Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1739

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
29-04-2021
Zaaknummer
9052548 MV EXPL 21-25 van
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een chalet is na afloop van de huurovereenkomst niet van de standplaats verwijderd, zowel de huurder van de standplaats als de nieuwe eigenaar van het chalet worden veroordeeld tot ontruiming van de standplaats over te gaan, hoofdelijke veroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

voorzieningenrechter

locatie Almere

Vonnis in kort geding van 29 april 2021 (bij vervroeging)


in de zaak met zaaknummer: 9052548 MV EXPL 21-25 van

de besloten vennootschap

Watertuin Recreatie B.V.,

gevestigd te Loosdrecht ,

verder ook te noemen Watertuin Recreatie,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M. Bödicker,

tegen:

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde sub 1] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.H.C.M. Gooyers,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [gedaagde sub 2] ,

gedaagde partij

gemachtigde: mr. M.J. Meijer.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de betekende dagvaarding met 27 producties

- de brief met producties 1 tot en met 3 van [gedaagde sub 2]

- de aanvullende producties 28 en 29

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 13 april 2021 plaatsgevonden via Skype in verband met overheidsmaatregelen die zijn uitgevaardigd als gevolg van de uitbraak van het corona-virus. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht om een aanhouding van de zaak tot en met 20 april 2021. Bij e-mail van de gemachtigde van Watertuin Recreatie van 20 april 2021 is meegedeeld dat partijen vonnis wensen.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Watertuin Recreatie is eigenaresse van een vakantiepark in [woonplaats]

2.2.

Vanaf 2014 heeft Watertuin Recreatie elk jaar gedurende het seizoen van 1 april tot en met 15 oktober een standplaats in het vakantiepark, bekend als perceelnummer [adres] , verhuurd aan [gedaagde sub 1] ten behoeve van het aan [gedaagde sub 1] in eigendom toebehorende chalet.

2.3.

Watertuin Recreatie heeft per e-mail van 15 maart 2020 aan [gedaagde sub 1] meegedeeld dat zij de huurovereenkomst voor seizoen 2021 niet meer zal verlengen en dat [gedaagde sub 1] zijn chalet van de standplaats moet verwijderen.

2.4.

Per aangetekende brief van 28 september 2020 heeft Watertuin Recreatie aan [gedaagde sub 1] meegedeeld dat hij tot 30 december 2020 de tijd heeft om het perceel geschoond op te leveren. Vervolgens heeft Watertuin Recreatie herhaaldelijk per e-mail gevraagd aan [gedaagde sub 1] hoe en wanneer hij het chalet weg laat halen en [gedaagde sub 1] meegedeeld dat indien hij niet voor 30 december 2020 het perceel geschoond heeft opgeleverd er vanaf
1 januari 2021 € 150,00 per week of een deel van een week aan kosten in rekening wordt gebracht.

2.5.

[gedaagde sub 1] heeft per e-mail van 25 november 2020 aan Watertuin Recreatie weten dat hij bezig is met de voorbereidingen om zijn chalet te laten verplaatsen.

2.6.

[gedaagde sub 1] heeft op 5 december 2020 het chalet aan [gedaagde sub 2] verkocht. Per e-mail van 27 december 2020 heeft [gedaagde sub 1] aan Watertuin Recreatie meegedeeld dat hij zijn chalet per

5 december 2020 heeft verkocht aan [gedaagde sub 2] . In de koopovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) Verkoper is bekend met het feit dat het chalet, uiterlijk 31 december 2020 verwijderd en verplaatst moet worden naar een locatie van zijn keuze.

Indien het chalet later dan 31 december 2020 verplaatst wordt kan de eigenaar van de grond, de heer Pieter Pijl een schadeloosstelling in rekening brengen van € 150,00 per week of deel van een week dat het chalet nog niet van het park is verwijderd. (…)”

2.7.

[gedaagde sub 2] heeft per e-mail van 29 december 2020 aan Watertuin Recreatie laten weten dat [gedaagde sub 1] hem niet juist heeft geïnformeerd en dat hij van de koop van het chalet wil afzien.

2.8.

Per brief van 26 februari 2021 aan [gedaagde sub 1] heeft de gemachtigde van [gedaagde sub 2] de koopovereenkomst op grond van dwaling ontbonden.

[gedaagde sub 2] is inmiddels een procedure bij de Rechtbank Amsterdam gestart waarin hij vernietiging van de koopovereenkomst met [gedaagde sub 1] vordert.

3 Het geschil

3.1.

Watertuin Recreatie vordert dat de kantonrechter als voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk, in die zin dat als de ene gedaagde voldoet aan het ten deze te wijzen vonnis, de andere gedaagde daarvan zal zijn bevrijd, te veroordelen:

- om het perceel, bekend als perceelnummer [adres] in het vakantiepark van Watertuin Recreatie te [woonplaats] aan de [adres] , binnen 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen met al degenen die en al hetgeen dat zich daarop bevinden respectievelijk bevindt en ter vrije beschikking van eiseres te stellen, zulks op verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 1.000,00 op het moment dat gedaagden in gebreke zijn om aan dit vonnis te voldoen en voorts een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan dat gedaagden daarna in gebreke blijven om aan dit vonnis te voldoen, met veroordeling van gedaagden in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Procedureel

4.1.

[gedaagde sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht om alsnog een verweerschrift te mogen overleggen met een aanzienlijk aantal producties. [gedaagde sub 2] heeft daar bezwaar tegen gemaakt. De voorzieningenrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling besloten de stukken niet van [gedaagde sub 1] niet in behandeling te nemen, omdat het na afloop van de mondelinge behandeling indienen van (omvangrijke) stukken in strijd met de goede procesorde is.

Spoedeisend belang

4.2.

Als onweersproken staat vast dat [gedaagde sub 1] niet aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst heeft voldaan, met het gevolg dat het chalet nog steeds op het perceel van Watertuin Recreatie staat. Daarnaast is ook duidelijk dat [gedaagde sub 1] niet tot ontruiming overgaat, zolang onduidelijkheid blijft bestaan over de vraag of de koopovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] rechtsgeldig is. Evenmin is [gedaagde sub 2] voornemens het chalet te verplaatsen. Van een spoedeisend belang van Watertuin Recreatie bij haar vordering is dan ook voldoende gebleken, omdat zij niet over haar standplaats kan beschikken.

Het verweer van [gedaagde sub 2] dat Watertuin Recreatie geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering, omdat zij niet heeft onderbouwd dat zij voor het seizoen 2021 potentiële huurders had, faalt dan ook.

Toetsingskader

4.3.

Voor toewijzing van de vorderingen in kort geding is vereist dat de aan de vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vorderingen in een nog te voeren bodemprocedure zullen worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in de bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.4.

In deze kort geding procedure zal derhalve aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vorderingen van Watertuin Recreatie in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.

Ontruiming

4.5.

Ten aanzien van de gevorderde ontruiming wordt als volgt overwogen. Een ontruiming heeft zeer ingrijpende en vrijwel niet terug te draaien gevolgen voor een huurder. Om tot toewijzing van die vordering te kunnen komen, dient er dan ook een grote mate van zekerheid te bestaan dat de bodemrechter de ontruiming zal bevelen. In deze zaak staat niet ter discussie dat de standplaats ontruimd moet worden, maar alleen wie dat zou moeten doen; [gedaagde sub 1] of [gedaagde sub 2] .

4.6.

Ten aanzien van [gedaagde sub 1] staat vast dat hij uit hoofde van de huurovereenkomst verplicht is om de standplaats geschoond op te leveren per 30 december 2020. Vast staat ook dat hij die verplichting niet is nagekomen. [gedaagde sub 1] stelt dat die verplichting door de verkoop van zijn chalet aan [gedaagde sub 2] aan [gedaagde sub 2] is overgegaan, althans dat van hem niet verwacht kan worden tot ontruiming over te gaan zolang [gedaagde sub 2] eigenaar is van het chalet.

De voorzieningenrechter overweegt dat de oorzaak voor het niet kunnen voldoen aan zijn verplichting tot ontruiming van het gehuurde perceel in de risicosfeer van [gedaagde sub 1] ligt. Dat [gedaagde sub 1] zijn chalet heeft verkocht aan [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] nu de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst betwist en dat dit eraan bijdraagt dat [gedaagde sub 1] niet aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst meent te kunnen voldoen, kan niet aan Watertuin Recreatie worden tegengeworpen.

[gedaagde sub 1] is naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit hoofde van de huurovereenkomst onverminderd verplicht het perceel geschoond aan Watertuin Recreatie op te leveren. De vordering van Watertuin Recreatie ten aanzien van [gedaagde sub 1] is dan ook toewijsbaar.

4.7.

Ten aanzien van [gedaagde sub 2] staat vast dat hij het chalet van [gedaagde sub 1] heeft gekocht en dat in de koopovereenkomst eveneens is opgenomen dat het chalet uiterlijk op 31 december 2020 moet zijn verwijderd. [gedaagde sub 2] stelt zich nu op het standpunt dat de koopovereenkomst onder dwaling tot stand is gekomen, hij de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden en dat hij in een bodemprocedure inmiddels vernietiging van die overeenkomst vordert, zodat met terugwerkende kracht geen koopovereenkomst meer zou bestaan tussen hem en [gedaagde sub 1] . Tussen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] staat ter discussie of het chalet verplaatsbaar is en wat daarover tussen partijen is besproken. De voorzieningenrechter moet in deze procedure beslissen op basis van de feiten en omstandigheden zoals die in deze procedure voorliggen. De voorzieningenrechter acht dat onvoldoende om te komen tot het oordeel dat het beroep van [gedaagde sub 2] op ontbinding en/of vernietiging van de koopovereenkomst een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. Dat betekent dat van de geldigheid van de koopovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt uitgegaan.

Dat heeft tot gevolg dat [gedaagde sub 2] het chalet zonder recht of titel op het perceel van Watertuin Recreatie heeft laten staan, zodat de vordering van Watertuin Recreatie ten aanzien van [gedaagde sub 2] eveneens toewijsbaar is.

4.8.

Voorgaande betekent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk veroordeeld worden tot ontruiming van het perceel en het chalet aldus moet worden gesloopt of verplaatst. Daarover zullen zij onderling in overleg moeten treden. De termijn voor ontruiming zal worden vastgesteld op de gebruikelijke veertien dagen na de betekening van dit vonnis.

Dwangsom

4.9.

De door Watertuin Recreatie gevorderde dwangsom per dag dat gedaagden in gebreke blijven tot ontruiming van het perceel over te gaan, wordt afgewezen. Gelet op het feit dat Watertuin Recreatie met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming reeds een titel heeft om zelf, via de weg van de reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan, dient zij te onderbouwen op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is. Dit geldt temeer omdat voorkomen dient te worden dat Watertuin Recreatie door het uitstellen van de gedwongen ontruiming de dwangsom kan laten oplopen. Nu een dergelijke onderbouwing ontbreekt, wordt de vordering tot het opleggen van een dwangsom bij gebrek aan belang afgewezen.

Proceskosten

4.10.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Watertuin Recreatie worden begroot op:

- kosten dagvaarding (2 exploten): € 171,62

- griffierecht: € 507,00
- salaris gemachtigde: € 747,00
Totaal: € 1.425,62.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin dat als de ene gedaagde voldoet aan het vonnis, de andere gedaagde daarvan zal zijn bevrijd, om het perceel, bekend als perceelnummer [adres] in het vakantiepark van Watertuin Recreatie te [woonplaats] aan de [adres] , binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, te ontruimen met al degenen die en al hetgeen dat zich daarop bevinden respectievelijk bevindt en ter vrije beschikking van Watertuin Recreatie te stellen.

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin dat als de ene gedaagde voldoet aan het vonnis, de andere gedaagde daarvan zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Watertuin Recreatie tot vandaag vastgesteld op € 1.425,62;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats en in het openbaar uitgesproken door mr. S.C. Hagedoorn op 29 april 2021.