Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1452

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
16/255093-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor heling (kentekenplaat, bladblazer en bron/snorfiets) en diefstal (in vereniging) van bladblazers en een heggenschaar. De rechtbank spreekt verdachte vrij van feit 7. Enkel tijdens de pleegperiode van dit feit was verdachte minderjarig. Vanwege deze vrijspraak veroordeelt de rechtbank verdachte volgens het volwassenstrafrecht. De rechtbank ziet geen indicaties voor het opleggen van ambulante behandeling in de vorm van een bijzondere voorwaarde. Wel acht de rechtbank ondersteuning van de reclassering bij het omgaan met de schulden, het vinden van een zinvolle en stabiele dagbesteding en een meldplicht bij de reclassering van belang om verdachte op (de goede) weg te helpen.

De rechtbank constateert verder dat er sprake is over een overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/255093-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 13 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1999] te [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N. Schapendonk en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. Schimmel, advocaat te Bussum, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1

op 25 mei 2018 te Naarden een kentekenplaat ( [kenteken] ) heeft geheeld;

Feit 2

op 25 mei 2018 te Naarden een snor-/bromfiets heeft geheeld;

Feit 3

op 18 juni 2018 te Naarden een bladblazer heeft gestolen;

Feit 4

op 25 juni 2018 te Bussum, samen met een ander, een heggenschaar en/of bladblazer heeft gestolen;

Subsidiair

op 25 juni 2018 te Naarden en/of Bussum, samen met een ander, een heggenschaar en/of bladblazer heeft geheeld;

Feit 5

in de periode 9 april 2018 tot en met 25 mei 2018 te Naarden en/of Bussum een kentekenplaat ( [kenteken] ) heeft geheeld;

Feit 6

op 3 juli 2018 te Naarden een snor-/bromfiets (Piaggio C38) heeft geheeld;

Feit 7

op 16 december 2017 te Zaandam een kentekenplaat ( [kenteken] ) heeft gestolen;

Feit 8

op 22 september 2018 te Naarden, samen met een ander, door middel van braak, een buitenboordmotor en/of brandstoftank heeft gestolen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht ten aanzien van de tenlastegelegde feiten onder 1, 2, 5 en 6 schuldheling te bewijzen. Ook acht zij de feiten onder 3, 4 primair en 7 te bewijzen . De officier van justitie verzoekt verdachte van het onder feit 8 tenlastegelegde vrij te spreken, nu op basis van de camerabeelden niet tot een herkenning van verdachte kan worden gekomen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde feiten 1 (opzetheling), 2, 4, 5 (opzetheling), 6, 7, 8. Met betrekking tot het tenlastegelegde onder de feiten 1 (schuldheling), 3 en 5 (schuldheling), refereert de verdediging zich ten aanzien van een bewezenverklaring.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat uit de stukken niet blijkt dat de gehele snorfiets van diefstal afkomstig is, maar alleen het motorblok. De snorfiets is geen bestanddeel van het motorblok, en aan verdachte is niet ten laste gelegd dat hij het motorblok heeft geheeld. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging aangevoerd dat uit de aangifte niet blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal. Voorts blijkt uit de Whatsappberichten niet dat verdachte de spullen gestolen, dan wel voorhanden heeft gehad of heeft verworven.

Ten aanzien van feit 1 en feit 5 heeft de verdediging aangevoerd dat niet uit de stukken blijkt dat verdachte wist dat het kenteken gestolen was. De raadsman verzoekt de rechtbank verdachte daarom vrij te spreken van opzetheling en refereert zich met betrekking tot schuldheling aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 6 heeft de verdediging aangevoerd dat niet is gebleken dat verdachte wist dat het scooter(frame) gestolen was. Ook kan niet worden gesteld dat hij dit redelijkerwijs kon vermoeden. Verdachte heeft immers een verklaring gegeven over de omstandigheden waaronder het frame is aangeschaft en daaruit komen geen indicaties naar voren dat hij had moeten vermoeden dat het om een gestolen scooter(frame) ging.

Ten aanzien van feit 7 heeft de verdediging aangevoerd dat de door verdachte bij de politie afgelegde ‘bekentenis’ te vaag is om tot een bewezenverklaring te komen. Dat verdachte heeft gezegd dat hij de kentekenplaat heeft weggehaald, kan van alles betekenen. Er is niet doorgevraagd en er zijn verder geen indicaties dat verdachte op die datum in Zaandam de kentekenplaat zou hebben gestolen.

Ten aanzien van feit 8 heeft de verdediging aangevoerd dat er op basis van de camerabeelden geen herkenning mogelijk is van verdachte, nu de beelden van onvoldoende kwaliteit zijn om een herkenning op te baseren. Bovendien is de herkenning van de BOA, de heer [BOA] , niet gebaseerd op onderscheidende kenmerken en heeft verbalisant [verbalisant 1] het in zijn herkenning over breed uitstaande oren, terwijl op de beelden in het geheel geen oren te zien zijn. Met betrekking tot de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2020:5242).

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feiten 2, 7 en 8

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder de feiten 2, 7 en 8 ten laste is gelegd.

Feit 2

Uit het dossier volgt dat het motorblok ( [nummer ] ) van diefstal afkomstig is en dat de identiteit van de scooter zelf niet te achterhalen is. Er kan dus niet worden vastgesteld of ook de brom-/snorfiets zelf van diefstal afkomstig is. Het motorblok is weliswaar een onderdeel van de brom-/snorfiets maar kan voor een bewezenverklaring niet worden gelijkgesteld met de brom-/snorfiets. Nu niet kan worden vastgesteld dan de brom-/snorfiets waarop verdachte reed van diefstal afkomstig is, spreekt de rechtbank verdachte vrij van de tenlastegelegde opzet- dan wel schuldheling.

Feit 7

Verdachte lijkt dit feit bij de politie te bekennen, maar heeft de bekentenis ter zitting ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte bij de politie onvoldoende concreet en specifiek is om op basis daarvan vast te stellen dat het daadwerkelijk over de gestolen kentekenplaat uit Zaandam gaat. Verder bewijs waaruit blijkt dat verdachte op 16 december 2017 in Zaandam is geweest en de kentekenplaat heeft gestolen, ontbreekt. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de tenlastegelegde diefstal.

Feit 8

De rechtbank is van oordeel dat de camerabeelden, zoals deze zich in het dossier bevinden en zoals ter terechtzitting getoond, van onvoldoende kwaliteit zijn om tot een betrouwbare herkenning van verdachte te kunnen komen. De camerabeelden zijn onvoldoende helder en scherp en de personen op de beelden bevinden zich op een aanzienlijke afstand van de camera, waardoor er onvoldoende specifieke kenmerken van deze personen zijn te onderscheiden. Nu de herkenningen die op basis van deze beelden zijn gerelateerd niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt en ander bewijs voor de aanwezigheid en wegnemingshandelingen van verdachte bij het botenhuis van Natuurmonumenten te Naarden op 22 september 2018 ontbreekt, spreekt de rechtbank verdachte vrij van de diefstal met braak in vereniging.

Bewijsmiddelen 1

Feit 1

Uit een afschrift van aangifte van [aangever 1] blijkt onder meer het volgende:

Mijn kentekenplaat ( [kenteken] ) is van mijn scooter gestolen toen deze geparkeerd stond.

Tijdstip achtergelaten 13-05-2018 11:00

Tijdstip geconstateerd 13-05-2018 12:002

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] staat onder meer het volgende:

Op vrijdag 25 mei 2018 […] reed ik, verbalisant [verbalisant 2] , op een

opvallende dienstmotor. […]. Ik stond stil op de Rijksweg, kruising met de Lambertus Hortensiuslaan te Naarden. Ik zag vanaf de Lambertus Hortensiuslaan een voertuig rijden en stoppen bij de verkeerslichten. Ik zag dat het een snorfiets dan wel een bromfiets moest

zijn. […] Ik herkende de bestuurder gelijk als zijnde [verdachte] . […] Ik heb [verdachte] vervolgens aangeroepen met luid en duidelijke stem dat hij moest stoppen. […] Ik zag vervolgens dat [verdachte] de parallelweg van de Rijksweg op reed in de richting van de Graaf Lodewijklaan te Naarden. Ik zag vervolgens dat [verdachte] de Graaf Lodewijklaan op reed. Ik reed op ongeveer 15 meter afstand van [verdachte] . Toen ik de Graaf Lodewijklaan op reed zag ik het voertuig liggen. Ik zag dat het een snorfiets betrof voorzien van kenteken [kenteken] . Ik zag [verdachte] weg rennen.

Verdachte heeft onder meer het volgende verklaard:

V: Die scooter waar wij het over gehad hebben heeft een ander kenteken dan dit kenteken.

A: Dat kan misschien wel ja.

V: Wissel je dan van kentekenplaten?

A: Ja, ik heb 2 plaatjes.3

Feit 3

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 19 juni 2018, genummerd PL0900-2018175103-1, opgemaakt door politie Midden-Nederland, houdende een aangifte diefstal van een bladblazer van het merk Stihl door [aangever 2] ;4

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte van 5 juli 2018, genummerd PL0900-2018175103-20, opgemaakt door politie Midden-Nederland, houdende de bekennende verklaring van verdachte.5

Feit 4

Aangever [aangever 3] heeft onder meer het volgende verklaard:

Op maandag 25 juni 2018 was ik aan het werk op de [straat] perceel [nummer ] te [woonplaats] . Ik was hier werkzaam in de tuin. Ik had geen zicht op mijn werkbus. Mijn bus […] stond op de openbare weg geparkeerd. […] Omstreeks 14.35 uur liep ik vanaf het perceel de openbare weg op, naar mijn bus. Toen ik op de openbare weg stond, hoorde ik geritsel bij mijn bus. […] Ik zag dat een groene BMW sedan voor mijn bus geparkeerd stond. Ik zag aan de rechterkant van mijn bus een persoon weg rennen, deze stapte in bij de BMW en deze reed vervolgens weg in de richting van de Gudelalaan. In de BMW zat nog één ander persoon. […] Ik ben vervolgens bij mijn bus gaan kijken en zag dat er twee machines misten uit mijn bus. Ik had mijn bus blijkbaar niet op slot gedaan en er waren er dus twee uit gehaald. De apparaten betreffen een benzine bladblazer en een benzine heggenschaar merk: Stihl. Ze waren oranje en wit van kleur.6

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] blijkt onder meer het volgende:

Op woensdag 27 juni 2018 heb ik, verbalisant, telefonisch contact gehad met aangever [aangever 3] . […] [aangever 3] verklaarde dat […] hij even ervoor nog bij zijn bus was geweest en toen lag het gereedschap nog in zijn auto.7

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] staat onder meer het volgende:

Op woensdag 4 juli 2018 startte ik, verbalisant, een onderzoek naar de inbeslaggenomen telefoon van verdachte [verdachte] .8

25 juni 2018, vanaf 17.07 uur

[verdachte] : nou heb ik poen jonge

[verbalisant 5] verbalisant: [verdachte] stuurt een foto naar “ [A] ” van een oranje/witte bladblazer en een oranje/witte heggenschaar, beide van het merk Stihl.

[verdachte] : 250 voor die 2 niet slecht

[verdachte] : 125 de mwn

[A] : Met wie had je die dan

[verdachte] : [B]

[A] : Ohh

[verdachte] : met de auto

[verdachte] : uit zon b

[A] : Haha

[verdachte] : kwamen nog mensen schter ons aan9

27 juni 2018

[verbalisant 5] verbalisant: [verdachte] stuur een afbeelding naar ' [B] '. De afbeelding betreft een screenshot van Facebook van Politie Gooise Meren. In dat bericht staat een getuigenoproep in verband met een diefstal van gereedschap uit een hoveniersbus die plaatsvond op maandag 25 juni 2018 tussen 14:35 uur en 14.38 uur.

[verdachte] : we zijn online

[verdachte] : ze hebben niet meer

[verdachte] : alleen sit berixht10

Feit 5

Aangever [aangever 4] heeft onder meer het volgende verklaard:

Mijn kentekenplaat van mijn scooter is gestolen. 's Morgens 21-10-2017 om 08.00 scooter geparkeerd bij Station Naarden-Bussum. Bij terugkomst is mijn kentekenplaat verwijderd.

Kentekenplaat [kenteken]11

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [aangever 5] blijkt onder meer het volgende:

Ik zag dat ik op 9 april 2018 te 16.38 uur een app van de Boa had gekregen. De tekst was als volgt:" Ik zag [verdachte] op een snelle scooter. Snorfiets Kenteken [kenteken] .12

Getuige [getuige] heeft onder meer het volgende verklaard:

Op maandag 9 april 2018 […] kwam ik bij de brug gelegen tussen de Barlaeuslaan te Bussum en de Vincent van Goghlaan te Naarden. Ik zag dat op de brug een jongen met een bromfiets stond. Ik vond het vreemd dat deze jongen hier stil stond.13 […] Ik zag dat de bromfiets voorzien was van het kenteken [kenteken] .14

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] blijkt onder meer het volgende:

Op zaterdag 12 mei 2018 […] kregen wij van het operationele centrum te Naarden een melding betreffende een bedreiging. Hierbij zou de melder bedreigd zijn met de dood door een dader die op een voertuig zou zitten voorzien van kenteken [kenteken] . Dit betreft een snorfiets.15

Aangever [aangever 6] heeft onder meer het volgende verklaard:

Op zaterdag 12 mei 2018 omstreeks 14.15 uur verliet ik mijn woning. […] Ik kwam bij de grote kruising met de verkeerslichten aan. Dit betreft de kruising Koningin Wilhelminalaan met de Rijksweg te Naarden.16

Even verderop sneed de bestuurder van de scooter mij opnieuw af. Ik hoorde dat de bestuurder van de scooter hierbij zei: "Je moet je bek houden. Ik ga je dood slaan, ik ga dood maken.17

Het kenteken van de scooter betreft [kenteken] . 18

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 7] (met als bijlage een foto) blijkt onder meer het volgende:

Op 24 juni 2018 nam ik telefonisch contact op met de aangever [aangever 6] . Ik vertelde de aangever dat ik zijn foto had ontvangen. Ik hoorde de aangever het volgende verklaren: "Ik heb deze foto gemaakt toen ik in de Albert Heijn was in Naarden, dit was op zaterdag 19 mei omstreeks 19.57 uur. Ik weet zeker dat deze persoon de persoon is die mij bedreigd heeft.19

Uit het proces-verbaal herkenning door opsporingsambtenaar van verbalisant [aangever 5] blijkt onder meer het volgende:

[…] zag ik een aandachtvestiging van de politie Midden Nederland, basisteam Gooi Noord, waarin een afbeelding werd getoond van een persoon en de volgende informatie werd gegeven: Verdachte bedreiging.

De persoon op de afbeelding herken ik als: [verdachte]20

Verdachte heeft onder meer het volgende verklaard:

V: De aangever heeft verklaard dat de bestuurder op een snorfiets reed voorzien van het kenteken: [kenteken] . Wat weet je daarvan?

A: Ja, dat is die scooter waar wij het eerder over gehad hebben.

V: Die scooter waar wij het over gehad hebben is een ander kenteken dan dit kenteken.

A: Dat kan misschien wel ja.

V: Wissel je dan van kentekenplaten?

A: Ja, ik heb 2 plaatjes.

V: Dat kenteken [kenteken] is dat jouw kenteken?

A: Nee.21

Feit 6

Uit een afschrift van aangifte blijkt dat aangever [aangever 7] onder meer het volgende heeft verklaard:

Vrijdagavond is mijn scooter gestolen in de Reguliersdwarsstraat. Na het werk had ik geen zin meer met scooter naar huis te rijden en ik nam daarom een taxi naar huis.

Tijdstip achtergelaten 25-11-2016 13:00

Tijdstip geconstateerd 26-11-2016 13:00

Merk PIAGGIO

Type C3822

Framenummer: [framenummer]23

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] blijkt onder meer het volgende:

Op dinsdag 3 juli 2018 omstreeks 13:30 uur […] waren wij belast met het binnentreden ter inbeslagname in de woonwagen gevestigd op de [adres] te [woonplaats] .

PAD LINKERZIJDE LANGS WOONWAGEN

Wij, verbalisanten, hebben op het pad dat links langs de woonwagen loopt de volgende goederen aangetroffen:24

- Piaggio Vespa C38, brom/snorfietsframe (VIN: [framenummer] ); links achter op

het terrein naast de schuur. Na controle middels BVI-IB bleek dat deze bromfiets van diefstal afkomstig was (PL1300-2016275790).25

Bewijsoverwegingen

Feit 1

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen staat vast dat verdachte op 25 mei 2018 te Naarden op een scooter reed voorzien van kenteken [kenteken] . Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen dat die kentekenplaat eerder is gestolen. De vraag die moet worden beantwoord is of verdachte ten tijden van het voorhanden krijgen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de kentekenplaat van misdrijf afkomstig was. De rechtbank acht hierbij het volgende van belang. Het is een feit van algemene bekendheid dat een kentekenplaat aan een specifiek voertuig is verbonden en niet willekeurig op elk ander voertuig kan worden geplaatst. Verdachte heeft verklaard dat hij de kentekenplaat met kenteken [kenteken] heeft gevonden. Verdachte heeft deze verklaring niet geconcretiseerd en aannemelijk gemaakt. Hoe dan ook lag het op de weg van verdachte om bij het verkrijgen van een kentekenplaat die niet van hem is nader onderzoek te doen naar de herkomst van de kentekenplaat. Dat heeft hij echter nagelaten. In plaats daarvan heeft verdachte de kentekenplaat voor eigen gebruik op zijn scooter gemonteerd, terwijl hij dus wist dat de kentekenplaat niet toebehoorde aan zijn scooter en geen enkel onderzoek naar de herkomst ervan heeft gedaan. Dit brengt mee dat verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de kentekenplaat van diefstal afkomstig was en aldus is sprake van schuldheling. Nu niet vastgesteld kan worden dat verdachte daadwerkelijk wist dat de kentekenplaat was gestolen, zal hij van het deel van de tenlastelegging dat ziet op opzetheling van de kentekenplaat worden vrijgesproken.

Feit 4

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen staat vast dat op 25 juni 2018 te Naarden de bladblazer en heggenschaar, beiden van het merk Stihl en oranje en wit van kleur, uit de werkbus van aangever [aangever 3] zijn gestolen. Aangever ziet twee personen in een BMW wegrijden. Uit de telefoongegevens van verdachte blijkt dat hij diezelfde dag een foto aan ‘ [A] ’ stuurt van een oranje/witte bladblazer en een oranje/witte heggenschaar en daarbij vermeldt dat hij nu poen heeft, 250 voor die 2, 125 per man, met [B] . Ook stuurt hij in datzelfde gesprek “uit zon b” en “er kwamen nog mensen achter ons aan”. Twee dagen later stuurt verdachte naar ene [B] een screenshot van een getuigenoproep van de politie betreffende deze diefstal met daarbij de tekst ‘we zijn online’. De rechtbank acht op basis van deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van de bladblazer en heggenschaar. De verklaring van verdachte dat hij die dag een afspraak zou hebben gehad met zijn advocaat leidt niet tot een ander oordeel. Het is immers onduidelijk gebleven op welk tijdstip die afspraak zou hebben plaatsgevonden, en ook overige informatie over die afspraak ontbreekt.

Feit 5

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen staat vast dat verdachte op 9 april 2018 en op 12 mei 2018 te Naarden en Bussum is gezien op een scooter met kenteken [kenteken] . Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat die kentekenplaat eerder is gestolen. Wederom dient de vraag te worden beantwoord of verdachte ten tijden van het voorhanden krijgen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de kentekenplaat van misdrijf afkomstig was. Nu niet vastgesteld kan worden dat verdachte daadwerkelijk wist dat de kentekenplaat was gestolen, zal hij van het deel van de tenlastelegging dat ziet op opzetheling van de kentekenplaat worden vrijgesproken. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen onder feit 1 en het feit dat verdachte heeft verklaard dat de kentekenplaat met kenteken [kenteken] niet van hem is, had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat de kentekenplaat van diefstal afkomstig was. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.

Feit 6

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen staat vast dat naast de woonwagen van verdachte op 3 juli 2018 te Naarden een snor-/bromfiets (Piaggio C38) is aangetroffen. De scooter blijkt te zijn gestolen in november 2016. Over de wijze van verkrijgen van de scooter verklaart verdachte wisselend. Bij de politie verklaart hij niet meer te weten hoe hij aan de scooter komt, dat hij hem niet heeft gekocht, en ter zitting verklaart hij dat hij de scooter op de sloop heeft gekocht. De rechtbank acht de verklaringen van verdachte onaannemelijk. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk wist dat de scooter van diefstal afkomstig was, dus verdachte zal worden vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op opzetheling van de scooter. De rechtbank acht schuldheling wel bewezen. Verdachte was in het bezit van een gestolen scooter. Ten tijde van de diefstal verkeerde de scooter kennelijk nog in goede staat, nu aangever in de aangifte vermeldt dat hij met de scooter naar zijn werk was gegaan. Zo’n anderhalf jaar later wordt de scooter bij verdachte aangetroffen in zeer slechte staat, terwijl meerdere onderdelen ontbreken en op de scooter niet meer gereden kon worden. Verdachte verklaart de scooter al langere tijd - hij schat 3 jaren - in het bezit te hebben. Deze periode kan, gelet op de aangifte, niet langer zijn geweest dan de genoemde anderhalf jaar sinds de diefstal, maar uit deze verklaring van verdachte leidt de rechtbank wel af dat hij deze scooter kennelijk niet lang na de diefstal heeft verkregen. Over de wijze waarop hij deze heeft verkregen, heeft hij vage en wisselende verklaringen afgelegd, terwijl hij niet dusdanig lang in het bezit van de scooter is geweest dat een aannemelijke verklaring over hoe hij aan de scooter is gekomen redelijkerwijs niet meer van hem kon worden verwacht. De eerst ter terechtzitting afgelegde verklaring van verdachte dat hij de scooter destijds bij de sloop heeft gehaald, acht de rechtbank in ieder geval niet aannemelijk gelet op de goede staat waarin de scooter ten tijde van de diefstal kennelijk verkeerde. Verdachte heeft aldus geen aannemelijke verklaring afgelegd over hoe hij aan de scooter is gekomen. Voorts heeft hij er geen blijk van gegeven dat hij bij het verkrijgen van de scooter enig onderzoek heeft gedaan naar de herkomst daarvan. Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de scooter van diefstal afkomstig was. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen voor schuldheling.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 25 mei 2018 te Naarden een kentekenplaat ( [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 3

op 18 juni 2018 te Naarden een (Stihl) bladblazer, toebehorende aan [aangever 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 4

op 25 juni 2018 te Bussum, tezamen en in vereniging met een ander, een heggenschaar en bladblazer (Stihl), die toebehoorden aan [aangever 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Feit 5

in de periode van 9 april 2018 tot en met 12 mei 2018 te Naarden en Bussum, een kentekenplaat ( [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden

krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 6

op 3 juli 2018 te Naarden een snor-/bromfiets (Piaggio C38) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1, 5 en 6

telkens, schuldheling;

Feit 3

diefstal;

Feit 4

diefstal door twee of meer verenigde personen.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht, omdat verdachte ten tijde van het onder 7 tenlastegelegde feit nog minderjarig was, en ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 120 uren, met aftrek van het voorarrest, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 60 dagen jeugddetentie, waarvan een gedeelte van 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden:

- meldplicht bij de volwassenreclassering;

- medewerking verlenen aan diagnostisch onderzoek en ambulante behandeling (indien geïndiceerd);

- meewerken aan het aflossen van zijn schulden, ook als dat inhoudt schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke personen (WSNP).

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het feit dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Verder heeft hij aangevoerd dat verdachte ten aanzien van een groot deel van de feiten een bekennende proceshouding heeft en dat hij tekst en uitleg heeft gegeven over wat er gebeurd is. Voorts is aangevoerd dat verdachte een nagenoeg blanco strafblad heeft en dat de redelijke termijn is overschreden. Met betrekking tot eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden deelt de raadsman mee dat verdachte heeft meegewerkt aan de reclasseringsrapportage en zich kan vinden in de conclusies. Verdachte wil graag financiële hulp maar heeft geen problematische schulden. De raadsman verzoekt oplegging van meewerken aan schuldhulpverlening zonder de WSNP. Tot slot verzoekt de raadsman rekening te houden met de relatief geringe ernst van de feiten.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft gedurende een half jaar maar liefst vijf strafbare feiten gepleegd. Verdachte heeft zich drie maal schuldig gemaakt aan heling en twee maal aan diefstal (in vereniging). Diefstal en heling zijn feiten waardoor veel schade en overlast wordt veroorzaakt. Daarbij bevordert heling diefstal van goederen en zorgt heling bovendien voor een illegaal handelscircuit van goederen waardoor de reguliere, eerlijke handel wordt verstoord en maatschappelijke schade wordt toegebracht. De verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur eigen belang en winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de benadeelden.

Persoon van verdachte

Uit een de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 24 februari 2021 blijkt dat verdachte voor het plegen van bovengenoemde feiten niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf. De rechtbank weegt dit in strafmatigende noch in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van de Jeugdbescherming & Reclassering Leger des Heils van 9 maart 2021, opgemaakt door L.S.M. Bijkerk, reclasseringswerker en S. Noordeloos, unitmanger. Hieruit blijkt dat de reclassering geen zicht heeft kunnen krijgen op het sociaal netwerk van verdachte en gering inzicht in zijn psychosociaal functioneren. Beide worden echter wel gezien als mogelijke relevante risicofactoren. Verdachte toont zich welwillend en open in het gesprek met de reclassering, maar maakt ook de indruk op zijn hoede te zijn in hetgeen hij wel en niet vertelt. De leefgebieden van verdachte worden als instabiel en onvoldoende beschermend ervaren. Verdachte beschikt over dagbesteding en werk, maar betwijfeld wordt of deze stabiel is en blijft voor de lange termijn. Ook heeft verdachte schulden. Positief is dat verdachte gestopt zou zijn met middelengebruik en over huisvesting beschikt. De reclassering acht nader onderzoek op het gebied van psychosociaal functioneren zeer wenselijk. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen.

Volwassenenstrafrecht

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te berechten op basis van het jeugdstrafrecht, omdat hij ten tijde van het onder 7 tenlastegelegde feit nog minderjarig was. De rechtbank spreekt verdachte evenwel van dit feit vrij. De overige feiten zijn gepleegd toen verdachte meerderjarig was en er bestaan geen indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht, mede gelet op voormeld advies van de reclassering. De rechtbank zal verdachte aldus bestraffen op basis van het volwassenenstrafrecht.

Straf

Gelet op de aard en de hoeveelheid van de feiten acht de rechtbank een flinke taakstraf een passende afdoening. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan geëist door de officier van justitie, nu de officier van justitie uitgaat van meer bewezen verklaarde feiten dan de rechtbank. Gelet op het advies van de reclassering acht de rechtbank het ook van belang een voorwaardelijk gedeelte aan verdachte op te leggen, zodat verdachte een stok achter de deur heeft die hem ervan zal moeten weerhouden opnieuw de fout in te gaan. De rechtbank ziet geen indicaties voor het opleggen van ambulante behandeling in de vorm van een bijzondere voorwaarde. Wel acht de rechtbank ondersteuning van de reclassering bij het omgaan met de schulden, het vinden van een zinvolle en stabiele dagbesteding en een meldplicht bij de reclassering van belang om verdachte op (de goede) weg te helpen. Verdachte heeft ook verklaard hiervoor open te staan.

Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat de redelijke termijn in strafzaken als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Verdachte is 3 juli 2018 voor het eerst gehoord, terwijl het vonnis op 13 april 2021 wordt gewezen. Daarmee is de redelijke termijn in aanzienlijke mate overschreden. Nu deze overschrijding niet is toe te rekenen aan de verdachte, dient hij gecompenseerd te worden door middel van strafvermindering. Zonder de overschrijding van de redelijke termijn zou aan verdachte een hogere (onvoorwaardelijke) werkstraf zijn opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, passend en geboden.

9 BESLAG

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, nu deze voorwerpen niet te linken zijn aan enig strafbaar feit. Het gaat om:

- 1 STK Grasmaaier G2221196 (Omschrijving: Oranje, merk: Husqvarna 235 REtech);

- 1 STK Grasmaaier (Omschrijving: G2221203, Oranje, merk: Stihl Fs100 Brushcut);

- 1 STK Grasmaaier (Omschrijving: G2221207, Geel, merk: Stiga Honda);

- 1 STK Besproeiingspomp tuin (Omschrijving: G2221233, Blauw, merk: Gardena);

- 1 STK Heggenschaar (Omschrijving: G2221236, Oranje, merk: Black & Decker);

- 1 STK Breekijzer (Omschrijving: G2221238, Oranje).

Teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal teruggave gelasten van het in beslag genomen voorwerp, te weten 1 STK Kentekenplaat snorfiets (Omschrijving: [nummer ] , Blauw), aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende van dit voorwerp kan worden aangemerkt, te weten [rechthebbende] .

10 BENADEELDE PARTIJEN

[aangever 3] dan wel [aangever 3] hovenier te [woonplaats] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd, maar geen bedrag gevorderd. De vordering is ingediend naar aanleiding van het onder feit 4 ten laste gelegde feit.

[C] heeft zich namens [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 575,00. Dit bedrag bestaat uit materiële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder feit 8 ten laste gelegde feit.

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 100,00. Dit bedrag bestaat uit proceskosten en is ingediend naar aanleiding van een feit dat inmiddels door het Openbaar Ministerie is geseponeerd wegens onvoldoende bewijs.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt de vorderingen van [aangever 3] , [bedrijf] en [benadeelde] niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op het ontbreken van een gevorderd bedrag, respectievelijk de gevorderde vrijspraak respectievelijk de sepotbeslissing.

10.2

Het standpunt van de verdediging

Primair verzoekt de raadsman de vordering van [bedrijf] niet-ontvankelijk te verklaren, nu hiervoor vrijspraak is bepleit. Subsidiair verzoekt de raadsman de vordering af te wijzen, nu er geen facturen zijn bijgevoegd en geen verificatie kan plaatsvinden op de juistheid van de kosten. Ten aanzien van de andere twee vorderingen heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Vordering [aangever 3]

De rechtbank is van oordeel dat in algemene zin aannemelijk is geworden dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank stelt echter vast dat een gevorderd schadebedrag en elke vorm van onderbouwing van de schade ontbreken. De benadeelde partij heeft, sinds het indienen van de vordering geen aanvullende onderbouwing verschaft, noch is zij, hoewel daarvan in kennis gesteld, ter terechtzitting verschenen om toelichting te geven en/of vragen te beantwoorden. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt.

Vordering [bedrijf]

De rechtbank zal de benadeelde partij [bedrijf] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering nu verdachte van het onder feit 8 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt.

Vordering [benadeelde]

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, nu de zaak waarin de benadeelde partij zich heeft gevoegd reeds door het Openbaar Ministerie geseponeerd is. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vordering, zullen de kosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder zijn eigen kosten draagt.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 57, 63, 310, 311 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder de feiten 2, 7 en 8 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder de feiten 1, 3, 4 primair, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart hetgeen meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het de feiten 1, 3, 4 primair, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 100 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;

- bepaalt dat van de taakstraf een gedeelte van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 1 (één) jaar jaren vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- als bijzondere voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering Midden-Nederland, op het adres Zeehaenkade 30, 3526 LC te Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden, zolang de reclassering dat nodig vindt;

* meewerkt aan het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding;

- waarbij Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering Midden-Nederland te Utrecht opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

  • -

    1 STK Grasmaaier G2221196 (Omschrijving: Oranje, merk: Husqvarna 235 REtech);

  • -

    1 STK Grasmaaier (Omschrijving: G2221203, Oranje, merk: Stihl Fs100 Brushcut);

  • -

    1 STK Grasmaaier (Omschrijving: G2221207, Geel, merk: Stiga Honda);

  • -

    1 STK Besproeiingspomp tuin (Omschrijving: G2221233, Blauw, merk: Gardena);

  • -

    1 STK Heggenschaar (Omschrijving: G2221236, Oranje, merk: Black & Decker);

  • -

    1 STK Breekijzer (Omschrijving: G2221238, Oranje).

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van het volgende voorwerp:

1 STK Kentekenplaat snorfiets (Omschrijving: [nummer ] , Blauw);

Benadeelde partij [aangever 3]

  • -

    verklaart [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

Benadeelde partij [bedrijf]

  • -

    verklaart [bedrijf] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

Benadeelde partij [benadeelde]

  • -

    verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.G. Bakker, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. H.F. Koenis en R.A. Hebly, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H. Lagerweij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 april 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1

(Zaak 1A)

hij, op of omstreeks 25 mei 2018 te Naarden, gemeente Gooise Meren, althans in Nederland, een goed, te weten een kentekenplaat ( [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

2

(Zaak 1B)

hij, op of omstreeks 25 mei 2018 te Naarden, gemeente Gooise Meren, een goed, te weten een snor-/bromfiets heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

3

(Zaak 3)

hij, op of omstreeks 18 juni 2018 te Naarden, gemeente Gooise Meren, althans in Nederland,

een (Stihl) bladblazer, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [aangever 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht )

4

(Zaak 5)

hij op of omstreeks 25 juni 2018 te Bussum, gemeente Gooise Meren, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een heggenschaar en/of bladblazer (Stihl), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [aangever 3] , althans aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij of omstreeks 25 juni 2018 te Naarden en/of Bussum, gemeente Gooise Meren,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een heggenschaar en/of bladblazer (Stihl), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

5

(Zaak 7)

hij in of omstreeks de periode van 9 april 2018 tot en met 25 mei 2018 te Naarden en/of Bussum, gemeente Gooise Meren, althans in Nederland, een goed, te weten een kentekenplaat ( [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

6

(Zaak 8)

hij op of omstreeks 3 juli 2018 te Naarden, gemeente Gooise Meren, althans in Nederland,

een goed, te weten een snor-/bromfiets (Piaggio C38) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

7

(Zaak 9)

hij op of omstreeks 16 december 2017 te Zaandam, althand in Nederland, een kentekenplaat (DJH54K), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [rechthebbende] , althans aan een ander dan aan verdachte, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht )

8

(Zaak 11)

hij op of omstreeks 22 september 2018 te Naarden, gemeente Gooise Meren, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een buitenboordmotor en/of een brandstoftank, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Natuurmonumenten en/of [bedrijf] BV, althans aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art

311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 26 februari 2019, genummerd 2019049913, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 270. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een afschrift van aangifte van aangever [aangever 1] , pagina 29.

3 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 212.

4 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , pagina 88 en 89.

5 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 208.

6 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , pagina 58.

7 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 61

8 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 153.

9 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 157, 158 en 176.

10 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 153.

11 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , pagina 73.

12 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 57.

13 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 54.

14 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , pagina 55.

15 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 40.

16 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , pagina 35.

17 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , pagina 36.

18 Een proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , pagina 37.

19 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 42.

20 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 44.

21 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte, pagina 212.

22 Een afschrift van aangifte van aangever [aangever 7] , pagina 75.

23 Een afschrift van aangifte van aangever [aangever 7] , pagina 76.

24 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 115.

25 Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 116.