Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1601

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
UTR 19/3128
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging huurovereenkomst inzake visrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/3128


uitspraak van de meervoudige kamer van 20 april 2021 in de zaak tussen

Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten, te 's-Graveland, eiseres

(gemachtigde: mr. W.E.M. Klostermann),

en

Kamer voor de Binnenvisserij, verweerder

(gemachtigde: J.S. Poelsma).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: Hengelsportvereniging Wilnis, te Wilnis

(gemachtigde: mr. R.R. Bil).

Procesverloop

In het besluit van 26 januari 2018 (primair besluit) heeft verweerder de huurovereenkomst tussen eiseres en derde-partij inzake het visrecht in de Bovenlanden Kromme Mijdrecht met zes jaar verlengd.

In het besluit van 29 juni 2018 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2021. Namens eiseres is verschenen [A] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. A. Mul. Namens derde partij is verschenen [B] , bijgestaan door de gemachtigde van derde-partij.

Overwegingen

Besluitvorming

1. Verweerder heeft aan de verlenging van de huurovereenkomst inzake het visrecht ten grondslag gelegd dat er in de eerste plaats geen aanleiding is om te veronderstellen dat een doelmatige bevissing van het water door de toewijzing van het verzoek wordt belemmerd.1 In de tweede plaats valt de belangenafweging die verweerder moet maken2 in het voordeel van derde-partij uit. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat derde-partij en eiseres in de huurovereenkomst zijn overeengekomen dat derde-partij er voor zorgt dat haar leden de toegangsvoorwaarden van het natuurreservaat naleven. Nachtvissen is niet toegestaan en er gelden beperkingen tijdens het broedseizoen. Niet gebleken is dat derde-partij zich daar niet aan houdt of overlast veroorzaakt. Verder zijn delen van het gebied vrij toegankelijk en is er door verschillende andere oorzaken al sprake van verstoring in en rondom het gebied. Het is onvoldoende aannemelijk dat opzegging van de huurovereenkomst noodzakelijk is ter bescherming van het belang van beschermde vogelsoorten. Derde-partij heeft volgens verweerder belang bij ongewijzigde voortzetting van de huurovereenkomst. Het gebied is erg in trek bij de 900 leden van de vereniging. Het belang van eiseres bij beëindiging van de huurovereenkomst weegt onvoldoende op tegen het belang van derde-partij bij de voortzetting daarvan.

Procesbelang derde-partij

2. Partijen verschillen van mening over het looprecht. Volgens eiseres is dit looprecht opgezegd. Derde-partij erkent dit, maar accepteert de opzegging niet. De rechtbank is van oordeel dat derde-partij een procesbelang heeft. Aannemelijk is geworden dat zij het visgebied kan bereiken, ook als er van uitgegaan zou worden dat haar leden geen looprecht meer hebben. De rechtbank laat zich over het looprecht verder niet uit, omdat dat een uitleg van de overeenkomst betreft, die aan de civiele rechter is.

Omvang geding

3. Partijen zijn het er over eens dat de doelmatige bevissing niet in het geding is. Zij verschillen van mening over de vraag of verweerder de belangen in het kader van de billijkheidsoverweging juist heeft afgewogen.

Beroepsgronden

4. Eiseres voert daarover aan dat de belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. Het belang van derde-partij is erin gelegen dat de leden hun hobby kunnen uitoefenen. Die hobby kan ook elders worden uitgeoefend. Daar tegenover staat dat eiseres een zwaarwegend maatschappelijk belang heeft bij het consistent en zorgvuldig beheren van natuurgebieden, om de natuur te behouden en te herstellen. Rustgebieden zoals de Bovenlanden zijn daarvoor noodzakelijk. Door bevissing raken de plantensoorten in het gebied en de vogels die het gebied gebruiken als broed-, rust- en foerageergebied verstoord en deze verstoring moet worden geweerd. Het kan van eiseres, een natuurbeschermingsorganisatie, niet worden gevraagd dat zij (tot in lengte van jaren) handelt in strijd met haar statuten door haar gronden in te zetten op een manier die onverenigbaar is met het natuurdoel.

Oordeel rechtbank

5. Zoals blijkt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)3, speelt de belangenafweging een rol in het kader van de billijkheidstoets. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de respectieve belangen onder ogen gezien en heeft hij in redelijkheid de belangen van derde-partij zwaarder laten wegen. Het gaat kort gezegd enerzijds om de belangen van derde-partij die circa 45 jaar als hengelsportvereniging in het gebied actief is, tegenover de belangen van eiseres om het gebied ongestoord verder tot natuurreservaat te kunnen (laten) ontwikkelen. De rechtbank heeft het volgende overwogen.

6. De zaak draait om de opzegging van de huur van drie visgebieden. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat de gebieden 2 en 3 niet langer in geding zijn. Het gaat haar om de opzegging van gebied 1, hierna ‘het gebied’. Uit de stukken blijkt dat het gebied onderdeel is van de Wilnisse Bovenlanden . Het is onderdeel van een veenweideverbinding die onder andere het Natura 2000-gebied de Nieuwkoopse Plassen met het Utrechtse venengebied verbindt. In het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het een natuurontwikkelingsgebied dat wordt omgezet naar natuur ten behoeve van leefgebiedvergroting en verbindingsmogelijkheden voor diverse soorten flora en fauna, onder andere als foerageergebied. Dit is regionaal en nationaal beleid en hierop zijn de ruimtelijke plannen afgestemd.

7. Blijkens een schrijven van de Provincie Zuid-Holland van 5 maart 2019 ontwikkelen de heringerichte delen van de Bovenlanden zich voorspoedig, maar zijn de doelstellingen voor bijvoorbeeld het aantal broedparen van weidevogels nog niet gehaald. De verwachting is dat de doelstellingen in de loop van de (destijds) komende jaren gehaald zullen worden, waarbij verstoring door menselijk gebruik een beperkende factor kan zijn. Opgemerkt is dat vogels in het open veld het meest verstoringsgevoelig zijn voor “los lopende” mensen die geen vaste lijnen volgen.

8. Ter zitting is door eiseres bevestigd dat de natuurontwikkeling van het gebied op zichzelf goed verloopt. Dit ook in de afgelopen jaren, nadat de huurovereenkomst door verweerder is verlengd, dus ondanks de aanwezigheid van sportvissers in het gebied. Dit maakt dat de toegestane visserij, met onder andere de uitgesloten periodes tussen 15 maart en 15 juni, de ontwikkeling als zodanig kennelijk niet in de weg zit.

9. Dat er desondanks zodanig ernstige verstoring zou zijn dat een verdere ontwikkeling niet mogelijk is, is niet aannemelijk gemaakt of anderszins gebleken. Hoewel aannemelijk is dat elke menselijke aanwezigheid hoe dan ook leidt tot verstoring in een kwetsbaar gebied, is verweerder er terecht van uitgegaan dat niet is gebleken dat de aanwezigheid van vissers tot een verstoring leidt, die verdere natuurontwikkeling in de weg staat en die maakt dat de natuurdoelen niet worden gehaald. De onderbouwing daarvoor ontbreekt.

10. Dat dit niet onderbouwd kán worden en eiseres dus in bewijsnood verkeert, is niet aannemelijk geworden. Niet valt in te zien dat als de aanwezigheid van de vissers leidt tot bijvoorbeeld vertrapping van (kwetsbare) flora of verdichting van de bodem, dit niet met fotomateriaal of anderszins gedocumenteerd had kunnen worden. Ook is niet onderbouwd dat het aantal broedende of foeragerende vogels door de aanwezigheid van de vissers, lager is dan verwacht had mogen worden zonder aanwezigheid van de vissers. De genoemde streefgetallen zijn nog niet gehaald, maar de aantallen stijgen wel. Gesteld noch gebleken is dat die getallen liggen onder de waarden die verwacht hadden mogen worden zonder aanwezigheid van de vissers. Ook is niet aannemelijk geworden dat broedsels mislukken of nesten worden verlaten door de aanwezigheid van vissers in en langs de sloten.

11. Gezien het vorenstaande heeft verweerder in redelijkheid de belangenafweging in het voordeel van derde-partij kunnen laten uitvallen, ook al bevat het visrecht van derde-partij meer dan alleen het gebied waar het nu om gaat, zodat de leden van derde-partij ook elders hun hobby kunnen uitoefenen. Overigens zijn partijen in gesprek geweest over uitruil van dit gebied met een ander gebied. Nu eiseres heeft gesteld dat zij visrechten verleent waar dat maar enigszins mogelijk is, zou dit een oplossing voor de toekomst kunnen zijn.

12. De inbreuk op het eigendomsrecht maakt niet dat verweerder naar billijkheid een ander besluit had moeten nemen. Eiseres heeft het visrecht zelf verleend toen zij circa 20 jaar geleden eigenaar werd van het gebied en zij behoorde te weten dat opzegging van de overeenkomst niet automatisch leidt tot het einde van het visrecht. Dat dit ook voor de toekomst onveranderlijk zou zijn, is nu niet aan de orde. Voor de huidige beoordeling naar billijkheid is ook van belang dat eiseres derde-partij niet (tijdig) bij de herontwikkeling heeft betrokken, terwijl derde-partij naar eigen zeggen al 45 jaar in het gebied actief is en wel betrokken had willen worden. Het had op de weg van eiseres gelegen om dat wel te doen. Dat de opzegging nu als volledige verrassing kwam, draagt eraan bij dat het besluit van verweerder naar billijkheid is genomen. Dit is niet doorslaggevend voor een eventuele afweging die voor de periode na 2024 moet worden gemaakt.

Conclusie

13. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de huurovereenkomst heeft mogen verlengen.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzitter, mr. L.M. Reijnierse en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op 20 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Artikel 33, zesde lid, van de Visserijwet 1963

2 Op grond van artikel 33, vierde lid, van de Visserijwet 1963

3 Bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2006.