Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1635

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
UTR 20/2123
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht NO verklaard. Principeverzoek is geen aanvraag en dus geen sprake van een besluit in de zin van de Awb. Als al sprake zou zijn van een bestuurlijk rechtsoordeel in de brief dan is dat ook geen besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2123


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2021 in de zaak tussen


[eiser 1] en [eiser 2], woonplaats [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. K.A. Faber),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, verweerder

(gemachtigde: G.J.N. Keuper).

Inleiding

Vader [eiser 1] en zoon [eiser 2] wonen en/of werken aan de [adres] in [woonplaats]. Vader exploiteert op het adres [adres] een tweewielerbedrijf. Dit bedrijf past niet binnen de bestemming maar vader beschikt over een persoonlijke gedoogbeschikking.

Zoon [eiser 2] wil het bedrijf te zijner tijd graag voorzetten maar het college heeft op 26 juni 2019 laten weten niet bereid te zijn om ook aan hem een gedoogbeschikking te geven.

Vader en zoon hebben vervolgens op 8 oktober 2019 een schriftelijk verzoek ingediend bij het college. Daarin hebben zij gevraagd om aan vader ontheffing te verlenen van het geldende bestemmingsplan om het bedrijf in eigendom over te doen aan zijn zoon of om zoon het bedrijf voort te laten zetten. Bij brief van 14 oktober 2019 heeft het college meegedeeld dat dit verzoek om ontheffing van het bestemmingsplan niet voldoet aan de wettelijke eisen van een aanvraag. Daarop hebben vader en zoon in het e-mailbericht van

11 november 2019 verzocht het verzoek aan te merken als een principeverzoek.

In de brief van 11 december 2019 (verzonden 17 december 2019) heeft het college laten weten het verzoek te hebben getoetst aan het bestemmingsplan. Het gebruik van het perceel voor een tweewielerbedrijf past niet binnen het bestemmingsplan. Het college is niet bereid mee te werken aan de gewenste afwijking van het bestemmingsplan omdat dit niet past binnen het ruimtelijk beleid van de gemeente Dronten.

Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de brief van 11 december 2020.

Met het besluit van 23 april 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 11 december 2019 niet aan te merken is als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de Skype-zitting van 12 maart 2021. Eisers en hun gemachtigde waren digitaal aanwezig. Ook de gemachtigde van het college was digitaal aanwezig.

Overwegingen

1. De rechtbank moet in deze zaak de vraag beantwoorden of de reactie van het college

van 11 december 2019 een besluit is waartegen bezwaar kan worden ingesteld. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en legt hieronder uit waarom.

Er is geen sprake van een aanvraag en dus ook niet van een besluit

2. Artikel 1:3, derde lid, van de Awb verstaat onder aanvraag: een verzoek van een

belanghebbende, een besluit te nemen. Het eerste lid verstaat onder besluit: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

3. De rechtbank is van oordeel dat het college het e-mailbericht van 11 november 2019

terecht heeft gekwalificeerd als een verzoek om beginselbereidheid uit te spreken planologische medewerking te verlenen aan een ontheffing van het bestemmingsplan. Eisers hebben er gelet op dit e-mailbericht bewust voor gekozen om juist géén aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen. Omdat geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, kan er ook geen sprake zijn van het nemen van een besluit dat vatbaar is voor bezwaar.

Bestuurlijk rechtsoordeel levert ook geen besluit op

4. Ook als de brief van het college van 11 december 2019 moet worden aangemerkt als

een bestuurlijk rechtsoordeel, zoals eisers betogen, bestaat er geen aanleiding om dit gelijk te stellen met een besluit. Volgens vaste rechtspraak is een bestuurlijk rechtsoordeel namelijk geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties wordt een bestuurlijk rechtsoordeel omwille van de rechtsbescherming met een besluit gelijkgesteld. De algemene lijn daarin is dat het indienen van een aanvraag voor een vergunning of het afwachten van een besluit omtrent handhaving niet als een onevenredig bezwarende weg kan worden aangemerkt.1 Ook in deze zaak is het naar het oordeel van de rechtbank voor eisers niet onevenredig bezwarend om een omgevingsvergunning voor de exploitatie van het bedrijf aan te vragen en een eventueel geschil daarover bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. Dat eisers het betalen van leges willen voorkomen, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

De brief van 11 december 2019 van het college is geen besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar kan worden ingediend. Het college heeft het bezwaar daarom terecht niet ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is uitgesproken op 16 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

de griffier is verhinderd deze

uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie voor een bevestiging van deze lijn bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1356.