Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1629

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
UTR 20/3838
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw, intrekking na opschorting bijstand, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/3838

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder

(gemachtigde: mr. M. de Roode).

Inleiding en procesverloop

Eiser heeft eerder vanaf 11 november 2014 bijstand ontvangen. Deze bijstand heeft verweerder onder meer vanaf 30 augustus 2016 ingetrokken en teruggevorderd omdat eiser volgens verweerder op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht voor Stichting [stichting] (de Stichting) zonder dit aan verweerder te melden. Het bezwaar van eiser hiertegen heeft verweerder op 16 maart 2020 ongegrond verklaard. Het beroep van eiser is bij uitspraak van 25 november 2020 door de rechtbank Midden-Nederland ongegrond verklaard1.

Eiser ontvangt per 1 augustus 2019 wederom bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm voor een alleenstaande.

Verweerder heeft in het kader van een heronderzoek nadere gegevens bij eiser opgevraagd over onder meer zijn rol bij de Stichting.

Omdat eiser niet alle gevraagde gegevens heeft ingeleverd, heeft verweerder bij besluit van
5 november 2019 (het primaire besluit 1) de bijstand van eiser op grond van de Pw met ingang van 1 november 2019 opgeschort2. Verweerder heeft eiser hierbij in de gelegenheid gesteld om de eerder gevraagde gegevens alsnog uiterlijk op 15 november 2019 in te leveren.

Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 december 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de bijstand van eiser op grond van de Pw met ingang van 1 november 2019 ingetrokken3, omdat eiser niet alsnog op 15 november 2019 de gevraagde gegevens heeft ingeleverd.

Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 26 maart 20204 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 18 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, gericht tegen de primaire besluiten 1 en 2, ongegrond verklaard.

Eiser is het hier niet mee eens en heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De bewindvoerder van eiser, [bewindvoerder] van MR Beschermingsbewind, heeft op 5 januari 2021 volmacht aan de gemachtigde van eiser verleend tot het voeren van deze procedure.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via Skype for business op 11 maart 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft in beroep voor de gronden over de opschorting verwezen naar de gronden van de intrekking. Eiser heeft tegen de intrekking aangevoerd dat hij aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan en alle beschikbare gegevens heeft overgelegd. Dat blijkt uit de toekenning van de bijstand per 1 augustus 2019. Toen was verweerder op de hoogte van zijn situatie, zijn werkzaamheden bij de Stichting en is verweerder tot toekenning overgegaan. Toen heeft verweerder dus genoegen genomen met de door eiser overgelegde (en nog ontbrekende) gegevens. De over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 oktober 2019 toegekend bijstand heeft verweerder ook ongemoeid gelaten. Bij een ongewijzigde situatie kan dan niet worden volgehouden dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden.

2. Volgens verweerder is bij de toekenning van de bijstand per 1 augustus 2019 ten onrechte onvoldoende rekening gehouden met de eerdere intrekking van de bijstand vanwege de rol van eiser binnen de Stichting. Deze toekenning berust volgens verweerder dus op een fout. Omdat deze fout berust op onzorgvuldig onderzoek bij verweerder, heeft verweerder er vanaf gezien om de periode van 1 augustus 2019 tot en met 31 oktober 2019 in de besluitvorming te betrekken. Verweerder is een nieuw heronderzoek gestart op 8 oktober 2019 en heeft eiser op 18 oktober 2019 om nadere gegevens over (zijn activiteiten bij) de Stichting en om zijn bankafschriften gevraagd. Eiser heeft hier (ook na een hersteltermijn gekregen te hebben) niet geheel aan voldaan, waarop verweerder tot opschorting en intrekking per 1 november 2019 is overgegaan.

3. Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de Pw bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder niet tot opschorting en intrekking heeft kunnen overgaan. Niet betwist is dat de gevraagde gegevens relevant zijn bij het vaststellen van het recht op bijstand. Verder is niet betwist dat eiser niet (al) de gevraagde gegevens binnen de gestelde (herstel)termijn heeft overgelegd. Ook heeft eiser niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat hem hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. Ter zitting heeft eiser opgemerkt dat hij alles wat hij kon inleveren heeft ingeleverd, maar eiser heeft niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt waarom hij de ontbrekende gegevens niet heeft kunnen overleggen. Voor zover eiser stelt dat hij niet de bevoegdheid heeft gegevens van de Stichting te overleggen, verwijst de rechtbank naar dat wat daarover in de eerdere procedure door deze rechtbank bij uitspraak van 25 november 2020 is geoordeeld.

De rechtbank ziet in de stellingen van eiser ook geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting en intrekking gebruik heeft kunnen maken. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)5 gaat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel niet zo ver dat het bestuursorgaan gehouden zou zijn een eenmaal gemaakte fout - in dit geval: het toekennen van bijstand per 1 augustus 2019 zonder toereikende gegevens omtrent onder meer de rol van eiser bij de Stichting - tot in lengte van dagen voort te zetten.

5. Eiser heeft ook een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Volgens eiser heeft hij met de toekenning van de bijstand per 1 augustus 2019 erop mogen vertrouwen dat bij ongewijzigde omstandigheden zijn vrijwilligerswerk bij de Stichting niet opnieuw tot intrekking van zijn recht op bijstand zou leiden. Aan het heronderzoek mag verweerder dan niet dergelijke consequenties als opschorting en intrekking van de bijstand verbinden. Voor zover bij de toekenning sprake was van een fout, mag deze niet in het nadeel van eiser worden uitgelegd.

6. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet niet dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)6 is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Dat van een dergelijke concrete, ondubbelzinnige toezegging sprake is, blijkt niet uit het toekenningsbesluit.

7. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 54, derde lid, van de Pw.

8. De beroepsgrond slaagt niet. Zoals onder overweging 4 is geoordeeld, is verweerder bevoegd om tot opschorting en intrekking van de bijstand per 1 november 2019 over te gaan en heeft verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Voor zover eiser stelt dat dit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, ziet de rechtbank gelet op wat in overweging 4 en 6 staat geen aanknopingspunten voor dat oordeel. Dat verweerder de bijstand niet over de band van artikel 54, derde lid, van de Pw heeft ingetrokken, betreft de keuzevrijheid van verweerder.

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De beslissing is uitgesproken op 19 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

(de rechter is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

1 ECLI:NL:RBMNE:2020:5393

2 Artikel 54, eerste lid, van de Pw

3 Artikel 54, vierde lid, van de Pw

4 ECLI:NL:RBMNE:2020:991

5 zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV0017, r.o. 4.6

6 zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0181, r.o. 4.3