Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1595

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
C/16/497361 / HA ZA 20-113
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Kwalificatie samenwerking als vof. Meer informatie nodig om vast te stellen hoe moet worden afgerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2021-0223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/497361 / HA ZA 20-113

Vonnis van 21 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende in [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

hierna: [eiser (voornaam)] ,

advocaat mr. L. Kruiswijk,

tegen

[gedaagde] ,

wonende in [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

hierna: [gedaagde (voornaam)] ,

advocaat mr. D.H.J. Hooreman.

Partijen worden hierna [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 16

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties 1 tot en met 3

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    de nagekomen producties 4 en 5 van [gedaagde (voornaam)]

  • -

    de nagekomen productie 17 van [eiser (voornaam)]

1.2.

Op 18 februari 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan heeft de griffier zittingsaantekeningen gemaakt.

1.3.

De rechtbank heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2 Waar gaat deze zaak over?

De achtergrond

2.1.

[eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] zijn vader en zoon. [eiser (voornaam)] was voor eigen rekening werkzaam als aannemer onder de naam ‘ [naam 1] ’. [gedaagde (voornaam)] werkte in loondienst maar had daarnaast ook een eenmanszaak onder de naam ‘ [naam 2] ’. [gedaagde (voornaam)] werkt nog steeds in zijn eenmanszaak. [eiser (voornaam)] werkt sinds november 2018 niet meer.

2.2.

Eind 2017 zijn [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] met elkaar in gesprek geraakt over een samenwerking. [gedaagde (voornaam)] heeft per 1 maart 2018 zijn baan in loondienst opgezegd en vanaf 1 maart 2018 tot en met 31 oktober 2018 hebben [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] samen verbouwingsprojecten gedaan onder de naam [naam 1] . [gedaagde (voornaam)] heeft de administratie bijgehouden en de heer [A] (hierna: [A] ) was betrokken als boekhouder. Over heel 2018 heeft [naam 1] een omzet behaald van € 359.529 en een winst geboekt van € 120.823.

2.3.

[eiser (voornaam)] heeft gedurende de samenwerking uit de opbrengsten daarvan in totaal

€ 21.518 opgenomen. [gedaagde (voornaam)] kreeg volledige toegang tot de administratie en bankomgeving van [eiser (voornaam)] en de beschikking over een reader en betaalpas voor de bankrekening van [eiser (voornaam)] . [gedaagde (voornaam)] heeft verschillende bedragen naar zichzelf overgemaakt.

2.4.

[gedaagde (voornaam)] heeft tijdens twee mediationtrajecten uitleg gegeven over de door hem gevoerde administratie. In het kader daarvan heeft [gedaagde (voornaam)] een Excelsheet met uitleg verstrekt aan [eiser (voornaam)] en [A] . [gedaagde (voornaam)] heeft aan afrekening opgesteld en aan de hand daarvan heeft hij op 5 juli 2019 € 8.704 aan [eiser (voornaam)] betaald.

2.5.

Er is tussen [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] een geschil ontstaan over de afrekening van de samenwerking tussen 1 maart en 1 november 2018. [eiser (voornaam)] stelt dat [gedaagde (voornaam)] hem nog geld verschuldigd is. [gedaagde (voornaam)] is het daar niet mee eens.

De stellingen en vorderingen van [eiser (voornaam)]

2.6.

Volgens [eiser (voornaam)] heeft [gedaagde (voornaam)] zich de winst van de onderneming door administratieve kunstgrepen toegeëigend en weigert hij het aandeel van [eiser (voornaam)] hierin te delen. Er zijn projecten waarvoor [gedaagde (voornaam)] de omzet ten gunste van zijn eigen eenmanszaak heeft geboekt, maar de lasten in de onderneming van [eiser (voornaam)] heeft geboekt. [eiser (voornaam)] kreeg dan niets: geen loon en geen onkostenvergoeding. Daarnaast zijn er projecten waarbij [gedaagde (voornaam)] de omzet ten gunste van de onderneming van [eiser (voornaam)] heeft geboekt. In die gevallen heeft [gedaagde (voornaam)] zichzelf een uurloon toegekend en zich daarmee als onderaannemer in de boeken van [eiser (voornaam)] opgenomen. Daarnaast stelt [eiser (voornaam)] dat [gedaagde (voornaam)] het door [eiser (voornaam)] voor 1 januari 2018 opgebouwde vermogen zonder overleg met [eiser (voornaam)] heeft gebruikt voor eigen doeleinden.

2.7.

[eiser (voornaam)] vordert primair betaling van € 38.466,92 en stelt daarbij dat er sprake was van een vennootschap onder firma (hierna: vof) en dat het over 2018 gezamenlijk gerealiseerde resultaat gelijk moet worden verdeeld, zoals volgt uit artikel 7A:1670 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

2.8.

Subsidiair vordert [eiser (voornaam)] € 91.723,15. Daarbij gaat [eiser (voornaam)] ervan uit dat er sprake was van een overeenkomst van aanneming van werk (artikel 7:750 BW), in het kader waarvan [eiser (voornaam)] het werk deels heeft laten uitvoeren door zijn werknemer. Op grond van artikel 7:752 BW is [gedaagde (voornaam)] dan aan [eiser (voornaam)] een redelijke prijs verschuldigd. Deze prijs kan gelijk worden gesteld aan het uurloon dat [gedaagde (voornaam)] bij [eiser (voornaam)] in rekening heeft gebracht.

Meer subsidiair vordert [eiser (voornaam)] betaling van € 64.650,66. [eiser (voornaam)] stelt daarbij dat het [gedaagde (voornaam)] aan een grondslag ontbrak om uren bij [eiser (voornaam)] in rekening te brengen. De door [eiser (voornaam)] aan [gedaagde (voornaam)] betaalde uren zijn dan onverschuldigd door [eiser (voornaam)] voldaan en moeten door [gedaagde (voornaam)] worden terugbetaald. Daarnaast geldt in dat geval ook dat [gedaagde (voornaam)] niet gerechtigd was tot het doen van privéopnames van de rekening van [eiser (voornaam)] en dat [eiser (voornaam)] niet gehouden was om de kosten voor de onderneming van [gedaagde (voornaam)] te betalen. [eiser (voornaam)] vordert ook betaling van de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

Het verweer van [gedaagde (voornaam)] en zijn voorwaardelijke eis in reconventie

2.9.

Volgens [gedaagde (voornaam)] hielden de afspraken tussen partijen in dat [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] de al lopende projecten gezamenlijk zouden afmaken en zij samen en afzonderlijk klanten zouden werven voor nieuwe projecten, die zij dan gezamenlijk uitvoeren. [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] zouden ieder hun eigen eenmanszaak behouden. De kosten zouden gezamenlijk worden voorgefinancierd en zo nodig aan elkaar worden doorbelast. In overleg met hun boekhouder [A] zou er een gezamenlijke administratie worden gevoerd voor de gezamenlijke projecten. Het uit de samenwerking te behalen resultaat (omzet minus kosten en belastingen/heffingen) zou merendeels toekomen aan [gedaagde (voornaam)] . [eiser (voornaam)] hoefde uit deze samenwerking alleen maandelijks een ‘loon’ te ontvangen gelijk aan het bedrag dat hij zichzelf in de periode daarvoor ook al maandelijks uitkeerde.

2.10.

[gedaagde (voornaam)] stelt dat hij het resultaat van de gezamenlijke onderneming in overeenstemming met de eind 2017 gemaakte afspraken met de betaling van € 8.704 op 5 juli 2019 heeft verdeeld en niets meer aan [eiser (voornaam)] schuldig is. De vorderingen van [eiser (voornaam)] moeten daarom worden afgewezen, aldus [gedaagde (voornaam)] . In verband daarmee stelt [gedaagde (voornaam)] dat [eiser (voornaam)] uit de opbrengst van de samenwerking niet alleen € 30.222 heeft ontvangen

(€ 21.518, zie 2.3, + € 8.704), maar daarnaast ook een bedrag van in totaal € 27.019 heeft ontvangen. Laatstgenoemd bedrag bestaat uit de opstelsom van € 20.621 + € 3.274 +

€ 3.484. Deze posten komen verder aan de orde onder 3.28.

2.11.

[gedaagde (voornaam)] stelt daarnaast dat tussen partijen in de periode van 1 maart 2018 tot en met oktober 2018 geen vof heeft bestaan en partijen dat ook niet hebben beoogd. [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] hebben in die periode gezamenlijk projecten verricht voor klanten die zijn geworven door [gedaagde (voornaam)] of door [eiser (voornaam)] . Partijen hebben enerzijds gefactureerd aan de betreffende klanten van (één van) partijen en anderzijds deze inkomsten en de kosten onderling verdeeld en afgerekend.

2.12.

Voor het geval de rechtbank wel tot het oordeel komt dat er een vof heeft bestaan, heeft [gedaagde (voornaam)] overeenkomstig artikel 32 van het Wetboek van Koophandel (hierna: WvK) in reconventie gevorderd dat de rechtbank – kort gezegd – de vereffening van de vof gelast, een onafhankelijk deskundige aanstelt om een liquidatiebalans over 2018 op te stellen en een verdeelsleutel voor het bedrijfsresultaat en de schulden bepaalt.

3 De beoordeling

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

Kwalificatie van de samenwerking tussen [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] (maart 2018 – oktober 2018)

3.1.

De samenwerking tussen [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] van 1 maart 2018 tot en met oktober 2018 moet juridisch worden gekwalificeerd als een vof. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.

3.2.

[eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] hebben de afspraken over hun samenwerking niet schriftelijk vastgelegd. De overeenkomst van de vof is echter vormvrij. Artikel 22 WvK schrijft weliswaar voor dat de vof moet worden aangegaan bij een authentieke of onderhandse akte, maar dat is slechts een dwingend bewijsvoorschrift. Het ontbreken van een akte leidt dus niet direct tot het oordeel dat van het bestaan van een vof geen sprake is. Daarbij is van belang dat de vof een vorm van een maatschap is. Het bestaan van de maatschap hoeft door de maten niet met een akte te worden bewezen. Vennoten bij een vof kunnen, bij het ontbreken van een vennootschapsakte, daarom wel bewijzen dat tussen hen een maatschap bestaat. Als de maatschap een onderneming drijft, optreedt onder een gemeenschappelijke naam en geen commanditaire vennootschap is, dan is zij op grond van artikel 16 WvK als een vof aan te merken.1

3.3.

Een maatschap heeft de volgende kenmerken:

  1. er is sprake van inbreng van goederen en/of geld en/of genot van goederen en/of arbeid

  2. het doel is het behalen van gemeenschappelijk voordeel

  3. er is sprake van activiteit

  4. alle maten hebben zeggenschap in de manier waarop het doel van de maatschap wordt nagestreefd en in de besteding van eventuele winst

  5. er is tussen de maten geen sprake van onderlinge ondergeschiktheid

Inbreng arbeid, gemeenschappelijk voordeel en zeggenschap

3.4.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij beiden arbeid hebben ingebracht: [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] hebben allebei projecten uitgevoerd. Er was dus ook sprake van activiteit binnen het samenwerkingsverband. Evenmin staat ter discussie dat het doel van de samenwerking was om gemeenschappelijk voordeel te behalen. [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] zouden daarvoor gezamenlijk nieuwe klanten werven en gezamenlijk projecten aannemen.

3.5.

Het volgende vereiste houdt in dat zowel [eiser (voornaam)] als [gedaagde (voornaam)] zeggenschap had in de manier waarop het doel van de maatschap werd nagestreefd en in de besteding van de eventuele winst. Inmiddels is er wel een discussie ontstaan over de verdeling van de winst, maar niet is gesteld of gebleken dat [eiser (voornaam)] of [gedaagde (voornaam)] geen zeggenschap had tijdens de samenwerking: er zijn afspraken gemaakt waarin beide partijen een stem hadden. De huidige discussie gaat over de inhoud van die afspraken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] beiden zeggenschap hadden.

Geen onderlinge ondergeschiktheid

3.6.

Ook is vereist dat er geen sprake was van onderlinge ondergeschiktheid. De ene vennoot kan dus niet in dienst zijn van de andere vennoot. [gedaagde (voornaam)] heeft gesteld dat de samenwerking niet gelijkwaardig was. Naarmate de samenwerking vorderde was er volgens [gedaagde (voornaam)] sprake van een steeds grotere afhankelijkheid van [eiser (voornaam)] aan [gedaagde (voornaam)] . In het begin heeft [eiser (voornaam)] nog velerlei werkzaamheden verricht in de projecten die zij samen uitvoerden. Naarmate de tijd verstreek, liep de inzet van [eiser (voornaam)] terug naar enkele uren per werkdag en uiteindelijk zelfs tot enkele uren per week. [eiser (voornaam)] liet de administratie steeds meer over aan [gedaagde (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] moest steeds vaker werkzaamheden van [eiser (voornaam)] overnemen omdat [eiser (voornaam)] verstek liet gaan of de werkzaamheden niet goed uitvoerde. Volgens [gedaagde (voornaam)] gedroeg [eiser (voornaam)] zich steeds meer als een ‘nukkige medewerker’ van [gedaagde (voornaam)] dan als een volwaardige en gelijkwaardige vennoot die op eigen initiatief handelt. [gedaagde (voornaam)] vermoedt dat de oorzaak van de afnemende inzet van [eiser (voornaam)] was gelegen in alcoholgebruik en/of ziekte.

3.7.

[eiser (voornaam)] betwist wat [gedaagde (voornaam)] stelt over het gedurende de samenwerking toenemende gebrek aan gelijkwaardigheid tussen partijen. Volgens [eiser (voornaam)] was zijn inzet gelijkwaardig aan die van [gedaagde (voornaam)] en werd hij niet gehinderd door alcoholgebruik of ziekte.

3.8.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is geweest van onderlinge ondergeschiktheid. Gelijkwaardigheid vereist niet dat partijen dezelfde werkzaamheden verrichten, er kan namelijk nog steeds sprake zijn van een onderlinge taakverdeling. Daarnaast geldt dat niet is gesteld of gebleken dat een van beiden de beslissende stem had in de bedrijfsvoering, zoals de keuze om een project aan te nemen, de planning ervan en de manier waarop de projecten moesten worden uitgevoerd.

Uitoefening van een bedrijf onder een gemeenschappelijke naam

3.9.

De rechtbank stelt vast dat aan de eisen voor het bestaan van een maatschap is voldaan. Vervolgens moet worden beoordeeld of de maatschap zag op de uitoefening van een bedrijf onder een gemeenschappelijke naam. In dat geval is er sprake van een vof.

3.10.

[eiser (voornaam)] heeft gesteld dat hij met [gedaagde (voornaam)] heeft samengewerkt onder de naam [naam 1] en dat zij zich ook onder die naam gezamenlijk naar buiten hebben gepresenteerd. Volgens [gedaagde (voornaam)] was er geen sprake van een gezamenlijk optreden naar buiten toe als vof, onder meer omdat hij nog vanuit zijn eigen eenmanszaak factureerde.

3.11.

De rechtbank stelt vast dat [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] hun bedrijfsmatige samenwerking onder een gemeenschappelijke naam hebben uitgeoefend, namelijk onder de naam [naam 1] . [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] hadden samen een website onder die naam. Op die website waren hun beide namen genoemd, stonden ze samen op een foto en er stond ‘Ons bedrijf staat voor […]’. . Ook hadden [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] samen een visitekaartje waarop de naam [naam 1] werd vermeld, met daaronder ‘ [gedaagde (voornaam)] & [eiser (voornaam)] [achternaam van eiser en gedaagde] ’. Daarnaast is een deel van de werkzaamheden voor de door partijen gezamenlijk gevoerde projecten gefactureerd vanuit [naam 1] . Dat [gedaagde (voornaam)] een deel van de werkzaamheden vanuit zijn eigen eenmanszaak heeft gefactureerd legt onder deze omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal.

Afgescheiden vennootschapsvermogen

3.12.

Volgens [gedaagde (voornaam)] was er geen sprake van een afgescheiden vennootschapsvermogen. Beide partijen hebben hun eenmanszaak behouden. Offertes, inkomsten uit en kosten samenhangende met de werkzaamheden van [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] zijn volgens [gedaagde (voornaam)] steeds door hun eenmanszaken opgesteld en ontvangen dan wel voldaan. De gezamenlijke boekhouder [A] heeft op geen enkel moment op verzoek van partijen vennootschappelijke balans en/of wint- en verliesrekening opgesteld en heeft daarop ook nooit bij partijen aangedrongen.

3.13.

Dit verweer slaagt niet. Uit het bovenstaande volgt dat het gemeenschappelijke vermogen bestaat uit de omzet die is behaald met de gezamenlijke projecten, min de daaraan toe te rekenen kosten. De door [gedaagde (voornaam)] aangevoerde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel.

Tussenconclusie: er is sprake van een vof

3.14.

De rechtbank is van oordeel dat de samenwerking tussen [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] van 1 maart 2018 tot en met oktober 2018 onder de naam [naam 1] moet worden gekwalificeerd als een vof. De rechtbank volgt [eiser (voornaam)] in wat hij primair heeft gesteld over de kwalificatie van de samenwerking. Daarom gaat de rechtbank niet in op de subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen voor de vorderingen.

De verdeling

3.15.

De conclusie dat sprake is van een vof heeft voor de verdeling tot gevolg dat het aandeel van [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] in de winst en het verlies evenredig is aan ieders inbreng in de vennootschap, tenzij anders overeengekomen. De rechtbank gaat hierna in op de stellingen van [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] over de inhoud van de afspraken over de verdeling van de winst.

Hebben [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] een afwijkende afspraak over de verdeling gemaakt?

3.16.

Volgens [gedaagde (voornaam)] hebben partijen eind 2017 afwijkende afspraken gemaakt over de verdeling van de winst. Partijen zouden hebben afgesproken dat het uit de samenwerking te behalen resultaat merendeels toekomt aan [gedaagde (voornaam)] . [eiser (voornaam)] hoefde uit de samenwerking alleen maandelijks ‘loon’ te ontvangen, gelijk aan het bedrag dat hij zichzelf in de periode daarvoor ook al maandelijks uitkeerde. Volgens [gedaagde (voornaam)] was de achtergrond van deze wens van [eiser (voornaam)] gelegen in het feit dat hij nog alimentatieplichtig was richting zijn ex-vrouw. Hij wilde haar niet meer hoeven te betalen dan hij al deed. [gedaagde (voornaam)] heeft schriftelijke verklaringen overgelegd van getuigen die verklaren dat [eiser (voornaam)] aan hen heeft verteld dat hij geen hogere beloning wilde ontvangen in verband met zijn partneralimentatieverplichtingen. [gedaagde (voornaam)] heeft ook een opname van een gesprek tussen hem en [eiser (voornaam)] overgelegd, waarin volgens hem zijn stelling wordt bekrachtigd.

3.17.

Volgens [eiser (voornaam)] was de afspraak dat hij maandelijks een bedrag zou ontvangen dat gelijk was aan wat hij zichzelf eerder ook uitkeerde. [eiser (voornaam)] zou ook meedelen in het resultaat, maar op een later moment. [eiser (voornaam)] wilde het resultaat nog in de onderneming laten tot het moment waarop zijn alimentatieverplichting zou ophouden in november 2019.

3.18.

De rechtbank oordeelt dat [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] geen afwijkende afspraak hebben gemaakt over de verdeling van de winst. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.

3.19.

Partijen hebben hun afspraken niet op schrift vastgelegd. [eiser (voornaam)] heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd dat hij ervan uitging dat zijn geld was veiliggesteld in de onderneming, zolang hij nog alimentatieplichtig was. [eiser (voornaam)] vreesde dat zijn ex-vrouw aanspraak zou maken op een langere dan wel hogere alimentatie als hij meer inkomen uit de onderneming zou genereren dan een loon, en die vrees was gebaseerd op een bepaling in het echtscheidingsconvenant. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de indruk gekregen dat [eiser (voornaam)] hierover de waarheid sprak.

3.20.

[gedaagde (voornaam)] heeft onder meer een opname van een gesprek tussen hem en [eiser (voornaam)] op 2 juli 2020 in het geding gebracht. De rechtbank kan [gedaagde (voornaam)] niet volgen in zijn stelling dat de inhoud van de geluidsopname de door hem gestelde afspraken tussen partijen onderbouwt. In dat gesprek zegt [gedaagde (voornaam)] : ‘Wij hadden een afspraak.’ In reactie daarop heeft [eiser (voornaam)] tegen [gedaagde (voornaam)] gezegd: ‘De afspraak was alleen dat ik dat jaar niet te veel geld wilde verdienen voor je moeder [onverstaanbaar]. En dan mag jij zeker alles hebben? Ik ga 80 uur in de week werken voor jou, en ik mag net € 1.500 verdienen? Daar ga ik 80 uur voor in de week voor werken.’ De toon waarop [eiser (voornaam)] dit heeft gezegd is die van iemand die niet letterlijk zegt: Je denkt toch niet dat ik gek ben? [gedaagde (voornaam)] is hierop in dat gesprek vervolgens niet ingegaan. De rechtbank leidt uit dit gesprek af dat er geen afspraak was die inhield dat [gedaagde (voornaam)] zich het grootste deel van de winst mocht toe-eigenen, maar dat wel is afgesproken dat de winst tijdelijk ‘verborgen’ moest worden voor de ex-vrouw van [eiser (voornaam)] (en de moeder van [gedaagde (voornaam)] ). De inhoud van het gesprek sluit dus aan bij de stelling van [eiser (voornaam)] over de inhoud en de achtergrond van de afspraken.

3.21.

Daarnaast strookt de wijze waarop [gedaagde (voornaam)] de administratie heeft gevoerd niet met de door hem beweerde afspraken. [gedaagde (voornaam)] heeft namelijk (een deel van) de omzet niet in [naam 1] geboekt, maar in zijn eigen eenmanszaak. De kosten van de betreffende omzet heeft hij wel opgevoerd in de administratie van [naam 1] . Dat komt de rechtbank niet logisch voor: als [gedaagde (voornaam)] aanspraak zou maken op de gehele winst en [eiser (voornaam)] slechts een maandelijkse vergoeding zou uitbetalen, lag het voor de hand dat [gedaagde (voornaam)] beide posten in één administratie zou boeken. Deze handelswijze van [gedaagde (voornaam)] is niet uit te leggen. Ook niet door hemzelf. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling namelijk verklaard dat hij geen idee had van de reden voor deze wijze van administratie voeren.

3.22.

De rechtbank acht het in het licht van de onderbouwing van [eiser (voornaam)] , de inhoud van de opname van het gesprek op 2 juli 2020 tussen [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] en de wijze waarop [gedaagde (voornaam)] de administratie heeft ingevuld, niet geloofwaardig dat [eiser (voornaam)] volgens de afspraken slechts aanspraak zou kunnen maken op een maandelijks salaris, zo groot als de vergoeding die hij zichzelf eerder uitkeerde en niet zou meedelen in de resterende winst van de onderneming.

Tussenconclusie: partijen hebben geen afwijkende afspraak gemaakt

3.23.

Gelet op het voorgaande is het aandeel van [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] in de winst en het verlies 50/50. Met dit uitgangspunt wordt vervolgens nagegaan of [eiser (voornaam)] nog een vordering heeft op [gedaagde (voornaam)] en zo ja, hoe hoog die is.

Wat is de vordering van [eiser (voornaam)] ?

3.24.

[eiser (voornaam)] vordert primair een bedrag van € 38.466,92. Volgens [eiser (voornaam)] moet zijn vordering als volgt worden berekend: zijn kapitaal in zijn eenmanszaak op 1 januari 2018

(€ 21.344) plus zijn winstaandeel min zijn privé-onttrekkingen (€ 21.518) min € 8.704 (het bedrag dat [gedaagde (voornaam)] hem op 5 juli 2019 heeft betaald).

3.25.

Het door [eiser (voornaam)] gehanteerde vertrekpunt is onjuist. Het is namelijk niet zo dat [eiser (voornaam)] en [gedaagde (voornaam)] aan het begin van hun samenwerking de activa en passiva van hun eenmanszaken hebben samengevoegd tot een gemeenschappelijk vermogen. Ieder heeft zijn eigen activa en passiva gehouden. Daarom was het vof-vermogen aan het begin van de samenwerking nihil en bestond het aan het einde daarvan alleen uit het financiële resultaat van de door beiden ingebrachte arbeid: de omzet uit de gezamenlijke projecten min de kosten (zie ook hiervoor).

3.26.

Het resultaat over 2018 was € 120.823. [eiser (voornaam)] heeft hierop een correctie (10/12) toegepast, omdat hij per 1 november 2018 is gestopt. Dat leidt volgens [eiser (voornaam)] tot een winstaandeel van € 50.342,92 (€ 120.823 x 0,5 x 10/12). De rechtbank zal dat ook hanteren als het winstaandeel van [eiser (voornaam)] .

3.27.

[gedaagde (voornaam)] heeft namens [eiser (voornaam)] schulden afgelost die [eiser (voornaam)] aan [gedaagde (voornaam)] had. [gedaagde (voornaam)] kon dat doen omdat [eiser (voornaam)] hem zijn bankpas en reader had gegeven om voor hem betalingen te doen. Het gaat om de volgende posten, waarvan de verschuldigdheid door [eiser (voornaam)] is erkend:

  1. een lening van [gedaagde (voornaam)] aan [eiser (voornaam)] van € 20.621 uit 2016

  2. € 3.274 dat de echtgenote van [gedaagde (voornaam)] voor [eiser (voornaam)] heeft betaald (een aanslag omzetbelasting)

  3. € 3.484 dat [gedaagde (voornaam)] voor [eiser (voornaam)] heeft betaald (de aanslag inkomstenbelasting 2017)

3.28.

In totaal is dit € 27.019. Volgens [gedaagde (voornaam)] is dit bedrag volledig afkomstig uit de opbrengsten van de samenwerking. Voor de rechtbank staat dit echter niet vast. [eiser (voornaam)] stelt namelijk dat [gedaagde (voornaam)] het door [eiser (voornaam)] voor 1 januari 2018 opgebouwde vermogen zonder overleg met [eiser (voornaam)] heeft gebruikt voor eigen doeleinden. Als de rechtbank [eiser (voornaam)] goed begrijpt gaat het hierbij per saldo om € 22.940 en heeft [gedaagde (voornaam)] zich dit bedrag onrechtmatig toegeëigend. [gedaagde (voornaam)] moet in een akte nader - gedetailleerd - toelichten dat het bedrag van

€ 27.019 inderdaad afkomstig is uit de opbrengsten van de samenwerking, en dat het niet gaat om geld (vermogen) dat [eiser (voornaam)] op 1 januari 2018 al had. [gedaagde (voornaam)] zal dat zoveel mogelijk met stukken, zoals bijvoorbeeld bankafschriften, moeten onderbouwen. [eiser (voornaam)] zal daarop in een antwoordakte moeten reageren.

3.29.

Als het bedrag van € 27.019 volledig afkomstig is uit de opbrengsten van de samenwerking, heeft [eiser (voornaam)] zeer waarschijnlijk niets meer van [gedaagde (voornaam)] te vorderen. Voorlopig gaat de rechtbank dan namelijk uit van de volgende berekening:

Winstaandeel [eiser (voornaam)] € 50.342,91

  1. f: privé-onttrekkingen [eiser (voornaam)] € 21.518 -

  2. af: door [gedaagde (voornaam)] betaald op 5 juli 2019 € 8.704 -

  3. af: aflossing schuld [eiser (voornaam)] aan [gedaagde (voornaam)] € 20.621 -

  4. af: terugbetaalde omzetbelasting € 3.274 -

  5. af: terugbetaalde inkomstenbelasting € 3.484 -

Vordering [eiser (voornaam)] (scenario 1) - € 7.258,09

3.30.

Als het bedrag van € 27.019 níet afkomstig is uit de opbrengsten van de samenwerking, maar uit het vermogen van [eiser (voornaam)] per 1 januari 2018, heeft [eiser (voornaam)] zeer waarschijnlijk nog wel een bedrag van [gedaagde (voornaam)] te vorderen. Voorlopig gaat de rechtbank dan namelijk uit van de volgende berekening:

Winstaandeel [eiser (voornaam)] € 50.342,91

  1. f: privé-onttrekkingen [eiser (voornaam)] € 21.518 -

  2. af: door [gedaagde (voornaam)] betaald op 5 juli 2019 € 8.704 -

Vordering [eiser (voornaam)] (scenario 2) € 20.120,91

3.31.

De uitkomst van de aktes kan zijn dat het voor de rechtbank duidelijk is of [eiser (voornaam)] nog een vordering heeft op [gedaagde (voornaam)] , of niet. De uitkomst van de aktes kan de rechtbank ook aanleiding geven om een deskundige te benoemen.

3.32.

Alle verder te nemen beslissingen zullen worden uitgesteld.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in voorwaardelijke reconventie

4.1.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 19 mei 2021 voor een akte van [gedaagde (voornaam)] over hetgeen onder 3.28 is overwogen, waarna [eiser (voornaam)] een antwoordakte moet indienen;

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op

21 april 2021.

Type: RvdH/4142

1 Hof ’s-Hertogenbosch 24 december 1996, NJ 1998/453.