Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1569

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
9038309 en 9062740
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking waarin de werknemer op zijn verzoek een billijke vergoeding wordt toegekend na een ontslag op staande voet. De vordering van de werknemer tot betaling van vakantietoeslag wordt afgewezen omdat een all-in loon is overeengekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 9038309 UE VERZ 21-47 MvdH/40201

gezamenlijk behandeld met 9062740 UE 21-54

Beschikking van 21 april 2021 (bij vervroeging)

inzake

[partij I] ,

wonende in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [partij I] ,

verzoekende partij in zaak 9038309,

verwerende partij in zaak 9062740,

gemachtigde: mr. D.H.J. Hooreman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[partij II] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen [partij II] ,

verwerende partij in zaak 9038309,

verzoekende partij in zaak 9062740,

gemachtigde: mr. N. Duine.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Hoe deze procedure is verlopen, blijkt uit:

- het verzoekschrift (tot toekenning van een billijke vergoeding) in zaak 9038309 met 30 producties van [partij I] , ter griffie ingekomen op 17 februari 2021;

- het verzoekschrift (betaling gefixeerde schadevergoeding) in zaak 9062740 met 3 producties van [partij II] , ter griffie ingekomen op 26 februari 2021;

- het verweerschrift in zaak 9038309 met 23 producties van [partij II] ;

- het verweerschrift in zaak 9062740 met 1 productie van [partij I] .

1.2.

De zaak is op een zitting met de rechter besproken op 29 maart 2021. Daarbij waren aanwezig [partij I] , bijgestaan door mr. Hooreman en namens [partij II] de heer [A] (directeur), bijgestaan door mr. Duine. De gemachtigde van [partij I] heeft zijn standpunt naar voren gebracht aan de hand van een pleitnota. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Daarna is een datum voor uitspraak bepaald.

2 Waar gaat het om?

2.1.

[partij I] , geboren op [geboortedatum] 1965, is op 1 november 2018 in dienst gekomen van [partij II] met een arbeidsovereenkomst voor 3 maanden. Hij werkt als Executive Sales Director voor een brutomaandloon van € 6.500,00 op basis van een gemiddelde werkweek van 24 uur. De arbeidsovereenkomst van [partij I] is begin februari 2019 met 3 maanden verlengd en nadien overgegaan in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2.2.

Op 24 augustus 2020 is er een bespreking tussen [partij I] en de heer [A] , directeur, geweest waarin is gesproken over de door [partij II] gewenste beëindiging van het dienstverband vanwege tegenvallende resultaten. Direct na dit gesprek heeft [partij II] [partij I] vrijgesteld van werkzaamheden. In september 2020 hebben de wederzijdse gemachtigden overleg over het bereiken van een minnelijke regeling. Na het vastlopen van dit overleg gaan partijen eind september 2020 een mediationtraject in dat in drie ronden verloopt. Gedurende het mediationtraject heeft [partij II] op 8 oktober 2020 voor [partij I] een ontslagaanvraag bij het UWV wegens bedrijfseconomische redenen ingediend. Zij heeft [partij I] hier pas op 20 oktober 2020 (een dag voor aanvang van de derde ronde van het mediationtraject) van op de hoogte gesteld. Het mediationtraject leidt niet tot een minnelijke regeling tussen partijen en wordt eind oktober 2020 door de mediator beëindigd.

2.3.

Op 18 december 2020 heeft [partij I] [partij II] gesommeerd om aan hem de vakantiebijslag over de periode november 2018 tot en met mei 2019 en over de periode juni 2019 tot en met mei 2020 te voldoen. [partij II] heeft diezelfde dag per e-mail hierop gereageerd dat aan [partij I] geen vakantiebijslag is betaald omdat een loon inclusief vakantiebijslag is overeengekomen. In dit verband wijst [partij II] op een bijgevoegde nietondertekende arbeidsovereenkomst waarin in het artikel over het salaris staat opgenomen dat “(de) vakantietoeslag is inbegrepen”. In reactie hierop heeft [partij I] bericht dat hij niet bekend is met een ondertekende arbeidsovereenkomst en dat [partij II] in eerdere correspondentie richting hem en het UWV heeft vermeld dat een brutomaandsalaris van € 6.500,00 exclusief 8% vakantiebijslag was afgesproken.

2.4.

Op 21 december 2020 heeft [partij II] per e-mail een afschrift van een door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst aan [partij I] gezonden met daarin dezelfde bepaling over het salaris en een aantal handgeschreven opmerkingen bij het artikel over de duur van de arbeidsovereenkomst en het artikel over pensioen. In die e-mail kondigt [partij II] aan dat zij een ontslag op staande voet overweegt omdat [partij I] heeft gelogen dat er geen ondertekende arbeidsovereenkomst bestond en dat hij [partij II] hierdoor onder valse voorwendselen onder druk heeft gezet om betaling van geldbedragen af te dwingen waar hij geen recht op had. [partij I] wordt in dit kader uitgenodigd voor een gesprek voor de volgende dag (22 december 2020) op het kantoor van [partij II] om zijn kant van het verhaal toe te lichten. Het gesprek is op verzoek van [partij I] uitgesteld naar 28 december 2020.

2.5.

In het gesprek op 28 december 2020 over de ondertekende arbeidsovereenkomst heeft [partij I] herhaald dat hij zich niet kan herinneren dat hij een arbeidsovereenkomst heeft ondertekend en dat niet is afgesproken dat in het brutomaansalaris de vakantiebijslag is inbegrepen. [partij II] heeft [partij I] hierop direct na het gesprek op staande voet ontslagen en hem een brief meegegeven waarin het ontslag wordt bevestigd. In die brief staat als reden voor het ontslag genoemd dat [partij I] bewust heeft gelogen dat er geen sprake is van een ondertekende arbeidsovereenkomst en dat hij ook na confrontatie met de ondertekende arbeidsovereenkomst aan deze leugen is blijven vasthouden om op die manier ten onrechte betaling van vakantiebijslag door [partij II] af te dwingen.

2.6.

Bij beslissing van 19 januari 2021 heeft het UWV de ontslagaanvraag van [partij II] afgewezen.

2.7.

[partij I] legt zich neer bij het ontslag op staande voet, maar verzoekt de kantonrechter (in zaak 9038309) om voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet onrechtmatig respectievelijk ongerechtvaardigd was en derhalve vernietigbaar is. Ook verzoekt hij om toekenning van een vergoeding van € 7.020,00 bruto (het loon over januari 2021 à € 6.500,00, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag à € 520,00) vanwege de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Verder vraagt hij om toekenning van een billijke vergoeding van 8 maandsalarissen, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag, in totaal € 56.160,00 bruto, omdat [partij II] er in de gegeven omstandigheden niet in geslaagd zou zijn om een ontbinding van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter voor elkaar te krijgen. [partij I] maakt verder aanspraak op een transitievergoeding van € 5.265,00 bruto. Daarnaast verzoekt hij de kantonrechter om toekenning van een vergoeding van € 13.469,68 wegens onbetaald gelaten vakantiebijslag over de periode 1 november 2018 tot en met 28 december 2020, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente, met veroordeling van [partij II] om hier een deugdelijke specificatie van te verstrekken op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 10.000,00. Ten slotte vraagt [partij I] de kantonrechter om te bepalen dat deze geldbedragen binnen twee dagen na de betekening van de beschikking dienen te zijn voldaan en om [partij II] te veroordelen in de proceskosten.

2.8.

[partij II] vindt dat zij niets aan [partij I] hoeft te betalen en verzoekt de kantonrechter op haar beurt (in zaak 9062740) om toekenning van de gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van € 6.500,00 bruto, nog te vermeerderen met het loon over 3 dagen, omdat [partij I] aan haar een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst op 28 december 2020 met onmiddellijke ingang te beëindigen

Mocht [partij I] op staande voet worden ontslagen? Nee.

2.9.

Alleen als er een dringende reden bestaat voor ontslag, mag een werkgever een werknemer ontslaan zonder schriftelijke instemming van die werknemer (zie artikel 7:677 lid 1 BW en artikel 7:678 BW). Bij zo’n ontslag om een dringende reden moet die reden dan wel ‘onverwijld’ (wat hier zoiets wil zeggen als ‘zo snel mogelijk’) aan de werknemer worden gemeld.

2.10.

De werkgever is de partij die moet bewijzen dat er een dringende reden bestaat voor het ontslag op staande voet. Als een dringende reden gelden daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden dat hij de werknemer nog in dienst houdt.

2.11.

In dit geval heeft [partij II] gesteld dat [partij I] bewust heeft gelogen over het niet bestaan van een ondertekende arbeidsovereenkomst om op die manier betaling van geldbedragen af te dwingen. [partij II] moet dit dus bewijzen. Dat is niet gelukt. De door [partij I] ondertekende arbeidsovereenkomst die door [partij II] is overgelegd is onvoldoende om de kantonrechter ervan te overtuigen dat [partij I] wist dat er een ondertekende arbeidsovereenkomst bestond en dat hij daar bewust over heeft gelogen. De kantonrechter acht dit ook niet aannemelijk. Als [partij I] zich er immers wel bewust van zou zijn geweest dat hij de arbeidsovereenkomst ondertekend had, dan had liegen hierover niet voor de hand gelegen omdat van arbeidsovereenkomsten vrijwel altijd meerdere exemplaren worden ondertekend. Een leugen over ondertekening heeft dan ook weinig zin omdat de werkgever deze leugen na raadpleging van zijn eigen administratie snel zal blootleggen. Het gaat de kantonrechter te ver om aan te nemen dat [partij I] er van aanvang af op speculeerde dat [partij II] haar eigen exemplaar van de ondertekende arbeidsovereenkomst kwijt zou zijn.

2.12.

De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat [partij I] niet meer wist dat hij een arbeidsovereenkomst had ondertekend en dat hem niet bijstond dat daarin een afspraak is gemaakt over een loon inclusief vakantiebijslag. Het niet hebben van een herinnering hieraan is in de gegeven omstandigheden niet heel verwonderlijk omdat uit de overgelegde stukken voldoende is gebleken dat het [partij II] zelf ook niet helder voor de geest stond dat een arbeidsovereenkomst was ondertekend en wat de inhoud daarvan was. Zij heeft in de communicatie tussen partijen onderling over een minnelijke regeling en in de communicatie met het UWV steeds gesproken over een maandloon van € 6.500,00 exclusief 8% vakantiebijslag. De kantonrechter acht het om die reden niet verwijtbaar dat ook [partij I] zich de gemaakte afspraken niet herinnerde en [partij II] heeft aangesproken op nabetaling van achterstallige vakantiebijslag. Het niet hebben van een herinnering is onvoldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen.

2.13.

Dat [partij I] ook na confrontatie met de ondertekende arbeidsovereenkomst is blijven volhouden dat hij niet bekend is met een ondertekende arbeidsovereenkomst en/of de daarin gemaakte afspraak dat in het overeengekomen loon de vakantiebijslag was inbegrepen, maakt niet dat een ontslag op staande voet in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd was. [partij I] was op 28 december 2020 namelijk al een aantal maanden vrijgesteld van werkzaamheden en de onderhandelingen over een minnelijke regeling tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst waren niet soepel verlopen waardoor er tussen partijen een stevig arbeidsconflict bestond. Dat [partij I] in het licht van deze toch al moeizame verhoudingen aanspraak is blijven maken op uitbetaling van achterstallige vakantiebijslag en is blijven vasthouden aan zijn stelling dat hij niet bekend was met een ondertekende arbeidsovereenkomst is niet zo ernstig dat een ontslag op staande voet gerechtvaardigd was. [partij II] had naar het oordeel van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden moeten volstaan met een minder ingrijpend middel door [partij I] eenvoudigweg te berichten dat zij niet over zou gaan tot uitbetaling van achterstallige vakantiebijslag. [partij II] heeft de kantonrechter er niet van overtuigd dat in de gegeven omstandigheden waarbij [partij I] al was vrijgesteld van werkzaamheden de uitkomst van een eventueel door haar te starten ontbindingsprocedure niet kon worden afgewacht.

2.14.

De conclusie moet zijn dat er geen sprake is van een dringende reden zoals bedoeld in artikel 7:678 BW. [partij II] was dus niet bevoegd om de arbeidsovereenkomst met [partij I] onverwijld op te zeggen. De kantonrechter zal de door [partij I] verzochte verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet vernietigbaar is dan ook toewijzen.

Is het overeengekomen loon inclusief of exclusief 8% vakantiebijslag? Inclusief.

2.15.

Dat het ontslag op staande voet van [partij I] niet terecht is geweest heeft tot gevolg dat [partij II] aan [partij I] een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging, een transitievergoeding en een billijke vergoeding moet betalen. Voor de hoogte van deze vergoedingen en het verzoek van [partij I] om achterstallige vakantiebijslag te betalen, moet de kantonrechter beoordelen of bij het salaris van [partij I] van € 6.500,00 bruto nog 8% vakantiebijslag moet worden geteld. De kantonrechter is van oordeel dat partijen een allinloon zijn overeengekomen en dat het overeengekomen salaris van [partij I] van € 6.500,00 dus inclusief vakantiebijslag is.

2.16.

Op de zitting heeft [partij I] op vragen van de kantonrechter geantwoord dat hij niet stelt dat zijn handtekening onder de arbeidsovereenkomst vervalst of niet echt is en dat deze handtekening heel goed zijn handtekening zou kunnen zijn, maar dat hij zich nog steeds niet kan herinneren die gezet te hebben. [partij I] heeft verder verklaard dat de bij het artikel over de duur van de arbeidsovereenkomst en het artikel over pensioen geschreven opmerkingen van zijn hand zijn. De kantonrechter stelt vast dat [partij I] hiermee niet ontkent dat hij de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter ervan uit moet gaan dat er tussen partijen een schriftelijke arbeidsovereenkomst bestaat. De kantonrechter acht [partij I] ook gebonden aan de inhoud van de bepaling uit deze overeenkomst over de vakantiebijslag. [partij I] heeft namelijk niet gesteld dat hij het bij de ondertekening van de overeenkomst met meer bepalingen dan de bepalingen waarbij opmerkingen zijn geschreven oneens was. [partij I] stelt wel dat hij de zinsnede in het artikel over het salaris dat het loon inclusief vakantiebijslag was niet heeft opgemerkt. De kantonrechter acht dit niet geloofwaardig omdat deze zinsnede (ook in de eerdere concepten) pal onder het loonbedrag stond waar [partij I] naar aangenomen moet worden toch wel gekeken heeft. Dat [partij I] de inhoud van de overeenkomst aandachtig bestudeerd heeft volgt ook uit zijn handgeschreven opmerkingen bij andere artikelen uit de overeenkomst. Het is dan ook onaannemelijk dat [partij I] de zinsnede over de vakantiebijslag niet heeft gelezen en zelfs al zou [partij I] deze zinsnede inderdaad niet gelezen hebben dan komt dat in de gegeven omstandigheden voor zijn rekening en risico.

2.17.

Met het voorgaande staat vast dat partijen hebben afgesproken dat het overeengekomen loon inclusief 8% vakantiebijslag was. De vervolgvraag is of deze afspraak ook rechtsgeldig is. Daarvoor is volgens vaste rechtspraak van belang of de afspraak voor de werknemer voldoende duidelijk was. De kantonrechter is van oordeel dat aan dit vereiste is voldaan. [partij I] heeft namelijk gesteld dat hij de zinsnede over de vakantiebijslag niet heeft opgemerkt, maar niet dat hij niet wist wat die bepaling betekende. [partij I] heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van onduidelijkheid. Dat er sprake zou zijn geweest van onduidelijkheid ligt naar het oordeel van de kantonrechter in de gegeven omstandigheden ook niet voor de hand. [partij I] is iemand met 30 jaar ervaring in de sales met een aanzienlijk salaris. Gelet op die achtergrond moet hem duidelijk zijn geweest dat een salaris van € 6.500,00 bruto per maand inclusief vakantiebijslag neerkomt op een bedrag van € 6.018,52 aan brutoloon en een bedrag van € 481,48 aan bruto vakantiebijslag. Dat op de loonstroken van [partij I] ten onrechte (namelijk in strijd met art 7:626 BW) de vakantiebijslag niet apart wordt vermeld, maakt het oordeel van de kantonrechter niet anders.

2.18.

De vordering van [partij I] tot betaling van achterstallige vakantiebijslag wordt gelet op het voorgaande afgewezen. Voor de berekening van de door [partij I] gevorderde vergoedingen gaat de kantonrechter uit van een maandsalaris van € 6.500,00 inclusief vakantiebijslag.

Onregelmatige opzegging/gefixeerde schadevergoeding

2.19.

De vergoeding wegens onregelmatige opzegging is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. In de onderhavige situatie bedraagt de door [partij II] in acht te nemen wettelijke opzegtermijn één maand, waarbij ingevolge lid 1 van artikel 7:672 BW de opzegging geschiedt tegen het einde van de maand.

2.20.

De termijn die de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren dient in de onderhavige situatie als volgt te worden bepaald. Het ontslag op staande voet is op 28 december 2020 gegeven. Dit betekent dat [partij II] , als zij regelmatig zou hebben opgezegd, met inachtneming van de opzegtermijn van één maand, had moeten opzeggen tegen het einde van de eerste maand, te weten 31 januari 2021. Uit punt 185 van het verzoek van [partij I] volgt dat het loon over de maand december 2020 door [partij II] volledig is uitbetaald. De door [partij II] nog te betalen vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging is dan ook gelijk aan één maandsalaris ad € 6.500,00 inclusief vakantiebijslag en dit bedrag zal worden toegewezen.

2.21.

Het verzoek van [partij II] (in zaak 9062740) om aan haar de gefixeerde schadevergoeding toe te kennen, wordt afgewezen omdat vaststaat dat [partij I] aan [partij II] geen dringende reden heeft gegeven voor het eindigen van zijn arbeidsovereenkomst.

Transitievergoeding

2.22.

De hoogte van de transitievergoeding moet bij een onregelmatige opzegging worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig zou hebben opgezegd. De kantonrechter berekent de transitievergoeding (bij 31 januari 2021 als einddatum) op een bedrag van € 4.878,46 bruto.

Billijke vergoeding

2.23.

Uit HR 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187, New Hairstyle I) volgt dat het er bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De rechter dient de billijke vergoeding voorts te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval.

2.24.

Met de vernietigbaarheid van de opzegging staat de ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [partij II] vast. Gelet op hetgeen partijen over en weer met betrekking tot de billijke vergoeding hebben aangevoerd neemt de kantonrechter de volgende omstandigheden in aanmerking.

2.25.

De kantonrechter zal mede acht slaan op de financiële gevolgen die het ontslag voor [partij I] heeft, omdat deze aan [partij II] kunnen worden toegerekend, nu [partij I] anders niet per 28 december 2020 opeens zonder inkomsten zou hebben gezeten. Nu [partij I] relatief kort in dienst is geweest en de transitievergoeding om die reden nog geen maandsalaris bedraagt, acht de kantonrechter de gevolgen van het ontslag niet reeds volledig door de transitievergoeding gecompenseerd.

2.26.

Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat [partij II] [partij I] na de tegenvallende resultaten vrijwel direct op nonactief heeft gesteld zonder hem daadwerkelijk de gelegenheid te bieden om, eventueel aan de hand van een verbetertraject, de resultaten te verbeteren. Dat had wel op haar weg gelegen. Na deze op non-actiefstelling heeft [A] de verhouding tussen partijen doen verslechteren door het it-account van [partij I] zonder overleg af te (laten) sluiten en [partij I] in een emailbericht aan de beide gemachtigden uit te maken voor een “vuile klaploper”. Daarna zijn de onderlinge verhoudingen in het mediationtraject door [partij II] verder op scherp gezet doordat zij een UWV-procedure wegens bedrijfseconomische redenen had opgestart maar [partij I] daarover pas later, vlak voor het derde mediationgesprek, over te informeren. Hierna is het onterechte ontslag op staande voet gevolgd. Een en ander kan [partij II] ernstig worden verweten. Zij heeft zich naar het oordeel van de kantonrechter onnodig hardvochtig tegen [partij I] opgesteld waardoor partijen met elkaar verwikkeld zijn geraakt in deze procedures. Ook op de zitting heeft [partij II] aan deze opstelling vastgehouden door weinig bereidheid te tonen om [partij I] in de onderhandelingen tegemoet te komen. Gelet op deze opstelling en de verstoring in de verhouding tussen partijen als gevolg hiervan houdt de kantonrechter verder rekening met de gerede kans dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op niet al te lange termijn hoe dan ook zou zijn geëindigd. [partij I] heeft weliswaar aangevoerd dat een ontbindingsverzoek van [partij II] na de weigering van ontslagvergunning op zijn vroegst per 1 mei 2020 (de kantonrechter leest: 2021) zou kunnen zijn toegewezen en mogelijk zelfs zou zijn afgewezen (bij gebreke van een onvoldoende bedrijfseconomische onderbouwing, het ontbreken van een herplaatsingsonderzoek alsmede het ontbreken van een verbetertraject indien ook de d-grond zou zijn aangevoerd), maar [partij I] stelt tevens dat hij vóór het ontslag al te kennen had gegeven bereid te zijn tot overleg over een minnelijke beëindiging wegens bedrijfseconomische omstandigheden (verzoekschrift [partij I] p. 48 onderaan).

2.27.

Dat [partij I] er niet voor heeft gekozen de vernietigbaarheid van het ontslag in te roepen is gelet op de omstandigheden begrijpelijk. [partij II] heeft hier ook geen punt van gemaakt. Er zijn echter wel diverse omstandigheden aan zijn kant die een dempende werking hebben op de hoogte van de billijke vergoeding. Hij heeft er namelijk voor gekozen om [partij II] direct in stevige bewoordingen te sommeren de achterstallige vakantiebijslag te betalen, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging en onder de aankondiging van het in rekening brengen van buitengerechtelijke kosten en het treffen van rechtsmaatregelen, in plaats van eerst opheldering te vragen. Dit had wel voor de hand gelegen omdat in beide conceptarbeidsovereenkomsten die hem waren voorgelegd, was opgenomen dat de vakantiebijslag in het salaris was inbegrepen. Bovendien is inmiddels komen vast te staan dat [partij I] géén recht had op aparte betaling van vakantiebijslag. Ook om die reden was de sommatie dus niet terecht. [partij I] heeft door zijn opstelling zelf een aandeel gehad in de verdere escalatie van de verhoudingen met [partij II] . Verder is hij sinds 24 augustus 2020 vrijgesteld van werkzaamheden en heeft hij zich kunnen oriënteren op zijn positie op de arbeidsmarkt en is het aannemelijk dat hij met zijn kennis en ervaring op een korte termijn een nieuwe baan moeten kunnen vinden of zelfs al gevonden zou hebben. Dat hij er in afwachting van de uitkomst van deze procedure zelf voor heeft gekozen om niet te solliciteren is iets wat hem en niet [partij II] kan worden aangerekend. Inmiddels stond immers ook voor hem vast dat hij niet bij [partij II] zou terugkeren. Ook de omstandigheid dat hij na het ontslag geen recht had op een WWuitkering komt daarmee mede voor zijn risico. [partij I] heeft er verder nog op gewezen dat de hele situatie de relatie tussen hem en zijn echtgenote en kinderen onder spanning heeft gezet, maar voor zover hij hiermee bedoeld heeft dat hij tevens aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Hij stelt immers zelf ook dat de situatie geen grote gevolgen heeft gehad voor zijn relatie. Het geheel overziend vindt de kantonrechter een vergoeding van 3 maanden salaris, dus van € 19.500,00 bruto, passend. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf veertien dagen na deze beschikking tot aan de dag van algehele voldoening.

Termijn van voldoening vergoedingen

2.28.

De kantonrechter zal [partij II] veroordelen om de vergoedingen binnen veertien dagen na de beschikking aan [partij I] te betalen.

Proceskostenveroordeling

2.29.

[partij II] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten in beide procedures worden aan de zijde van [partij I] tot op heden in totaal begroot op € 996,00 aan salaris gemachtigde.

Uitvoerbaarbijvoorraadverklaring

2.30.

De gevorderde uitvoerbaarbijvoorraadverklaring, waartegen geen verweer is gevoerd, zal eveneens worden toegewezen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

in het verzoek van [partij I] (zaak 9038309)

3.1.

verklaart voor recht dat de onmiddellijke opzegging van de arbeidsovereenkomst door [partij II] op 28 december 2020 vernietigbaar is;

3.2.

veroordeelt [partij II] om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [partij I] te betalen een bedrag van € 6.500,00 bruto vanwege de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst;

3.3.

veroordeelt [partij II] om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [partij I] te betalen een bedrag van € 4.878,46 bruto ter zake van de transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW;

3.4.

veroordeelt [partij II] om binnen veertien dagen na deze beschikking aan [partij I] te betalen een bedrag van € 19.500,00 bruto ter zake van de billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:681 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, berekend vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot de dag van volledige betaling;

3.5.

veroordeelt [partij II] om binnen veertien dagen na deze beschikking de proceskosten aan de zijde van [partij I] te betalen tot op heden begroot op € 996,00;

3.6.

verklaart het onder 3.2 tot en met 3.5 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst af het meer of anders verzochte;

in het verzoek van [partij II] (zaak 9062740)

3.8.

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Krepel en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021 en uitgesproken door mr. J.F. Haeck.