Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1753

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
16/135921-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het handelen in cocaïne in de periode van 15 maart 2019 t/m 4 juni 2019 in Amersfoort. De politie ontving simkaarten van harddrugsgebruikers die regelmatig aanbiedingen van drugs toegestuurd kregen. Naar aanleiding van zo’n ontvangen sms-bericht maakte de politie gebruik van pseudokopen, waarbij verbalisanten cocaïne kochten van de gebruiker van het telefoonnummer dat deze aanbiedingen verstuurde. Verdachte bleek de persoon achter dit telefoonnummer te zijn en hierna werd hij vaker bij pseudokopen herkend als de verkoper van cocaïne. Daarnaast zijn bij hem thuis goederen aangetroffen die te relateren zijn aan drugshandel. Gelet op de bewezenverklaarde pleegperiode en het tijdsverloop legt de rechtbank een gevangenisstraf van 5 maanden op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/135921-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 30 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1994] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] [woonplaats] ,

(hierna: verdachte).

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 13 september 2019, 6 december 2019 en 16 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J.R.F. Esbir Wildeman en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 28 december 2018 tot en met 4 juni 2019 te Amersfoort, cocaïne heeft gedeald.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde en voert daartoe aan dat de inzet van pseudokopers niet proportioneel is geweest in verhouding tot het doel wat daarmee gediend was en dat de eerste pseudokoop op 15 maart 2019 plaatsvond, terwijl het bevel pseudokoop pas op 4 april 2019 is afgegeven en van kracht is geworden. Omdat dit de eerste stappen van de opsporing van verdachte waren, die aldus onrechtmatig zijn geweest, heeft dit tot gevolg dat verdere onderzoekshandelingen moeten worden aangemerkt als fruits of the poisonous tree en daarmee ook uitgesloten dienen te worden van het bewijs.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat telefoonnummer [telefoonnummer] niet exclusief aan verdachte toebehoort en dat er mogelijk meerdere personen van dit nummer gebruik hebben gemaakt. Ook is niet duidelijk of de inhoud van de met dit nummer gevoerde gesprekken betrekking hebben op de handel in verdovende middelen en of de contacten van dit nummer daadwerkelijk harddrugsgebruikers zijn met wie contact heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van het telefoonnummer [telefoonnummer] heeft de raadsman aangevoerd dat dit nummer niet te linken is aan verdachte, omdat hij door niemand ‘ [bijnaam] ’ wordt genoemd. Verder is het nummer in maart 2019 slechts 18 dagen in gebruik is geweest en voldoet verdachte niet aan het signalement van de verkoper op 15 maart 2019. Ten slotte zijn de herkenningen van verdachte op de pseudokopen onvoldoende deugdelijk tot stand gekomen en kan hoogstens worden aangenomen dat verdachte op 26 maart en 6 april 2019 cocaïne heeft afgeleverd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Het onderzoek Domum richt zich op de projectmatige aanpak van daders van de handel in harddrugs. Verbalisanten van de politie Midden-Nederland kregen van hen ambtshalve bekende harddrugsgebruikers simkaarten overhandigd. Deze gebruikers vermeldden hierbij dat zij constant sms-berichten ontvingen van drugsdealers waarin de dealers hun drugs aanprezen en aanbiedingen doorstuurden. De politie heeft vanaf begin maart 2019 deze simkaarten in gebruik genomen en zij ontvingen ook dit soort aanbiedingen. Vervolgens trachtte de politie door middel van het ingaan op de aanbiedingen en het inzetten van pseudokopers achter de identiteit van de afzenders te komen en te onderzoeken of deze personen handelden in verdovende middelen.

Bewijsmiddelen 1

In het proces-verbaal van relaas van verbalisant [verbalisant 1] staat onder meer het volgende:

Op 9 maart 2019 werd het onderstaande sms-bericht verzonden door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] :

goeie avond bij deze doe ik vandaag actie 5halve 100 4hele 200 euro pure topspul aanwezig beller is sneller gr. [bijnaam]2

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] staat onder meer het volgende:

Ik, [verbalisant 3] , had de opdracht om van het subject een gebruikershoeveelheid harddrugs te

kopen.3

Op vrijdag 15 maart 2019 had ik contact met het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij de dealer genaamd [bijnaam] . Ik vroeg de gebruiker van dit telefoonnummer of hij mij “één hele” kon bezorgen. Ik hoorde hem zeggen dat dat goed was.

Omstreeks 16:53 (…) zag ik een kleine rode auto passeren. Ik zag dat er alleen een bestuurder in dit voertuig zat en opende het portier.

Ik hoorde dat de bestuurder zich voor stelde als “ [bijnaam] ”. Ik zag dat hij mij hierop een witte ponypack overhandigde en hoorde hem zeggen: “Gewoon 50 héh.” Hierop overhandigde ik hem 50 euro. Ik zag dat hij vervolgens een simpele mobiele telefoon uit zijn zak pakte en hier wat handelingen mee verrichtte. Ik zag dat ik op datzelfde moment werd gebeld door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Ik hoorde hem zeggen dat ik zijn nummer op moest slaan. Ik hoorde hem zeggen dat hij gebruik maakte van meerdere telefoonnummers.4 Ik zei tegen hem dat hij ook mijn nummer op moest slaan zodat hij de volgende keer wist wie ik was.

Omstreeks 18:20 uur ontving ik een tekstbericht via WhatsApp van de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Ik zag dat de gebruiker van dit telefoonnummer verklaarde dat hij “ [bijnaam] ” was, die zojuist bij mij was geweest. Ik zag dat hij stuurde dat ik hem in het vervolg op dit telefoonnummer kon bereiken.5

In de kennisgeving van inbeslagneming van verbalisant [verbalisant 4] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-23786896

In een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-23786897

Relatie met SIN: AAMO3595NL8

In een NFI-rapport staat onder meer het volgende:

AAMO3595NL 0,64 gram poeder, wit bevat cocaïne9

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] staat onder meer het volgende:

Op zaterdag 23 maart 2019 had ik contact met het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik

bij de dealer genaamd [bijnaam] . Ik sprak met [bijnaam] af dat hij mij “2 hele” zou komen brengen.

Ik sprak met hem af dat hij er omstreeks 18:30 uur zou zijn.

Even later maakte ik contact met een jongen op de afgesproken plaats. Ik herkende deze jongen direct als dezelfde jongen waar ik op vrijdag 15 maart 2018 [de rechtbank begrijpt: 15 maart 2019] omstreeks 16:55 uur ook cocaïne van had gekocht.

Ik zag dat [bijnaam] een plastic zakje uit zijn broek haalde en uit dit zakje 2 witte

ponypacks pakte. Ik zag dat hij mij deze ponypacks overhandigde. Ik vroeg hem hierop:

“Gewoon 100?”

Ik hoorde dat [bijnaam] vervolgens zei: “Ja toch. Hoeveel ben je anders gewend om te geven?”

Hierop pakte ik wat briefgeld uit mijn broekzak. Ik hoorde [bijnaam] zeggen: “Hoeveel heb je daar, misschien kan ik er nog wel een mooi prijsje van maken als je nog meer neemt.” Hierop zei ik dat ik nog maar 20 had en dat ik niet nog meer hoefde.10

In de kennisgeving van inbeslagneming van verbalisant [verbalisant 7] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-238585211

In een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 6] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-238585212

Relatie met SIN: AAMO3662NL13

In een NFI-rapport staat onder meer het volgende:

AAMO3662NL 1,27 gram poeder, wit bevat cocaïne.14

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] staat onder meer het volgende:

Op dinsdag 26 maart 2019 had ik contact met het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik

bij de dealer genaamd [bijnaam] . Ik sprak met hem af dat hij mij “een hele” zou komen brengen.

Op dezelfde dag, te 16:15 uur, parkeerde er een scooter nabij de afgesproken locatie. Ik maakte contact met de bestuurder van deze scooter. Ik zag direct dat dit dezelfde persoon betrof als van wie ik op 15 en 23 maart 2019 cocaïne had gekocht en die ik kende onder de

naam [bijnaam] . Ik zag dat [bijnaam] mij een witte ponypack overhandigde met daarop het opschrift “ [naam] ”. Ik hoorde dat [bijnaam] zei: “je weet dat dit topspul is he vriend”. Ik opende vervolgens de ponypack en zag dat deze gevuld was met een witte substantie. Ik sloot vervolgens de ponypack en overhandigde [bijnaam] 50 euro.15

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] staat onder meer het volgende:

Op 26 maart 2019 vond er in het kader van het onderzoek Domum een pseudokoop plaats.

Ik zag dat de pseudokoper contact maakte met een persoon. Ik herkende deze persoon als dezelfde persoon waarmee de pseudokoper op 23 maart 2019 een ontmoeting had gehad.

Door mij werd een foto gemaakt van de persoon waar de pseudokoper contact mee had gehad.16

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] staat onder meer het volgende:

Op 28 maart 2019 werd ik door collega [verbalisant 7] benaderd. Ik zag dat hij mij de

foto toonde. Ik hoorde collega [verbalisant 7] vragen of ik de afgebeelde persoon

herkende.17 Ik herkende deze persoon voor 100% als de volgende persoon:

Naam: [verdachte]

Voornaam: [voornaam]

Geboortedatum: [1994] .18

In de kennisgeving van inbeslagneming van verbalisant [verbalisant 7] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-238590719

In een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 6] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-238590720

Relatie met SIN: AAMO3664NL21

In een NFI-rapport staat onder meer het volgende:

AAMO3664NL 0,58 gram poeder, wit bevat cocaïne.22

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] staat onder meer het volgende:

Op zaterdag 6 april 2019 had ik contact met het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij de dealer genaamd [bijnaam] . Ik zag, middels een verzonden whatsapp bericht dat hij mij 2,5 gram aanbood voor 100 euro en 5 gram aanbood voor 200 euro. Ik sprak hierop met hem af dat hij mij 2,5 gram zou bezorgen.

Omstreeks 14:25 uur zag ik dat er een jongen verscheen op de afgesproken plaats. Ik herkende deze jongen direct als dezelfde jongen die ik op dinsdag 26 maart 2019 ook had ontmoet, nadat ik bij “ [bijnaam] ” cocaïne besteld had. Ik zag dat deze jongen mij 2 witte ponypacks overhandigde. Ik nam deze ponypacks van hem aan en rekende met hem af. Ik overhandigde hem hierop 100 euro. Ik vroeg hem of het nog laat geworden was gisterenavond. Ik hoorde hem zeggen: “Ja toch. En vanmorgen 9 uur alweer de eerste klant.” Toen ik de ponypacks opende, zag ik dat er een witte substantie in zat.23

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] staat onder meer het volgende:

Op 6 april 2019 vond er in het kader van het onderzoek Domum een pseudokoop plaats.

Op deze dag, omstreeks 14:20 uur, had ik, middels een technisch hulpmiddel, zicht op de locatie alwaar de pseudokoop zou plaats vinden. Ik zag dat de pseudokoper contact maakte met een persoon . Ik herkende deze persoon als dezelfde persoon waarmee de pseudokoper op 23 maart 2019 en 26 maart 2019 een ontmoeting had gehad. Door mij werd een foto gemaakt van de persoon waarmee de pseudokoper contact had.24

In de kennisgeving van inbeslagneming van verbalisant [verbalisant 7] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-239159325

In een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-239159326

Relatie met SIN: AAMO3747NL27

In een NFI-rapport staat onder meer het volgende:

AAMO3747NL 1,20 gram poeder en brokjes, wit, bevat cocaïne28

In een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van verbalisant [verbalisant 10] staat onder meer het volgende:

Op dinsdag, 4 juni 2019, omstreeks 6:10 uur, werd door mij (…) voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning gevestigd op de [adres] [woonplaats] .

Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:

  • -

    een witkleurige Iphone. Vindplaats: op het bed

  • -

    vijf zwartkleurige mobiele telefoons van het merk Nokia. Vindplaats: Drie op het bed, één in de onderste lade van een klein ladekastje op het tv meubel en één in het middelste bovenste keukenkastje op de bovenste plank.

  • -

    wit papieren wikkels met hierin een witkleurige poeder. Vindplaats: In het middelste bovenste keukenkastje op de middelste plank.

  • -

    Twee plastic zakjes met hierin een witkleurige poeder. Vindplaats: Eén in een plastic tas onder de bank en één in het middelste bovenste keukenkastje op de bovenste plank.

  • -

    een weegschaaltje met hierbij stalen kleine rondjes. Vindplaats: In een plastic tas onder de bank.29

In de kennisgeving van inbeslagneming van verbalisant [verbalisant 11] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-242759130

In de kennisgeving van inbeslagneming van verbalisant [verbalisant 11] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-242759631

In een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 12] staat onder meer het volgende:

Goednummer: PL0900-2019072110-242759132

Relatie met SIN: AAMN8206NL33

Goednummer: PL0900-2019072110-242759634

Relatie met SIN: AAMN8205NL35

In een NFI-rapport staat onder meer het volgende:

AAMN8206NL poeder en brokjes, wit, uit 3,00 gram bevat cocaïne36

In een NFI-rapport staat onder meer het volgende:

AAMN8205NL poeder en brokjes, wit, uit 15,73 gram bevat cocaïne37

In een proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 7] staat onder meer het volgende:

Onderzoek aan het onder verdachte [verdachte] inbeslaggenomen toestel laat zien dat:38

Vanaf 25-05-2019 zijn er, op dagelijkse basis, tot de dag van aanhouding, 04-06-2019, chats en gesprekken aanwezig die gaan over de aankoop en verkoop van harddrugs. Men bespreekt zaken zoals hoeveelheid en prijs.39

Verdachte heeft onder meer het volgende verklaard:

V: Waar sta jij ingeschreven? Woon je daar ook? (…)

A: In [woonplaats] , [adres] . Ik woon daar op mijzelf.40

V: Heb jij een mobiele telefoon? En wat is je nummer?

A: Jazeker, [telefoonnummer] . Dat is een Iphone 5se.

V: Heb je nog meer telefoons?

A: Zeker, ik heb nog twee telefoons. Die hebben jullie in beslag genomen (…).

V: Wat voor telefoons zijn dat?

A: Twee wegwerp telefoons en nogmaals de Iphone die jullie al zojuist genoemd hebben.41

V: Ik toon jou een fotoblad, met drie foto’s die genummerd zijn van 1 tot en met 3. Kun je vertellen wie de persoon is op de foto’s?

A: (…)

Foto 2, dat ben ik [rechtbank: te weten de foto zoals gemaakt door verbalisant [verbalisant 7] op 26 maart 2019].

Foto 3, dat ben ik ook [rechtbank: te weten de foto zoals gemaakt door verbalisant [verbalisant 7] op 6 april 2019].42

Fotoblad43

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op basis van de voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte in de periode van 15 maart 2019 – de dag van de eerste pseudokoop - tot en met 4 juni 2019 – de dag van de doorzoeking van de woning van verdachte en zijn daaropvolgende aanhouding - meerdere keren cocaïne heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd.

Door de officier van justitie en de verdediging is aangevoerd dat de processen-verbaal van de pseudokopen op 15 maart 2019, 23 maart 2019 en 26 maart 2019 moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat er op dat moment nog geen bevel ex artikel 126i van het Wetboek van Strafvordering (Sv) was afgegeven.

De rechtbank oordeelt anders en overweegt daartoe als volgt.

Het staat vast dat ten tijde van de pseudokopen op 15 maart 2019, 23 maart 2019 en 26 maart 2019 nog geen bevel ex artikel 126i Sv was afgegeven. Dat levert een vormverzuim op in het voorbereidend onderzoek ex artikel 359a Sv. Indien binnen de door artikel 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1890) benadrukt dat aan de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen als uitgangspunt ten grondslag ligt dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot de aard en de ernst van het vormverzuim en het door de verdachte als gevolg van het vormverzuim geleden nadeel. Dat betekent tevens dat, waar mogelijk, wordt volstaan met het – vanuit het perspectief van de met vervolging en berechting van strafbare feiten gemoeide belangen bezien – minst verstrekkende rechtsgevolg.

De rechtbank overweegt dat artikel 126i Sv de persoonlijke levenssfeer van de verdachte beschermt. Op deze levenssfeer is een inbreuk gemaakt. De rechtbank acht deze inbreuk en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt echter relatief beperkt. Het gaat immers om drie losse contactmomenten in de openbaarheid, die mede tot stand zijn gekomen naar aanleiding van een uit eigen beweging door de gebruiker van het nummer [telefoonnummer] verzonden advertentie op 9 maart 2019, waarin op ondubbelzinnige wijze cocaïne te koop werd aangeboden. Daarnaast acht de rechtbank met betrekking tot de ernst van het verzuim van belang dat door de officier van justitie, met ingang van 4 april 2019, alsnog een bevel tot pseudokoop is afgegeven. Tot slot is door de verdediging, anders dan in algemene termen, niet concreet gemaakt welk nadeel verdachte door de schending zou hebben geleden, terwijl dat wel op haar weg had gelegen (ECLI:2018:437).

De rechtbank is gelet op vorenstaande van oordeel dat het door het vormverzuim veroorzaakte nadeel voldoende kan worden gecompenseerd door strafvermindering. Dit zal tot uitdrukking komen bij de strafmotivering. De conclusie van voorgaande is dat de rechtbank van oordeel is dat de processen-verbaal van de pseudokopen op 15 maart 2019, 23 maart 2019 en 26 maart 2019 wel voor het bewijs kunnen worden gebruikt, alsmede de daaruit voortvloeiende onderzoeksbevindingen.

Ook het betoog van de raadsman dat bij de herhaalde toepassing van de pseudokoop de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn geschonden wordt door de rechtbank niet gevolgd. Op 15 maart 2019, 23 maart 2019, 26 maart 2019 en 6 april 2019 heeft een verbalisant cocaïne gekocht bij verdachte. Uit het relaas van het onderzoek blijkt dat dealers van harddrugs continu van telefoonnummer wisselen om ontdekking door de politie te voorkomen en middels deze telefoonnummers dagelijks advertenties naar hun contacten sturen waarin zij hun drugs aanprijzen. Het meermalen toepassen van het opsporingsmiddel is naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden en vanuit oogpunt van opsporings- en maatschappelijke belangen die zijn gemoeid met het tot klaarheid brengen van structurele of omvangrijke overtredingen van de Opiumwet gerechtvaardigd te achten, zodat de officier van justitie in redelijkheid tot het meermalen toepassen van deze bevoegdheid heeft kunnen besluiten.

Het verweer van de verdediging, inhoudende dat niet kan worden bewezen dat verdachte de persoon is geweest die in de ten laste gelegde pleegperiode gebruikmaakte van de telefoonnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] of dat hij de persoon is geweest die bij alle pseudokopen de verkoper is geweest, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte ook in de periode voorafgaand aan de eerste pseudokoop op 15 maart 2019 heeft gehandeld in verdovende middelen. Verdachte zal daarom ten aanzien van de ten laste gelegde pleegperiode tot en met 14 maart 2019 partieel worden vrijgesproken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode van 15 maart 2019 tot en met 4 juni 2019 te Amersfoort, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een of meerdere wikkels en brokjes cocaïne, zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 240 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 54 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten van het LOVS en rekening te houden met het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de voorwaarden heeft gehouden.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich gedurende een periode van meer dan 2 maanden schuldig gemaakt aan het dealen van cocaïne en is daarmee medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaakt. Daarbij is van belang dat harddrugs vaak sterk verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden vaak vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Daarnaast heeft verdachte bijgedragen aan de instandhouding van illegale drugshandel. Daarvan is bekend dat deze gepaard gaat met zeer gewelddadige criminaliteit die de maatschappij ontwricht en regelmatig tot ernstige incidenten leidt. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft slechts gehandeld uit winstbejag.

Persoon van verdachte

Uit een de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 4 februari 2021 blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Dit weegt de rechtbank niet in strafverzwarende, noch in strafmatigende zin mee.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een advies van Reclassering Nederland van 26 februari 2020, opgemaakt door A. van Duijn, reclasseringswerker. Hieruit volgt dat in het verleden door Altrecht is vastgesteld dat verdachte functioneerde op zwakbegaafd niveau en dat er sprake was van ADHD en ODD persoonlijkheidsproblematiek. Ook zijn er problemen op het gebied van dagbesteding, inkomen en schulden. De reclassering schat de kans op recidive in als hoog en adviseert de rechtbank om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, inhoudende een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen en de plicht om mee te werken aan schuldhulpverlening.

Straf

De rechtbank heeft zich bij het bepalen van de straf aangesloten bij de door de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daaruit volgt dat de straf voor het verkopen van een gebruikershoeveelheid harddrugs gedurende een periode van tussen de 1 en 3 maanden met enige regelmaat een gevangenisstraf van 6 maanden bedraagt.

Verder houdt de rechtbank in strafmatigende zin sterk rekening met het tijdsverloop dat heeft plaatsgevonden sinds de aanhouding van verdachte voor het onderhavige feit. De rechtbank zal om die reden een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden opleggen. De rechtbank komt gelet op het reeds door verdachte ondergane voorarrest niet meer toe aan de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden (150 dagen) op, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

9 BESLAG

9.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen verdovende middelen alsmede de in de woning van verdachte aangetroffen weegschaal met toebehoren te onttrekken aan het verkeer. Voorts dienen de in beslag genomen telefoons verbeurd te worden verklaard. De overige goederen waar nog beslag op rust kunnen aan verdachte worden teruggegeven.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen goederen, met uitzondering van de verdovende middelen en toebehoren, aan verdachte dienen te worden teruggegeven.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

  • -

    1 STK Telefoon (G537199);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537197);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537196);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537190);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537192);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537198);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537204),

verbeurd verklaren. Met behulp van deze voorwerpen is het bewezen verklaarde feit begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten

  • -

    5 STK Verdovende Middelen (G2427591);

  • -

    1 STK Weegschaal, lepel, bord, wit poeder (G2427596);

  • -

    1 STK Verdovende Middelen (G2427589),

onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

  • -

    1 STK Tas (G537202);

  • -

    1 STK Schoenen (G537200);

  • -

    1 STK Horloge (G537203).

Overige voorwerpen

Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat de overige voorwerpen op de beslaglijst reeds zijn geretourneerd aan hem. De rechtbank zal daarom geen beslissing nemen ten aanzien van de overige voorwerpen op de beslaglijst.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

  • -

    1 STK Telefoon (G537199);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537197);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537196);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537190);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537192);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537198);

  • -

    1 STK Telefoontoestel (G537204);

- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:

  • -

    5 STK Verdovende Middelen (G2427591);

  • -

    1 STK Weegschaal, lepel, bord, wit poeder (G2427596);

  • -

    1 STK Verdovende Middelen (G2427589);

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

  • -

    1 STK Tas (G537202);

  • -

    1 STK Schoenen (G537200);

  • -

    1 STK Horloge (G537203);

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. J.W.B. Snijders Blok en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Jaâter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2021.

Mr. Snijders Blok is buiten staat het vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 28 december 2018 tot en met 4 juni 2019 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere wikkels en/of brokjes en/of bollen cocaïne, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van 6 juni 2019, 17 juni 2019, 16 juli 2019, 12 augustus 2019 en 12 december 2019, genummerd 2019072110, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 334. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van relaas, pagina 3.

3 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 38.

4 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 39.

5 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 40.

6 Een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 41.

7 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 42.

8 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 45.

9 Een geschrift, inhoudende een rapport van het NFI van 20 maart 2019, pagina 46.

10 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 48.

11 Een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 51.

12 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 52.

13 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 53.

14 Een geschrift, inhoudende een rapport van het NFI van 2 april 2019, pagina 56.

15 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 58.

16 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 60.

17 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 61.

18 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 62.

19 Een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 66.

20 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 67.

21 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 69.

22 Een geschrift, inhoudende een rapport van het NFI van 2 april 2019, pagina 71.

23 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 73.

24 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 76.

25 Een kennisgeving van inbeslagneming, pagina 77.

26 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 78.

27 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 81.

28 Een geschrift, inhoudende een rapport van het NFI van 18 april 2019, pagina 83.

29 Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina 26.

30 Een kennisgeving van inbeslagneming, (digitale) pagina 2.

31 Een kennisgeving van inbeslagneming, (digitale) pagina 3.

32 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 93.

33 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 94.

34 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 93.

35 Een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, pagina 95.

36 Een geschrift, inhoudende een NFI rapport van 6 juni 2019, pagina 97.

37 Een geschrift, inhoudende een NFI rapport van 6 juni 2019, pagina 98.

38 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 176.

39 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 177.

40 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 21.

41 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 22.

42 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 23.

43 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 25.