proceskosten

4.15.

[gedaagde] BV zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 106,47

- griffierecht € 236,00

- salaris gemachtigde € 436,00 (2 punten x tarief € 218,00)

Totaal € 778,47

In reconventie:

Gefixeerde schadevergoeding

4.16.

[gedaagde] BV vordert voorwaardelijk, voor het geval de door haar gestelde afspraak over de beperkte uitkering van opgebouwde verlofuren niet komt vast te staan, een gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van het vierwekenloon, € 2.184,50, omdat [eiser] onregelmatig (dat wil zeggen met een te korte opzegtermijn) heeft opgezegd. Aan de voorwaarde is gelet op het oordeel in conventie voldaan.

4.17.

Deze vordering moet echter gelet op het bepaalde in artikel 7:686a, tweede lid, BW worden ingesteld bij verzoekschrift. De wettelijke mogelijkheid een eis in reconventie in te stellen geldt alleen voor de dagvaardingsprocedure. Dit betekent dat de kantonrechter op grond van de artikelen 138, tweede lid, Rv. en 69, tweede lid, Rv. zal bevelen dat de zaken worden gesplitst en dat de procedure voor de vordering in reconventie moet worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de in de conclusie van antwoord van [gedaagde] BV opgenomen tegenvordering een zelfstandig verzoek inhoudt, zodat er geen grond is voor aanpassing van dat processtuk. De conclusie van antwoord in reconventie kan tevens worden aangemerkt als verweerschrift tegen dat verzoek en op zitting van 11 maart 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Er bestaat dus geen aanleiding partijen te bevelen hun processtukken aan te passen aan de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. Op dit onderdeel zal de kantonrechter beslissen bij aparte beschikking van heden.

Huurpenningen

4.18.

[gedaagde] BV vordert € 7.950 aan achterstallige huur van [eiser] . Het staat vast dat er tussen partijen een huurovereenkomst is geweest voor de duur van 19 maanden, vanaf januari 2017 tot en met juli 2018. Verder staat vast dat [eiser] op grond van deze huurovereenkomst een huurprijs van € 550,- per maand was verschuldigd en dat hij vijf huurtermijnen contant heeft betaald. Hieruit blijkt voldoende dat contante betaling de wijze van betalen was. [eiser] stelt dat hij de overige huurtermijnen heeft betaald en heeft daarbij verwezen naar afdrukken van geldopnames en WhatsApp-berichten aan zijn vrouw waarin wordt gesproken over de maandelijkse uitgaven ‘voor [B (voornaam)] ’. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de overige huurtermijnen heeft betaald. Uit de afdruk van de geldopnames blijkt dat [eiser] in de periode van de huurovereenkomst maandelijks bedragen van € 550 of € 1.100 heeft opgenomen. Daar staat tegenover dat nergens uit blijkt dat [gedaagde] BV tijdens de huurovereenkomst aanspraak heeft gemaakt op betaling van achterstallige huurtermijnen. [gedaagde] BV heeft tegenover dit verweer van [eiser] onvoldoende gesteld. De kantonrechter zal de gevorderde huurtermijnen daarom afwijzen.

Salaris bij de eindafrekening

4.19.

[gedaagde] BV heeft verder nog terugbetaling van een minsaldo van 1.20 uur aan vakantiedagen, van € 17,24 bruto gevorderd. Dit saldo is echter gebaseerd op een onvolledige weergave van de opgebouwde, niet-genoten, vakantiedagen, zoals hiervoor al is geoordeeld, zodat de kantonrechter deze vordering afwijst.

Proceskosten

4.20.

Nu [gedaagde] BV in het ongelijk is gesteld zal zij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 311 aan salaris gemachtigde (2 punten x tarief € 311 x 50%).

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] BV om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 2.730,30 bruto ter zake van niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2020 tot de dag der voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] BV om over de nabetaling een deugdelijke bruto/netto specificatie aan [eiser] te verstrekken, binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis en op straffe van de verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag dat [gedaagde] BV niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 2.500;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] BV tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 778,47, waarvan € 436 aan salaris gemachtigde;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

5.5.

bepaalt dat de vordering van [gedaagde] BV tot veroordeling van [eiser] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:672, lid 11, BW wordt afgesplitst van deze zaak en zelfstandig wordt voortgezet volgens de regels van de verzoekschriftprocedure in de zin dat thans een aparte beschikking wordt gewezen;

5.6.

wijst hetgeen overigens in reconventie is gevorderd af;

5.7.

veroordeelt [gedaagde] BV tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 311 aan salaris gemachtigde;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.