Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1767

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
16/135951-19; 16/194631-15 (vordering tot tenuitvoerlegging) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het in vereniging handelen in cocaïne op 30 maart 2019 in Amersfoort. De politie ontving simkaarten van harddrugsgebruikers die regelmatig aanbiedingen van drugs toegestuurd kregen. Naar aanleiding van zo’n ontvangen sms-bericht maakte de politie gebruik van pseudokopen, waarbij verbalisanten cocaïne kochten van de gebruiker van het telefoonnummer dat deze aanbiedingen verstuurde. Verdachte bleek een van de personen achter dit telefoonnummer te zijn. Verdachte heeft ook bekend cocaïne te hebben verkocht. Gelet op het incidentele karakter van het feit, het tijdsverloop en het feit dat verdachte sindsdien zich niet meer schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en hij zijn leven al 2 jaar op de rit heeft, legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 1 week op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/135951-19; 16/194631-15 (vordering tot tenuitvoerlegging) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1985] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,

(hierna: verdachte).

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 december 2019 en 16 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.C. Heijmerink, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 30 maart 2019 te Amersfoort, samen met een ander, cocaïne heeft gedeald.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Het onderzoek Domum richt zich op de projectmatige aanpak van daders van de handel in harddrugs. Verbalisanten van de politie Midden-Nederland kregen van hen ambtshalve bekende harddrugsgebruikers simkaarten overhandigd. Deze gebruikers vermeldden hierbij dat zij constant sms-berichten ontvingen van drugsdealers waarin de dealers hun drugs aanprezen en aanbiedingen doorstuurden. De politie heeft vanaf begin maart 2019 deze simkaarten in gebruik genomen en zij ontvingen ook dit soort aanbiedingen. Vervolgens trachtte de politie door middel het reageren op de aanbiedingen en het uitvoeren van pseudokopers achter de identiteit van de afzenders te komen en te onderzoeken of deze personen handelden in verdovende middelen.

Bewijs

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsvrouw heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 april 2021;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2019, genummerd MD31018005, opgemaakt door de politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 56 tot en met 58;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakte kennisgeving van inbeslagneming van 30 maart 2019, genummerd PL0900-2019072110-34, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 63;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van 13 mei 2019, genummerd PL0900-2019072110-36, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 64 tot en met 67;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 13 mei 2019, genummerd 2019.03.20.130 (aanvraag 022), doorgenummerd pagina 68.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 30 maart 2019 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een wikkel cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 30 dagen, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte sinds dit feit geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd en nooit eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast werkt hij fulltime en woont hij zelfstandig. De raadsvrouw heeft verzocht de op te leggen gevangenisstraf te beperken tot 1 week, omdat een gevangenisstraf van 30 dagen overeenkomstig het ondergane voorarrest, niet in verhouding staat tot de ernst van het feit.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne en is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt. Daarbij is van belang dat harddrugs vaak sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden vaak vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Daarnaast heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van illegale drugshandel. Daarvan is bekend dat deze gepaard gaat met zeer gewelddadige criminaliteit die de maatschappij ontwricht en regelmatig tot ernstige incidenten leidt. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft slechts gehandeld uit winstbejag.

De persoon van verdachte

Uit een de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 15 maart 2021 blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Dit weegt de rechtbank niet in strafverzwarende, noch in strafmatigende zin mee.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een advies van Inforsa van 25 november 2019, opgemaakt door E.A.M. van Rie, reclasseringswerker. Hieruit volgt dat er geen criminogene factoren worden geconstateerd en ook op andere leefgebieden worden geen problemen of risicofactoren waargenomen. De reclassering adviseert dan ook geen bijzondere voorwaarden op te leggen.

Straf

De rechtbank heeft zich bij het bepalen van de straf aangesloten bij de door de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daaruit volgt dat de straf voor het verkopen van een gebruikershoeveelheid harddrugs gedurende minder dan een maand met enige regelmaat een gevangenisstraf van 3 maanden bedraagt.

De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat verdachte éénmalig cocaïne heeft verkocht en na zijn aanhouding openheid van zaken heeft gegeven. Tevens houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte sinds zijn aanhouding zich niet meer schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten en hij zijn leven al bijna 2 jaar op de rit lijkt te hebben.

Alles afwegende volgt de rechtbank het standpunt van de raadsvrouw om een lagere gevangenisstraf dan het reeds ondergane voorarrest op te leggen. De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 1 week op.

9 VORDERING TENUITVOERLEGGING

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling dient te worden afgewezen gelet op de ouderdom van die veroordeling en de relatief geringe ernst van onderhavig feit.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vordering na voorwaardelijke veroordeling af te wijzen nu onderhavige verdenking niet een soortgelijk feit betreft, dan wel vanwege de ouderdom van die eerdere veroordeling.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij vonnis van de politierechter te Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 november 2015 (parketnummer 16/194631-15) is verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank overweegt dat gelet op het feit dat deze strafzaak dateert uit 2015, alsmede de relatief geringe ernst van dit strafbare feit en het tijdsverloop in de onderhavige strafzaak, het niet langer opportuun is om deze gevangenisstraf alsnog ten uitvoer te leggen. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 week;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16/194631-15

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. J.W.B. Snijders Blok en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Jaâter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2021.

Mr. Snijders Blok is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 maart 2019 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere wikkels en/of brokjes en/of bollen cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )