Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1631

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
UTR 20/3725
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo, niet gebleken van een aanvraag waarop verweerder had moeten beslissen, dwangsom terecht afgewezen, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/3725

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder

(gemachtigde: mr. E.M. Rozeboom).

Procesverloop

Bij brief van 8 april 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en verzocht om binnen twee weken te beslissen op zijn melding van maart 2019 voor zorg in de vorm van persoonlijke begeleiding en dagbesteding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

Bij besluit van 30 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen op een aanvraag afgewezen.

Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Voor de uitleg daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de Commissie bezwaarschriften van 6 augustus 2020.

Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2021 via Skype for Business. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag. Eiser heeft in maart 2019 een melding gedaan. Vervolgens heeft verweerder nagelaten eiser in de gelegenheid te stellen om, na het advies van [bedrijf] van 20 januari 2020, een aanvraag in te dienen. Verweerder had dan in ieder geval de brief van eiser van 8 april 2020 als aanvraag moeten beschouwen. Eiser betwist daarbij uitdrukkelijk dat hij geen contact heeft opgenomen en niet op een afspraak is verschenen. Hij heeft duidelijk aangegeven dat hij, vanwege de situatie rondom het Corona-virus, telefonisch of per e-mail contact wenst.

Eiser heeft op 2 juli 2020 opnieuw verzocht om de melding/aanvraag op te pakken. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op 24 september 2020 afgewezen. Daarbij gaat verweerder volgens eiser ten onrechte uit van een aanvraagdatum van 10 september 2020 in plaats van maart 2019 dan wel 8 april 2020.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een melding, en geen aanvraag, en dat die melding als afgehandeld is beschouwd toen eiser niet reageerde op oproepen van verweerder om een afspraak te maken. Verweerder is dan geen dwangsom verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen.

3. Volgens rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)1 volgt uit de wettelijke systematiek van de Wmo 2015 dat een cliënt in eerste instantie bij het college een melding doet van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, waarna het college binnen zes weken een onderzoek uitvoert en aan de cliënt of diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt. Als het onderzoek is afgerond en het college daarin geen aanleiding heeft gezien om (ambtshalve) een maatwerkvoorziening te verstrekken, kan de cliënt een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen. Dit recht komt de cliënt ook toe als het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken, waarna hij een aanvraag kan indienen zonder de afronding van het onderzoek af te wachten. Zodra een aanvraag is gedaan moet het college, gelet op artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015, binnen twee weken beslissen op de aanvraag.

4.1.

De beroepsgrond slaagt niet. Daartoe overweegt en oordeelt de rechtbank op basis van de dossierstukken als volgt.

4.2.

In maart 2019 is sprake geweest van een eerste melding dan wel ambtshalve herindicatie door verweerder. In dat kader heeft verweerder Treve Advies op 4 april 2019 opdracht gegeven tot een onderzoek, met verzoek om overleg met de behandelaar van eiser. Bij besluit van 29 juli 2019 (gedingstuk 5) heeft verweerder eiser bericht dat de aanvraag om herindicatie niet in behandeling wordt genomen. Als reden heeft verweerder daarbij aangegeven dat de informatie voor de aanvraag van de herindicatie niet volledig is, omdat eiser niet is verschenen op de afspraak op 24 juli 2019. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit niet dat eiser een aanvraag in de zin van de Wmo 2015 heeft ingediend.

4.3.

Op 22 november 2019 heeft eiser verweerder telefonisch verzocht om een nieuw onderzoek. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder op 26 november 2019 aan [bedrijf] opdracht gegeven om advies uit te brengen. Medisch adviseur [medisch adviseur] heeft op 20 januari 2020 een medisch advies uitgebracht. Verweerder heeft eiser in ieder geval bij brief van 20 februari 2020 (gedingstuk 7) verzocht om vóór 7 maart 2020 te reageren op het verzoek om een afspraak te maken en het advies te bespreken. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat wanneer eiser niet tijdig reageert, verweerder de melding als afgehandeld beschouwt. Niet gesteld of gebleken is dat eiser vóór 7 maart 2020 contact heeft opgenomen

met verweerder. Naar het oordeel van de rechtbank volgt ook hieruit niet dat eiser een aanvraag in de zin van de Wmo 2015 heeft ingediend.

4.4.

Concluderend ziet de rechtbank in bovengenoemde feiten en omstandigheden geen aanknopingspunt voor het oordeel dat eiser op enig moment een aanvraag in de zin van de Wmo 2015 heeft ingediend. Ook de brief van 8 april 2020 kan niet als zodanig worden aangemerkt, nu eiser verweerder daarin in gebreke stelt en verzoekt alsnog te besluiten op zijn vermeende aanvraag. Nu niet is gebleken van een aanvraag, kan geen sprake zijn van het niet tijdig beslissen op een aanvraag. Verweerder heeft zich bij de bestreden besluitvorming dan ook terecht op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is.

4.5.

De overige stellingen van eiser, te weten dat hij telefonisch of per e-mail wel bereikbaar was voor een afspraak en verweerder is uitgegaan van een verkeerde aanvraagdatum, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Om die reden laat de rechtbank deze stellingen onbesproken.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is uitgesproken op 9 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

de griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2013, en de uitspraak van 26 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2007